Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-05-30
ECLI:NL:RBAMS:2023:3642
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,276 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/049002-23
Datum uitspraak: 30 mei 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [penitentiaire inrichting 1] .
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 16 mei 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.L. Smit, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Leusden, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat de deskundige [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte wordt – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 18 februari 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. diefstal van worst(en);
2. wederrechtelijk binnendringen bij de Albert Heijn aan [adres] te Amsterdam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal en het wederrechtelijk binnendringen bij de Albert Heijn kunnen worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt – met de officier van justitie en de verdediging – dat de diefstal en het wederrechtelijk binnendringen bij de Albert Heijn bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft de feiten bekend.
4Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte
1. op 18 februari 2023 te Amsterdam worsten, die geheel aan winkelbedrijf Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. op 18 februari 2023 te Amsterdam in het besloten lokaal [adres] bij Albert Heijn in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 9 september 2022 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 24 maanden.
5Strafbaarheid van de feiten
De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar, met een tussentijdse toetsing na één jaar.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om verdachte nog een laatste kans te geven om zelfstandig terug naar Roemenië te keren, dan wel aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf of een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat naast overlast en schade voor de winkel ook hinder veroorzaakt voor winkeliers. Met het plegen van deze winkeldiefstal heeft verdachte geen respect getoond voor de eigendommen van anderen. Bovendien heeft verdachte deze winkeldiefstal gepleegd terwijl hij wist dat voor die winkel aan hem een winkelverbod was opgelegd.
ISD-maatregel
Voldaan aan de criteria voor oplegging
Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet er worden voldaan aan de voorwaarden die volgen uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht en de ISD-richtlijn van het Openbaar Ministerie (Richtlijn Strafvordering bij meerderjarige veelplegers). Zo moet verdachte een misdrijf hebben gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis (onder andere) bewezen heeft verklaard dat verdachte een diefstal heeft gepleegd, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte in de afgelopen vijf jaar meer dan drie keer voor een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Uit het strafblad van verdachte van 17 april 2023 blijkt dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Ook wordt voldaan aan de voorwaarde dat het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is gepleegd na tenuitvoerlegging van die vrijheidsbenemende straffen. Uit het reclasseringsadvies van 10 mei 2023 blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Gelet op de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke misdrijven oordeelt de rechtbank bovendien dat de veiligheid van personen of goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. De rechtbank stelt daarmee vast dat aan alle voorwaarden uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.
De ISD-richtlijn van het Openbaar Ministerie stelt als aanvullende voorwaarde dat er in de afgelopen vijf jaar ten minste tien processen-verbaal moeten zijn opgemaakt voor misdrijven, waarvan ten minste één proces-verbaal in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatste gepleegde misdrijf. Uit het strafblad van verdachte van 17 april 2023 blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan.
Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet ook blijken dat er geen alternatief voor het opleggen van een ISD-maatregel bestaat. Daarbij wordt gekeken of er in het verleden dwangtrajecten hebben plaatsgevonden die niet hebben geleid tot een gedragsverandering, of dat verdachte heeft aangegeven hieraan niet mee te willen werken, of dat verdachte daar – gelet op zijn status – geen mogelijkheden toe heeft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 10 mei 2023, opgemaakt door [reclasseringswerker] . Hieruit blijkt dat de kans op recidive door de reclassering als hoog wordt ingeschat, vanwege het alcoholgebruik van verdachte en het ontbreken van inkomen, dagbesteding, zelfstandige huisvesting en een sociaal netwerk waarop hij kan terugvallen. Om de kans op recidive te verlagen is hulpverlening nodig, maar interventies zijn niet uitvoerbaar omdat verdachte geen aanspraak maakt op sociale voorzieningen. De reclassering heeft daarom geen mogelijkheden om verdachte te begeleiden in een voorwaardelijk kader met bijzondere voorwaarden. Er wordt geadviseerd om een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar op te leggen aan verdachte, met een tussentijdse toetsing na één jaar. Ook wordt geadviseerd om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen als een ISD-VRIS, een ISD-maatregel voor vreemdelingen, in de [penitentiaire inrichting 2] . De ISD-maatregel zal dan niet gericht zijn op resocialisatie, maar op terugkeer naar Roemenië met een zachte landing in dat land. In het geval dat een ISD-maatregel geen consequenties heeft voor de verblijfsstatus van verdachte, wordt tenuitvoerlegging in de [penitentiaire inrichting 2] ook geadviseerd. Er zijn daar specifieke interventies mogelijk voor burgers uit de Europese Unie.
[reclasseringswerker] is op de zitting gehoord als deskundige en heeft haar advies bevestigd en in aanvulling daarop verklaard dat verdachte op dit moment niet lang genoeg in Nederland is om aanspraak te maken op sociale voorzieningen die hij wel nodig heeft, zoals hulp voor zijn alcoholverslaving. Amoc heeft twee keer hulp aangeboden aan verdachte voor zijn alcoholverslaving en voor opvang, maar verdachte heeft hier beide keren niets mee gedaan. Amoc heeft hem onder andere begeleid naar HVO-Querido en naar Jellinek, maar verdachte is bij beide instanties nooit verschenen. Amoc heeft aangegeven dat ze geen hulp meer aanbieden aan verdachte. De deskundige acht verdachte niet in staat om zelfstandig terug te keren naar Roemenië.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij na zijn ongeluk (waardoor hij twee weken in coma heeft gelegen) problemen heeft met zijn geheugen en met zijn linkeroor. Na het ongeluk is verdachte naar Roemenië gegaan, maar weer teruggekomen naar Nederland omdat hij in Nederland een baan had gevonden. Deze baan heeft hij na een maand weer verloren. Verdachte wil wel terugkeren naar Roemenië, naar zijn moeder, broer en zus. Dat is beter dan in Nederland in de gevangenis zitten. Verdachte heeft geen commentaar op de vraag waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de hulp die Amoc hem heeft geboden.
Gelet op deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat er geen mogelijkheden zijn om de benodigde interventies in een drangkader uit te voeren en er geen alternatief is voor oplegging van de ISD-maatregel.
Onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een laatste kans te geven om zelfstandig terug te keren naar Roemenië. De rechtbank oordeelt dat verdachte eerder al is teruggekeerd naar Roemenië, maar weer is teruggekomen naar Nederland. Hulp die is aangeboden door Amoc heeft hij niet aangenomen. De rechtbank heeft er dan ook onvoldoende vertrouwen in dat verdachte, eventueel na het uitzitten van een gevangenisstraf, naar Roemenië zal vertrekken en bestendig recidivevrij zal blijven. Bovendien wordt er op die manier niets gedaan om zijn problematiek te doorbreken en om een gedragsverandering te bevorderen. Binnen de ISD-maatregel kunnen de interventies worden ingezet die hij nodig heeft om zijn problematiek aan te pakken. Ook kan – indien dat gelet op zijn toekomstige verblijfsstatus noodzakelijk is – worden gewerkt aan het motiveren van verdachte voor een (bestendige) terugkeer naar Roemenië.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
diefstal;
Feit 2:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.
Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en C.M. Mellema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Post, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 mei 2023.
[...]
[...]