Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-05-24
ECLI:NL:RBAMS:2023:3454
Civiel recht; Mededingingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
99,225 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummers / rolnummers:
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C/13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)
Vonnis van 24 mei 2023
in de zaken van
de stichting
STICHTING CARTEL COMPENSATION,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. J. van den Brande,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETE AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
gedaagden,
alsmede in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/562256 / HA ZA 14-348 (Equilib I)
van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.H.J. van Maanen,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,
gedaagden,
en
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SINGAPORE AIRLINES LIMITED,
gevestigd te Singapore, Singapore,
advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SWISS INTERNATIONAL AIR LINES A.G.,
gevestigd te Basel, Zwitserland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIR CANADA,
gevestigd te Saint Laurent, Canada,
advocaat mr. K.A.J. Bisschop,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED,
gevestigd te Hong Kong, China,
advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg,
12. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SAS A.B.,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SAS CARGO GROUP A/S,
gevestigd te Stockholm, Zweden,
advocaat mr. W. Heemskerk,
gevoegde partijen,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EQUILIB NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen,
eiseres,
tegen
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
2. de naamloze vennootschap
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,
advocaat mr. dr. D.A.M.H.W. Strik;
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
LUFTHANSA CARGO A.G.,
gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC.,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. S.J. Thé,
gedaagden.
Eiseressen zullen hierna SCC en Equilib worden genoemd. Gedaagden (en gevoegde partijen) zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Voor de overzichtelijkheid heeft de rechtbank hierna de chronologische procedurele gang van zaken in alle zaken samengevat vanaf het tussenvonnis van
11 september 2019, voor zover hier relevant. De hierna genoemde processtukken/proceshandelingen behoren alleen tot het procesdossier van de zaak/zaken waarin zij zijn genomen/verricht.
1.2.
Bij tussenvonnis van 11 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9965) is, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
“(…)
4.2.
Nu thans de kern van de zaak aan de orde is – de (aan Equilib en SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen – ligt het in de rede om het Nederlands procesrecht (weer) te volgen, te beginnen met de regels over stelplicht en bewijslast, neergelegd in artikelen 149 en 150 Rv. De uit die artikelen voortvloeiende stelplicht brengt mee dat de eisende partij alle feiten dient te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg. Dit brengt mee dat bij aanvang van de procedure, in de dagvaarding, alle feitelijke elementen moeten worden aangevoerd die op basis van de wet nodig zijn voor de toewijzing van de vordering. Die feitelijke elementen moeten ook worden geconcretiseerd; met algemeenheden kan niet worden volstaan. Wel is er ruimte om in een latere fase van de procedure – nadat ook het verweer bekend is geworden – de feiten nader te concretiseren, aan te vullen en, zo nodig, (nader) te onderbouwen. Wanneer niet is voldaan aan de stelplicht, kan reeds op die grond de vordering worden afgewezen.
(…)
4.4.
Bij de beoordeling mag in dit verband voorts niet uit het oog worden verloren dat de vorderingen van Equilib en SCC rechtens niets anders zijn dan de verzamelde vorderingen van ieder van de shippers/cedenten. Er is geen sprake van een collectieve actie door een belangenorganisatie op de voet van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een litigation vehicle als zodanig heeft geen (bijzondere) positie in het Nederlands procesrecht.
4.5.
Dit alles brengt met zich dat Equilib en SCC per shipper/cedent aan de stelplicht zullen moeten voldoen.
4.6.
De rechtbank verwijst naar het vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2019 over de stelplicht van litigation vehicles in diverse tegen truckfabrikanten aangespannen zaken (ECLI:NL:RBAMS:2019:3574) en naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2019 over de stelplicht van een litigation vehicle (EWD) in het liftenkartel (ECLI:NL:GHARL:2019:1060). In dat arrest heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“(…)
5.20. (…)
Al met al vormen (concrete gegevens over) de contracten in deze zaak een onmisbare bouwsteen voor (de feitelijke grondslag van) het conditio sine qua non-verband (…) als ook voor het bestaan (en de omvang) van schade aan de zijde van (ieder van) de achterliggende partijen. Door de desbetreffende informatie niet, althans niet ordentelijk, in het geding te brengen heeft EWD nagelaten een voldoende adequaat partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk te maken.
(…)
5.23.
In hoger beroep heeft EWD (…) op een elektronische gegevensdrager ‘de onderliggende bescheiden en gegevens’ in het geding gebracht, ‘waaruit van de omvang van de bestedingen van de Zorginstellingen blijkt.’ Deze documenten met een omvang van ca. 15.000 pagina’s zijn ongesorteerd en door EWD niet van enige toelichting voorzien. Voorkomende bedragen zijn niet gerelateerd aan overeenkomsten. Daarmee worden de hiaten die EWD ten opzichte van haar stelplicht deed ontstaan (zie ook hiervoor onder 5.22) geenszins opgelost.
5.24.
Het hof deelt, samengevat, de visie van geïntimeerden en de rechtbank dat procederen op deze wijze, hoezeer ook wenselijk is dat gedupeerden van een kartel worden gecompenseerd, niet mogelijk is. (…)”
4.7.
Ook de rechtbank Rotterdam heeft onlangs in het liftenkartel een uitspraak gedaan over de stelplicht van een litigation vehicle (rechtbank Rotterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4441).
4.8.
Tot nu toe hebben Equilib en SCC slechts gesteld dat zij vorderingen hebben overgenomen van de shippers vermeld op door hen overgelegde lijsten (in het geval van Equilib: annexen en in het geval van SCC: productie 56 bij antwoordakte rechtsgeldigheid cessies, tevens akte houdende vermindering van de grondslag van de eis) die luchtvrachtvervoer zouden hebben afgenomen. Een nadere onderbouwing en specificatie van die vorderingen (of luchtvrachtdiensten) hebben Equilib en SCC nog niet gegeven. De enige nadere specificatie die Equilib heeft gegeven betreft de matrix die Equilib op 4 november 2015 in het geding heeft gebracht met daarin een overzicht van de top 10 routes per jaar en per land. SCC heeft in de inleidende dagvaarding (en thans in haar aktes) een kwantificatie gegeven van het luchtvrachtvervoer dat de shippers/cedenten zouden hebben afgenomen, maar zij heeft (nog) geen enkel inzicht gegeven in de onderbouwing daarvan. SCC heeft slechts foto’s van mappen met airwaybills in het geding gebracht.
4.9.
In lijn met wat de rechtbank ook in haar vonnissen van 25 maart 2015 en 22 juli 2015 reeds heeft aangekondigd en de hiervoor onder 4.6 en 4.7 genoemde uitspraken van deze rechtbank, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de rechtbank Rotterdam in andere kartelschadezaken, moet worden geoordeeld dat thans het moment is aangebroken dat Equilib en SCC de (door de shippers aan hen gecedeerde) vorderingen nader met stukken zullen moeten onderbouwen, althans relevante data betreffende de aan de vorderingen ten grondslag liggende vluchten/transacties in het geding moeten brengen. Het is aan Equilib en SCC om aan deze onderbouwing van hun vorderingen nader invulling te geven. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen lijken te stellen, bestaat er (naar Nederlands (proces)recht) geen grondslag om Equilib en SCC te verplichten alle categorieën van gegevens die vermeld zijn op de in de Engelse procedure opgestelde ‘Scott Schedules’ te verstrekken of om Equilib en SCC anderszins op te dragen hoe zij invulling moet geven aan hun verplichting hun vorderingen voldoende te onderbouwen.
(…)
4.11.
Met de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat de stelplicht van Equilib en SCC zich tevens uitstrekt tot de – door hen gestelde en aan hun vorderingen ten grondslag liggende – upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). Equilib en SCC beroepen zich immers op het rechtsgevolg van deze doorberekening en moeten op de voet van artikel 150 Rv deze stelling onderbouwen en zo nodig bewijzen. Ook deze onderbouwing zullen Equilib en SCC in dit stadium van de procedure derhalve moeten geven. Indien SCC, zoals zij in haar akte van 12 juni 2019 lijkt te stellen, van mening is dat zij deze stelling reeds in de dagvaarding voldoende heeft onderbouwd, kan zij volstaan met een herhaling van haar stellingen op dit punt in de dagvaarding.
(…)”.
1.3.
SCC en Equilib hebben op 23 oktober 2019 respectievelijk 6 november 2019 een akte overlegging producties genomen ter nadere onderbouwing van hun stelplicht.
1.4.
SCC heeft op 22 april 2020 een akte vermeerdering eis met producties ingediend. Daarop hebben de luchtvaartmaatschappijen bij akte van 6 mei 2020 gereageerd.
1.5.
Op 9 juni 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
Procesverloop
Op die zitting zijn de in het proces-verbaal genoemde aktes overlegging producties door de luchtvaartmaatschappijen genomen en een akte van SCC met een reactie daarop. De rechtbank heeft op 9 juni 2020 onder meer beslist dat het nu aan de luchtvaartmaatschappijen was om te reageren op de gegevens die SCC en Equilib in het geding hadden gebracht. Verder heeft de rechtbank tijdens die zitting voorgesteld dat de deskundigen van partijen in overleg zouden treden om te onderzoeken of zij het eens konden worden over de methode om de overcharge te berekenen alsmede over welke data en informatie daarvoor nodig zouden zijn.
1.6.
De luchtvaartmaatschappijen hebben daarop gereageerd bij antwoordakte verstrekte gegevens van 16 december 2020, met als productie een rapport van de Berkeley Research Group (BRG). Eveneens op 16 december 2020 hebben partijen gezamenlijk een agree/disagree document van hun deskundigen over de berekening van de overcharge in het geding gebracht.
1.7.
Op 11 februari 2021 heeft wederom een regiezitting plaatsgevonden. Daarin zijn de onderwerpen overcharge en volume of commerce (VoC) niet aan de orde gekomen. Om inzicht te verkrijgen in wat er aan de zijde van SCC en Equilib aan data, informatie en verdere onderbouwing beschikbaar is en om te bepalen van welke cedenten de vorderingen reeds bij gebrek aan onderbouwing moeten afvallen voor het vervolg van de procedures, heeft de rechtbank op de voet van artikel 22 Rv SCC en Equilib opgedragen hun vorderingen voor iedere shipper nader te onderbouwen. Het proces-verbaal van die zitting luidt, voor zover hier relevant (onderstrepingen, rb):
“(…)
2.1.
De rechtbank beslist dat per shipper duidelijk moet zijn dat zij ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen tijdens de relevante periode. Shippers voor wie dat niet het geval is, zouden volgens de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing af moeten vallen in deze procedure.
2.2.
Dat betekent dat de rechtbank SCC en Equilib op de voet van artikel 22 Rv opdraagt voor iedere shipper (dat wil zeggen voor iedere rechtspersoon waarvan SCC of Equilib stelt dat deze één of meer vorderingen, direct of indirect, aan SCC respectievelijk Equilib heeft gecedeerd) een ultieme onderbouwingspoging te doen. SCC en Equilib nemen daarbij per shipper ten minste één luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen in de relevante periode, welke luchtvrachtvervoersdienst zij naar beste vermogen zo goed mogelijk zullen onderbouwen. De rechtbank geeft aan
deze best effort
van SCC en Equilib voor iedere shipper dient te zien op zowel
het feit
(i)
dat er een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen
als (ii) dat die luchtvrachtdienst is afgenomen, al dan niet indirect via een freight forwarder,
door een shipper die tevens als rechtspersoon cedent is.
2.3.
De rechtbank geeft aan dat zij SCC en Equilib hierom vraagt, omdat de rechtbank inzicht wil krijgen in wat er aan de zijde van SCC en Equilib aan data, informatie en verdere onderbouwing beschikbaar is. Bij de rechtbank ontbreekt dit inzicht nu nog in belangrijke mate en zij is daardoor niet goed in staat het vervolg van de procedure in goede banen te leiden en aldus de goede procesorde te bewaken.
2.4.
Het heeft de voorkeur van de luchtvaartmaatschappijen en de rechtbank dat SCC en Equilib, indien zij air waybills overleggen in het kader van hun onderbouwing, zij – daar waar mogelijk – air waybills overleggen die zien op luchtvrachtvervoersdiensten die zijn uitgevoerd door luchtvaartmaatschappijen van die data in de BRG Database is opgenomen.
(…)
2.8.
Zodra is vastgesteld welke shippers ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen tijdens de relevante periode (en dus vooralsnog ‘mee blijven doen’ in deze procedures, althans vooralsnog ‘niet afvallen’), kan het debat over de overige door die shippers aan hun vorderingen ten grondslag gelegde luchtvrachtvervoersdiensten, de (juridische) onderbouwing daarvan en de daaraan verbonden VoC (en de daarbij te hanteren methodologie en de daarvoor benodigde informatie) worden voortgezet. Waar nodig zullen de deskundigen van partijen daarbij worden betrokken.
(…).”
1.8.
SCC en Equilib hebben bij aktes uitlating ex art. 22 Rv van 15 september 2021 toegelicht dat volgens hen iedere shipper in de relevante periode een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en nadere informatie verstrekt. De luchtvaartmaatschappijen hebben bij antwoordakte bevel art. 22 Rv van 23 februari 2022 daarop gereageerd en bij akte overlegging producties van 25 maart 2022 zich uitgelaten over wat er uit de BRG Database zou blijken.
1.9.
Op 4 april 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Alle partijen hebben op die datum ook een akte overlegging producties genomen. In het proces-verbaal van die zitting is het volgende opgenomen, voor zover hier relevant:
“(…)
Spoor 1:
partijen worden in de gelegenheid gesteld om een korte re- en dupliek te nemen op de aktes van de luchtvaartmaatschappijen van 23 februari en 25 maart 2022, over de onderbouwing dat per cedent tenminste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen in de relevante periode. (…)”
1.10.
SCC en Equilib hebben vervolgens op 1 juni 2022 een akte van repliek genomen en de luchtvaartmaatschappijen op 31 augustus 2022 een akte van dupliek.
1.11.
SCC en Equilib hebben op 28 september 2022 een akte van repliek met producties over de VoC genomen en de luchtvaartmaatschappijen op 21 december 2022 een akte van dupliek.
1.12.
In dit (tussen)vonnis zal de rechtbank beslissen voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen.
2Het toetsingskader
2.1.
Ingevolge het tussenvonnis van 11 september 2019 en de procedurele beslissingen van de rechtbank die zijn vastgelegd in de processen-verbaal van de regiezittingen van
11 februari 2021 en 4 april 2022 (zie hiervoor onder 1.7 en 1.9) is aan SCC en Equilib op de voet van artikel 22 Rv opgedragen voor iedere achterliggende partij (dat wil zeggen voor iedere rechtspersoon waarvan SCC en Equilib stellen dat deze een of meer (schade)vorderingen, direct of indirect, aan Equilib respectievelijk SCC heeft gecedeerd) te onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. De rechtbank heeft dit een “ultieme onderbouwingspoging” genoemd.
Per achterliggende partij
2.2.
SCC en Equilib hebben – op verschillende gronden – bestreden dat het nodig is om aan te tonen dat elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Zij menen dat zij kunnen volstaan met de stelling (en onderbouwing) dat de groep (het concern) waartoe de achterliggende partij behoort, luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Equilib doet dit met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 12 december 2019 (Otis) en SCC onder verwijzing naar het Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’. Het betoog van zowel Equilib als SCC gaat niet op.
Procesverloop
Dit wordt als volgt toegelicht.
Otis-arrest
2.3.
Equilib stelt dat het HvJ in het Otis-arrest heeft beslist dat de kring van schadelijdende partijen jegens wie de ondernemingen aansprakelijk zijn, niet is beperkt tot degenen die op de relevante markt producten of diensten hebben afgenomen, zolang er maar causaal verband is tussen de inbreuk en de schade. Equilib verwijst hiertoe naar de volgende overwegingen in het arrest:
“27. Het is eveneens van belang te benadrukken dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, zowel het waarborgen van de volle werking en het nuttig effect van artikel 101 VWEU als de doeltreffende bescherming tegen de nadelige gevolgen van een inbreuk op de mededingingsregels aanzienlijk zou worden aangetast, als de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die door een kartel is ontstaan beperkt zou zijn tot leveranciers of afnemers op de door het kartel beïnvloede markt. Hierdoor zouden immers potentiële slachtoffers op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.
(…)
29. Verzoeksters in het hoofgeding betwisten echter in essentie het recht van het Land Oberösterreich om vergoeding te vorderen van de schade die het geleden zou hebben, op grond dat die schade niet voldoende verband houdt met de beschermingsdoelstelling van artikel 101 VWEU en dus als zodanig niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.
30. Zoals evenwel blijkt uit de punten 22 tot en met 25, 26 en 27 van het onderhavige arrest, moet alle schade die in causaal verband met een inbreuk op artikel 101 VWEU staat in aanmerking kunnen komen voor vergoeding teneinde de doeltreffende toepassing van artikel 101 VWEU te verzekeren en het nuttig effect van deze bepaling te handhaven.
31. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het in dit verband niet nodig dat de door de betrokken persoon geleden schade daarenboven een specifiek verband vertoont met de door artikel 101 VWEU nagestreefde „beschermingsdoelstelling”, omdat de karteldeelnemers anders niet gehouden zouden zijn om alle schade te vergoeden die zij hebben kunnen veroorzaken.”
Deze overwegingen kunnen Equilib niet baten. Equilib stelt dat ‘haar’ achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Zij stelt niet dat de achterliggende partijen anderszins schade hebben geleden als gevolg van het kartel. De overwegingen in het Otis-arrest zien op die situatie. Het Land Oberösterreich stelde immers dat het geen schade heeft geleden als directe of indirecte afnemer van de producten waarop het betrokken kartel betrekking had, maar in de hoedanigheid van subsidieverstrekker. Equilib stelt dat elke achterliggende partij een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Dat zal zij dan ook moeten onderbouwen. Dit geldt ook voor achterliggende partijen die onderdeel zijn van een concern (groep). Ook voor die achterliggende partijen zal Equilib moeten onderbouwen dat een luchtvrachtdienst daadwerkelijk door de betrokken achterliggende partij is afgenomen. Anders dan Equilib stelt, is er – zonder nadere toelichting (die ontbreekt) – geen enkele reden om aan te nemen dat "bijvoorbeeld moedervennootschappen van dochterondernemingen die luchtvrachtvervoersdiensten hebben ingekocht, ook zelf daardoor schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt". Equilib heeft onvoldoende gesteld ten aanzien van (de feitelijke grondslag van) dergelijke schade en stelt bovendien louter dat die "niet valt uit te sluiten". Equilib heeft daarmee onvoldoende toegelicht dat (afgeleide) schade van andere rechtspersonen (groepsvennootschappen) dan afnemers van luchtvrachtvervoersdiensten eveneens onderdeel is van de door haar ingestelde (gecedeerde) vorderingen.
Europeesrechtelijk begrip ‘onderneming’
2.4.
SCC heeft met een beroep op het Europeesrechtelijke begrip ‘onderneming’ aangevoerd dat het niet nodig is om binnen een groep achterliggende partijen een individuele rechtspersoon aan te wijzen die de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Zoals gezegd gaat ook dit niet op. Uit het feit dat het (Europeesrechtelijke) kartelverbod zich richt tot ondernemingen, en dat in verband daarmee onder bepaalde omstandigheden aan rechtspersonen die tot dezelfde ‘onderneming’ (groep) behoren een boete kan worden opgelegd in verband met elkaars mededingingsbeperkende gedragingen, volgt immers niet dat een ‘onderneming’ als zodanig naar Nederlands recht ook aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens een overtreding van het (Europeesrechtelijke of Nederlandse) kartelverbod. Het Europese mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip ziet, zoals door de luchtvaartmaatschappijen terecht is opgemerkt, op de onderneming als normadressaat, maar niet als drager van privaatrechtelijke subjectieve rechten. Zelfs indien bepaalde cedenten in mededingingsrechtelijke zin tot dezelfde ‘onderneming’ zouden behoren als rechtspersonen die luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, volgt uit het Europese mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip dan ook niet dat de achterliggende partij in kwestie aanspraak kan maken op vergoeding van schade die een andere tot dezelfde ‘onderneming’ behorende rechtspersoon heeft geleden. Uit het ondernemingsbegrip volgt dus ook niet dat de rechtspersoon binnen de groep die de schade daadwerkelijk zou hebben geleden niet behoeft te worden aangewezen en geen achterliggende partij hoeft te zijn, wil de vordering van SCC met betrekking tot een dergelijke achterliggende partij kunnen slagen.
“Eenieder” moet schade kunnen vorderen
2.5.
Ook volgens het Unierecht kan een gelaedeerde (rechts)persoon alleen vergoeding vorderen van de door hemzelf geleden schade. De door het HvJ geformuleerde regel dat “eenieder” vergoeding van zijn door een verboden kartel veroorzaakte schade kan vorderen maakt dit niet anders en het beroep dat SCC en Equilib op die regel doen kan hen dan ook niet baten. Uit de rechtspraak volgt dat “eenieder” schade kan vorderen die “hem” is berokkend door een overeenkomst of gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen. Ook de Kartelschaderichtlijn maakt dit duidelijk. In artikel 5 lid 1 staat:
“De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.”
Die schadevorderingen moeten worden beoordeeld naar de in de lidstaten geldende processuele en materiële regels. AG Kokott formuleert het (onder verwijzing naar de Kartelschaderichtlijn) aldus in haar conclusie voor het Otis-arrest (randnr. 41):
“Bij gebreke van Unierechtelijke regelgeving op dit gebied is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van schade, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen. (…)”.
Zij voegt daar vervolgens aan toe (randnr. 44):
“(…) dat de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten op het gebied van schadevorderingen in kartelzaken loopt langs de scheidslijn tussen het materiële recht en de processuele handhaving: de vraag naar het bestaan van de schadevergoedingsrechten (dat wil zeggen de vraag of schadevergoeding moet worden toegekend) is een zaak van het Unierecht.
Procesverloop
De regels voor de toepassing en de modaliteiten voor de concrete uitoefening van dergelijke vorderingen (dat wil zeggen de vraag hoe schadevergoeding moet worden toegekend), dus met name bevoegdheden, procedures, termijnen en bewijsvoering, zijn daarentegen een zaak van het nationale recht.”
Verderop licht zij nader toe wat onder het ‘causaal verband’ wordt verstaan (randnr. 56):
“Volgens de scheidingslijn tussen het materiële recht en de processuele handhaving kan het derhalve bij de “regels voor de toepassing van het begrip ‘causaal verband’”, waarvan de vaststelling volgens het Hof in het arrest Manfredi en overweging 11 van [de Kartelschaderichtlijn] een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van elke lidstaat, slechts gaan om de modaliteiten van de feitelijke vaststelling van een causaal verband tussen het schadetoebrengende feit en de schade in het concrete geval. (…)”.
Dat laatste is nu precies waar de opdracht van de rechtbank op ziet: SCC en Equilib moeten voldoende feitelijke gegevens aandragen waarmee de rechtbank kan vaststellen dat iedere achterliggende partij schade heeft geleden ten gevolge van het kartel door het afnemen van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals zij stellen.
Schatten (artikel 6:97 BW)?
2.6.
SCC stelt zich op het standpunt dat zij niet per achterliggende partij hoeft te onderbouwen dat zij deze luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, omdat de rechtbank op de voet van artikel 6:97 BW gehouden is de schade te begroten of te schatten. Dat laatste is op zich juist, maar de omstandigheid dat de rechter naar Nederlands recht de omvang van eventuele (eveneens door SCC aan te tonen) schade mag begroten, brengt geen verandering in de stelplicht en bewijslast over de aan eventuele schadebegroting voorafgaande noodzakelijke vaststelling van feiten die ten grondslag liggen aan het bestaan van een vordering. De procedures bevinden zich thans nog in deze fase: eerst zal moeten worden vastgesteld of elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode en dus (potentieel) een vordering heeft. Hetzelfde geldt voor het argument van SCC dat de deelname aan het kartel één voortdurende onrechtmatige daad is. Een partij heeft, zoals hiervoor is overwogen, immers pas een vordering uit hoofde van die onrechtmatige daad als hij kan aantonen dat hij ten gevolge van die onrechtmatige daad schade heeft gelden.
Aktes van cessie
2.7.
Anders dan SCC betoogt, hebben de rechtbank in het tussenvonnis van 2 augustus 2017 en het Hof Amsterdam in het tussenarrest van 10 maart 2020 inzake de rechtsgeldigheid van de cessies niet als vaststaand aangenomen dat de verklaringen in de cessiedocumentatie in het kader van de stelplicht volstaan. Integendeel, in r.o. 4.21 van het tussenvonnis staat over het bepaalbaarheidsvereiste:“(…) niet nodig [is] dat (thans al) kan worden vastgesteld welke shippers welke vluchten (welke routes) hebben afgenomen”. En in r.o. 4.9.3 van het tussenarrest staat: “De luchtvaartmaatschappijen betogen op zichzelf terecht dat het bepaalbaarheidsvereiste in geval van een generieke omschrijving van de vordering vereist dat aan de hand van die omschrijving op grond van andere objectieve gegevens kan worden vastgesteld welke vorderingen zijn geleverd. De omstandigheid dat deze vaststelling in dit stadium van deze complexe procedure nog niet heeft plaatsgevonden, brengt echter niet mee dat dat aan dit vereiste niet is voldaan. (…)”.
BRG Database
2.8.
De luchtvaartmaatschappijen hebben toegelicht dat zij voor het verifiëren van de door SCC en Equilib aangeleverde data ter onderbouwing van hun stellingen gebruik hebben gemaakt van de BRG Database. Deze BRG Database bevat voor verschillende periodes gegevens van de luchtvaartmaatschappijen waar Berkeley Research Group al over beschikte (de gegevens waren oorspronkelijk aan Berkeley Research Group verstrekt voor een ander doel dan deze procedures). De betreffende luchtvaartmaatschappijen hebben toestemming gegeven om deze gegevens te gebruiken om een beter beeld te krijgen van eventuele achterliggende partij-gerelateerde informatie die mogelijk (deels) wel aanwezig is in de BRG Database. De luchtvaartmaatschappijen hebben bij hun analyse van de door SCC en Equilib – vaak alleen op groepsniveau – overgelegde data geprobeerd de grote hoeveelheid aangeleverde gegevens met de BRG Database te koppelen. De luchtvaartmaatschappijen hebben in het voordeel van SCC en Equilib het bestaan van bepaalde luchtvrachtvervoersdiensten erkend, voor zover de door SCC en Equilib verstrekte transactiegegevens van die luchtvrachtvervoersdiensten voldoende overeenkomen met gegevens in de BRG Database. Uit de BRG Database blijkt evenwel in de meeste gevallen niet welke shipper of consignee een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, omdat die informatie in de regel niet is opgenomen in de administratie van de luchtvaartmaatschappijen. Uit de BRG Database blijkt in ieder geval niet aan welke partij de kosten van de luchtvrachtvervoersdienst in rekening zijn gebracht, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
2.9.
Op grond van hetgeen door de luchtvaartmaatschappijen naar voren is gebracht, moet worden geoordeeld dat een ‘succesvolle match of koppeling’ van door SCC en Equilib aangeleverde data met de gegevens in de BRG Database in zijn algemeenheid niet voldoende is om aan te nemen dat een bepaalde achterliggende partij een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen (en betaald). Dit alles nog afgezien van het feit dat het – zoals uitvoerig is overwogen in dit vonnis (en de eerdere vonnissen) – aan Equilib en SCC is om hun vorderingen te onderbouwen.
2.10.
SCC stelt zich – onder verwijzing naar de ‘domeinleer’ – op het standpunt dat de luchtvaartmaatschappijen gehouden zijn om de gegevens die zijn opgenomen in de BRG Database integraal aan SCC te verstrekken. Hierin wordt SCC niet gevolgd. De informatie (data) die SCC nodig heeft om haar stellingen te onderbouwen, bevindt zich niet exclusief of bij uitstek in het domein van de luchtvaartmaatschappijen. Van de achterliggende partijen (ondernemingen) mag worden verwacht dat zij een administratie bijhouden en in staat zijn (enige) concrete gegevens te verstrekken ter onderbouwing van hun stelling dat zij luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. SCC stelt ook, onder verwijzing naar de als producties SCCA-0256 en SCCA-0257 overgelegde getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 8] van Rossum du Chattel van Omni Bridgeway (de litigation funder achter SCC) dat SCC alle data en informatie met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten van de ‘shippers’ heeft ontvangen. Onder die omstandigheden houdt de domeinleer niet in dat SCC, in dit stadium van de procedures en in het licht van de specifieke opdracht van de rechtbank, kan volstaan met de blote stelling dat elke achterliggende partij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en het vervolgens aan de luchtvaartmaatschappijen is om in hun administratie te gaan zoeken naar die luchtvrachtvervoersdiensten. Verwezen wordt naar hetgeen al is overwogen ten aanzien van de stelplicht in dit vonnis (en de eerdere vonnissen). Bovendien geldt dat de luchtvaartmaatschappijen meermaals hebben toegelicht dat in hun administratie de namen van de achterliggende partijen (de ‘shippers’) meestal niet voorkomen, omdat de meeste luchtvrachtvervoersdiensten worden afgenomen door (via) freight forwarders. De luchtvaartmaatschappijen zullen dus enige concrete aanwijzingen van de achterliggende partijen aangedragen moeten krijgen, voordat zij een koppeling met de informatie in de BRG Database kunnen maken.
Procesverloop
2.11.
De BRG Database zal – anders dan op de wijze als door de luchtvaartmaatschappijen toegelicht – geen rol spelen bij de beoordeling van hetgeen thans voorligt, zodat al hetgeen SCC en Equilib over (het gebruik van) deze database voor het overige naar voren hebben gebracht, geen bespreking behoeft.
Eisen aan de onderbouwing
2.12.
Duidelijk is dus dat SCC en Equilib voor iedere achterliggende partij moeten onderbouwen dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Een luchtvrachtvervoersdienst geldt bovendien in beginsel pas als afgenomen wanneer een (eventueel door een andere partij) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst door of voor rekening van de betreffende achterliggende partij is betaald. Als dit niet het geval is, is immers geen vermogensvermindering opgetreden en is van schade dus ook geen sprake. De rechtbank heeft op de regiezitting van 11 februari 2021 uitdrukkelijk ervoor gekozen om de opdracht tot nadere onderbouwing vooralsnog te beperken tot één luchtvrachtvervoersdienst per achterliggende partij, omdat de rechtbank zicht wenst te krijgen op het bij SCC en Equilib aanwezige ‘bewijsmateriaal’. In het proces-verbaal van de zitting wordt daarom gesproken van “een ultieme onderbouwingspoging” en “naar beste vermogen zo goed mogelijk zullen onderbouwen”. De uit de artikelen 149 en 150 Rv voortvloeiende stelplicht brengt mee dat de eisende partij alle feiten dient te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het beoogde rechtsgevolg. Dit brengt mee dat bij aanvang van de procedure (dus al bij dagvaarding) alle feitelijke elementen moeten worden aangevoerd die op basis van de wet nodig zijn voor de toewijzing van de vordering. Die feitelijke elementen moeten worden geconcretiseerd; met algemeenheden kan niet worden volstaan (zie vonnis van 11 september 2019, r.o. 4.2). SCC en Equilib mogen dit alles aantonen met alle middelen rechtens.
2.13.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen stellen, hoeven SCC en Equilib niet voor iedere cedent aan de hand van direct bronbewijs bestaande uit een air waybill of factuur te onderbouwen dat die cedent in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De rechtbank begrijpt dat de achterliggende partijen (en dus ook SCC en Equilib) niet van elke luchtvrachtvervoersdienst direct bronbewijs (meer) zullen hebben. Het kartel is jarenlang geheim gehouden en SCC en Equilib hebben terecht opgemerkt dat de administratie van de achterliggende partijen er natuurlijk niet op was ingericht om eventuele latere claims als deze te kunnen onderbouwen. SCC en Equilib worden echter niet gevolgd in hun betoog dat de rechtbank het nu (zoals SCC het formuleert) maar moet doen met de data en informatie die zo’n vijftien tot twintig jaar na dato nog beschikbaar zijn. SCC en Equilib hadden immers, zoals hiervoor is overwogen, van aanvang af hun vorderingen voldoende moeten onderbouwen. De kartelperiode was van 2000 tot 2006, het Besluit en het persbericht van de Commissie waren er ‘al’ in 2010, en de eerste dagvaardingen waarmee deze procedures zijn ingeleid werden uitgebracht in 2010 (Equilib) en in 2013 (SCC). Ook toen was al sprake van enig tijdsverloop, maar geen vijftien tot twintig jaar. Dat SCC en Equilib – professionele claimvehikels – kennelijk niet (in alle gevallen) bij aanvang van de procedures voldoende specifieke onderbouwende gegevens en documenten hebben opgevraagd bij de achterliggende partijen en aldus hebben veiliggesteld, moet voor hun risico komen. Dit alles betekent dat de onderbouwing – ook als geen direct bronbewijs beschikbaar is – dus wel voldoende concreet moet zijn. Op dit moment – in dit stadium van de procedures en in het licht van de beperkte opdracht van de rechtbank – kunnen SCC en Equilib niet meer volstaan met blote stellingen. De eisen die de rechtbank stelt zijn in lijn met het toepasselijke Nederlandse (proces)recht en daarmee komen naar het oordeel van de rechtbank het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in de Kartelschaderichtlijn niet in het geding.
2.14.
Uit het voorgaande volgt dat de enkele stelling (al dan niet verwoord in een van de achterliggende partij afkomstige e-mail of brief) dat een achterliggende partij vanzelfsprekend luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen gezien de aard van de business, onvoldoende zal zijn, ook als dat wordt verklaard door een bestuurder of andere hooggeplaatste medewerker van deze achterliggende partij. In dit stadium mag worden verwacht dat aan zo’n verklaring enige handen en voeten worden gegeven (hetgeen van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld).
2.15.
De rechtbank zal aan de hand van de onderbouwing van die ene luchtvrachtvervoersdienst in dit stadium beoordelen voor (de vorderingen van) welke achterliggende partijen de procedures zullen worden voortgezet en welke achterliggende partijen zullen moeten afvallen. Dat laatste zal in ieder geval gelden voor elke achterliggende partij waarvoor SCC en Equilib op geen enkele manier heeft geconcretiseerd dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en ook voor die cedenten waarvoor zij niet in staat zijn – bij wijze van ”ultieme poging” – dit in voldoende mate te onderbouwen. Die consequentie – het afvallen van achterliggende partijen ten aanzien waarvan met de opgedragen ultieme onderbouwingspoging nog steeds niet aan de stelplicht is voldaan – is door de rechtbank tijdens de regiezitting van 11 februari 2021 al expliciet aan partijen aangekondigd en met hen besproken. Ten aanzien van de achterliggende partijen waarvoor nu niets concreets beschikbaar is, is het niet zinvol om de procedures voort te zetten: SCC en Equilib hebben uitvoerig – na de regiezitting van 11 februari 2021 nog eens zeven maanden – de gelegenheid gehad de vorderingen te onderbouwen met de instructie daartoe een “ultieme onderbouwingspoging” te doen en wat er nu niet is, zal er (dus) ook niet meer komen.
2.16.
Een bewijsaanbod – zoals SCC op meerdere plaatsen in haar akte van 15 september 2021 doet – volstaat hier niet. Zij heeft ruimschoots de tijd gehad om nadere onderbouwende gegevens en bescheiden te verzamelen en in het geding te brengen. Als zij haar vordering (nu nog) niet voldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
De wegwijsplicht
2.17.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het verwijzen naar documenten/data zonder aan te wijzen om welke (passages in die) documenten/welke data het precies gaat, ook niet voldoende is (ook niet als dit gebeurt in ‘witness statements’).
3De achterliggende partijen aan de zijde van SCC
Siemens-groep (achterliggende partijen 01.01 en volgende)
3.1.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- getuigenverklaringen van [naam 1] , Principal Legal Counsel, en [naam 2] , Commodity Manager for Airfright (productie SCCA-0270);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0271);
- een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten en transacties (productie SCCA-0272);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0273);
- e-mails van [naam 3] (producties SCCA-0274 en SCCA-0276);
- verschillende AWB’s (producties SCCA-0277, SCCA-0278 en SCCA-0286).
In de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] staat:
“We refer to the data and information in respect of the airfreight services procured by the Siemens Shippers as submitted by SCC in the proceedings that is attached to this witness statement (
Attachment B
). This data and information has been provided by or on behalf of the Siemens group to SCC or has been derived from data and information provided by or on behalf of the Siemens group to SCC.
Procesverloop
All the airfreight services included therein have been allocated to the Siemens Shippers.”
In het e-mailbericht van [naam 3] van 11 november 2015 staat:
“(…) please find attached available datas from Shanghai for shipments of SSLS starting 2005 up end of to 2010. (…)
All shipments are to SHA
No flightnrs available. Only the arrival date at SHA”.
3.2.
SCC heeft – zo stelt zij – met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 715.495 individuele vluchten en transacties van de achterliggende partijen in het geding gebracht, waarvan een overzicht als productie SCCA-0272 is overgelegd. Uit dat overzicht blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 488.430 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders, waaronder Siemens Energy, Inc. (01.482 vluchten). Ten aanzien van die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht veelal door welke verzender de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen, de code van de luchtvaartmaatschappij, de master air waybill (MAWB) en de house air waybill (HAWB), de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, de datum, het gross weight en het chargeable weight, de naam van de freight forwarder en het nummer van de factuur. De data en informatie zijn afkomstig van een intern systeem van Siemens, waarin gedurende de relevante periode de details van individuele vluchten en transacties zijn opgeslagen op basis van data en informatie in rapportages die Siemens van haar logistieke dienstverleners heeft ontvangen. SCC heeft verder verwezen naar de overgelegde AWB’s, de (getuigen)verklaringen van [naam 1] en [naam 2] van Siemens en van [naam 4] van Omni Bridgeway, alsmede naar de e-mails van [naam 3] .
3.3.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde map AWB’s meer dan 6.000 ongesorteerde bestanden bevat en dat daarvan slechts 2.702 worden geduid in het door SCC verstrekte overzicht als luchtvrachtvervoersdiensten die door Siemens cedenten zouden zijn afgenomen. In dat overzicht worden bovendien alleen Siemens AG en Siemens Energy, Inc. als achterliggende partijen genoemd. De luchtvrachtvervoersdiensten die Siemens Energy, Inc. zou hebben afgenomen dateren van november 2008 en later, zodat zij buiten de relevante periode vallen. SCC heeft verder de relevantie van voornoemde map niet nader toegelicht. De Excel-bestanden zijn onvoldoende als onderbouwing, tenzij onderliggende data zijn overgelegd. Bovendien bevat het overzicht veel luchtvrachtvervoersdiensten met als eindbestemming een luchthaven in de Verenigde Staten en vallen deze mogelijk onder een collectieve schikking. Verder kan aan de hand van de verstrekte e-mails en verklaringen niet worden vastgesteld dat de achterliggende partijen in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen, omdat de daarin ingenomen stellingen onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn en zonder nadere onderbouwing onvoldoende. Ten aanzien van 27 achterliggende partijen heeft SCC bovendien in het geheel geen stellingen ingenomen, en deze moeten dan ook reeds daarom afvallen, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.4.
Partijen zijn het erover eens dat Siemens AG (01.01) en Siemens S.A. (01.403) mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor elk van deze partijen met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.5.
Geoordeeld wordt dat de overige achterliggende partijen moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke Siemens-vennootschap(pen). In aanvulling daarop hebben de luchtvaartmaatschappijen (die kennelijk wel de door SCC in het geding gebrachte bescheiden hebben bestudeerd) terecht erop gewezen dat de luchtvrachtvervoersdiensten die Siemens Energy, Inc. blijkens de door SCC overgelegde documenten heeft afgenomen onweersproken buiten de relevante periode vallen. De enkele omstandigheid dat Siemens Energy, Inc. vóór de relevante periode is opgericht en er ‘dus’ geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat zij pas in 2008 ‘ineens’ is begonnen met het afnemen van luchtvrachtvervoersdiensten, zoals SCC heeft aangevoerd, is in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat deze vennootschap in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Het voorgaande leidt ertoe dat afvallen:
- AS AUDIO‐SERVICE GmbH (01.05);
- Sivantos GmbH (01.46);
- Siemens Healthcare Diagnostics Products GmbH (01.66);
- Trench Germany GmbH (01.120);
- Siemens S.A./N.V. (01.145);
- Siemens Wind Power A/S (01.154);
- Siemens A.E. (01.175);
- Electrium Sales Limited (01.178);
- Siemens Healthcare Diagnostics Ltd. (01.194);
- Siemens Industrial Turbomachinery Ltd. (01.199);
- Siemens plc (01.204);
- Siemens Concentrated Solar Power Ltd. (01.227);
- Siemens Ltd. (01.229);
- Siemens S.p.A. (01.239);
- Ethosenergy Italia S.p.A. (01.242);
- Siemens Electrical & Electronic Services K.S.C.C. (01.250);
- Siemens Nederland N.V. (01.271);
- Siemens Ltd. (01.273);
- Siemens AS (01.274);
- Siemens Aktiengesellschaft Österreich (01.287);
- Siemens Metals Technologies Vermogenverwaltungs GmbH (01.297);
- Siemens Pakistan Engineering Co. Ltd. (01.302);
- Siemens S.A. (01.310);
- OOO Siemens (01.320);
- Siemens AB (01.335);
- Siemens Industrial Turbomachinery AB (01.338);
- Sivantos AG (01.342);
- Siemens Schweiz AG (01.348);
- Siemens (Proprietary) Limited (01.375);
- Siemens Sanayi ve Ticaret A.S. (01.391);
- SD (Middle East) LLC (01.397);
- Siemens LLC (01.398);
- Siemens Electroeletronica Limitada (01.410);
- Siemens Ltda. (01.413);
- Siemens S.A. (01.419);
- Siemens S.A. (01.421);
- Siemens S.A. (01.423);
- Siemens S.A. (01.424);
- Siemens S.A. (01.426);
- Siemens Healthcare Diagnostics Manufacturing Limited (01.428);
- Siemens Canada Ltd. (01.430);
- Siemens S.A. (01.441);
- Siemens Innovaciones S.A. de C.V. (01.450);
- Siemens, S.A. de C.V. (01.452);
- Siemens Demag Delaval Turbomachinery, Inc. (01.480);
- Siemens Energy, Inc. (01.482);
- Siemens Medical Solutions USA, Inc. (01.491);
- Siemens S.A. (01.507);
- Siemens Ltd. (01.523);
- Beijing Siemens Cerberus Electronics Ltd. (01.530);
- Siemens Electrical Drives (Shanghai) Ltd. (01.542);
- Siemens Electrical Drives Ltd. (01.543);
- Siemens High Voltage Circuit Breaker Co., Ltd. (01.550);
- Siemens International Trading Ltd. (01.556);
- Siemens Ltd. (01.558);
- Siemens Numerical Control Ltd. (01.563);
- Siemens Shenzhen Magnetic Resonance Ltd. (01.572);
- Siemens Switchgear Co. Ltd. (01.577);
- Siemens Ltd. (01.599);
- Siemens Ltd. (01.608);
- P.T. Siemens Indonesia (01.613);
- Siemens Japan K.K. (01.623);
- Siemens Ltd. Seoul (01.627);
- Siemens Malaysia Sdn. Bhd.
Procesverloop
(01.631);
- Siemens (N.Z.) Limited (01.635);
- Siemens Power Operations Inc. (01.637);
- Siemens, Inc. (01.638);
- Sivantos Pte. Ltd. (01.642);
- Siemens Pte. Ltd. (01.644);
- Siemens Ltd. (01.648);
- Siemens Limited (01.649);
- Siemens Ltd.Ho Chi Minh City (01.653);
- Dresser-Rand Group Inc. (01.885);
- Industrial Turbine Company (UK) Limited (01.904).
Microelectronics International N.V. (achterliggende partij 02.01)
3.6.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0287);
- een overzicht van luchtvrachttransacties (productie SCCA-0288);
- twee Excel-bestanden en meer geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0289);
- twee facturen (producties SCCA-0290 en SCCA-0291);
- een uittreksel uit het handelsregister (productie SCCA-0715);
- een akte van afsplitsing (SCCA-0716) en het daarbij behorende splitsingsvoorstel (productie SCCA-0717).
3.7.
SCC stelt dat STMicroelectronics International N.V. op 30 december 2011 is ontstaan als een afsplitsing van STMicroelectronics N.V. en dat met die afsplitsing de vorderingen met betrekking tot het kartel zijn overgegaan op STMicroelectronics International N.V. SCC verwijst daarbij met name naar het overgelegde splitsingsvoorstel, waarin onder meer staat dat
“In het kader van de Splitsing (…) uitsluitend de volgende activa overgaan op de Verkrijgende Vennootschap:
(…)
d. alle rechten van de Splitsende Vennootschap uit de onder (…) 3 (…) opgenomen activa, passiva en rechtsverhoudingen, inclusief uitstaande vorderingen (accounts receivable);
(…)”,
tot welke rechtsverhoudingen onder meer behoren:
“alle sourcing en purchasing overeenkomsten met leveranciers, alle overeenkomsten met betrekking tot de European Hub in Saint-Genis, Frankrijk, inclusief alle vracht- en transportovereenkomsten” en “logistieke overeenkomsten”.
Na de afsplitsing is STMicroelectronics N.V. slechts een holdingmaatschappij, zoals blijkt uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister en de jaarrekening van het STM concern. Verder blijkt uit de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) en het overzicht van de betreffende vluchten en transacties dat het concern STM in ieder geval 30.346 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Bovendien blijkt uit de overgelegde facturen dat STMicroelectronics International N.V. in de relevante periode bij verschillende freight forwarders luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, welke facturen de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de plaats van vertrek, de plaats van aankomst, het gewicht en de naam van de freight forwarders bevatten, aldus steeds SCC.
3.8.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC niet verduidelijkt op welke grond die overgang van vorderingen met betrekking tot het kartel zou hebben plaatsgevonden. Uit onderdeel D van het splitsingsvoorstel volgt dat alle vermogensbestanddelen die niet “uitdrukkelijk” in bijlage III bij het voorstel zijn opgenomen, in het vermogen van STMicroelectronics N.V. zijn achtergebleven en dus niet op STMicroelectronics International N.V. zijn overgegaan. Verder stelt noch onderbouwt SCC dat de in bijlage III genoemde rechtsverhoudingen tussen STMicroelectronics N.V. en de luchtvaartmaatschappijen bestonden. Dit is ook niet aannemelijk, omdat de luchtvrachtvervoersdiensten doorgaans werden afgenomen van freight forwarders en niet direct van luchtvaartmaatschappijen. Ook over het bestaan van dergelijke rechtsverhoudingen in de relatie tussen STMicroelectronics N.V. en freight forwarders heeft SCC niets gesteld en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Daarnaast geldt dat vorderingen uit onrechtmatige daad niet kwalificeren als rechten uit de vracht- en transportovereenkomsten, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.9.
In het tussenvonnis van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank beslist dat uit het concern STMicroelectronics slechts de vorderingen van de vennootschap STMicroelectronics International N.V. onderdeel zijn van deze procedures. Ook STMicroelectronics International B.V. moet echter afvallen in het vervolg van deze procedures. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Bovendien geldt hier dat SCC – in het licht van het verweer van de luchtvaartmaatschappijen – onvoldoende heeft toegelicht dat eventuele vorderingen uit hoofde van het kartel zijn overgegaan op STMicroelectronics International N.V. (en niet in het vermogen van STMicroelectronics N.V. zijn achtergebleven). Uit de aangehaalde passages kan dit niet met zekerheid worden afgeleid.
Sony Ericsson (achterliggende partijen 03.01 en 3.02)
3.10.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0294);
- een Excel-bestand met gegevens over luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0295);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0296);
- e-mails van [naam 5] , destijds Corporate Vice President & General Counsel, [naam 7] , destijds Director, General Counsel (productie SCCA-0292), en [naam 6] , destijds werkzaam bij Sony Mobile Communications AB (achterliggende partij 03.01) (productie SCCA-0293); in de e-mails van [naam 5] en [naam 7] staat onder meer:
“Please correct me if I am wrong but I believe that the Swedish holding company was the purchaser of all air freight services.
(…)
Yes that is my understanding. Sony Ericsson Mobile Communications AB (SEAB) is the company that has purchased the services. I can look into if there might be any other SE companies that might have purchased due to the company set up at that time but the volumes are with SEAB.”;
in een e-mail van [naam 6] staat:
“(…)
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has been the purchaser of all goods/products from the factories (…).
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB ha[s] paid for the transportation from the factories but not been the direct purchaser of transportation.
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has then sold the products to its group companies (…).
Sony (Ericsson) Mobile Communications AB has not passed on the costs for transportation to the group companies when selling on the products.
(…).”;
- een PowerPoint bestand van [naam 6] (productie SCCA-0297);
- een getuigenverklaring van [naam 6] (productie SCCA-0705), waarin zij bevestigt dat Sony (Ericsson) Mobile Communications AB en Beijing SE Potevio Mobile Communications Company Ltd (achterliggende partij 3.02): “During the period 2001-2007 (…) procured and/or paid for airfreight services”.
3.11.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 439.009 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht en dat uit het overgelegde Excel-bestand blijkt dat “de Sony Ericsson Shippers” in ieder geval 344.914 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking.
Procesverloop
In haar PowerPointpresentatie geeft [naam 6] inzicht in de achtergrond van de luchtvrachtvervoersdiensten die Sony Ericsson Mobile Communications AB in de relevante periode heeft afgenomen, waarbij zij verwijst naar twee Excelbestanden: (i) één waarin “all data combined- freight invoices + sales orders -ODC” zijn opgenomen en (ii) een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten, zoals die in de periode 2002-2007 op de relevante grootboekrekening in de administratie van Sony Ericsson Mobile Communications AB zijn geboekt onder vermelding van, onder andere, de naam van de betreffende freight forwarder. Uit de kolom “Company Code” blijkt dat de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen door Sony Ericsson Mobile Communications AB. Uit de getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 8] van Omni Bridgeway blijkt dat SCC alle data en informatie met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten van de “Shippers binnen de groep Sony Ericsson” zijn ontvangen, aldus steeds SCC.
3.12.
De luchtvaartmaatschappijen zetten hier tegenover dat SCC geen stukken – zoals AWB’s of facturen – heeft overgelegd en dat zij geen verdere beoordeling hebben gedaan (laten doen) van de door SCC in het geding gebrachte transactiegegevens.
3.13.
Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partijen – Sony (Ericsson) Mobile Communications AB en Beijing SE Potevio Mobile Communications Company Ltd – moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke Sony-vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de door [naam 6] opgestelde Excel-overzichten moeten toch ergens op zijn gebaseerd.
Infineon groep (achterliggende partijen 04.01 tot en met 04.11)
3.14.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0298);
- overzicht vluchten en transacties (productie SCCA-0299);
- onderliggende data en informatie (productie SCCA-0300);
- een begeleidend memorandum van freight forwarder DB Schenker (productie SCCA-0301);
- een getuigenverklaring van [naam 9] (productie SCCA-0302);
- verschillende facturen, AWB’s en betalingsverzoeken (producties SCCA-0303 tot en met SCCA-0319).
3.15.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 91.642 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0299) blijkt dat de Infineon groep in ieder geval 89.320 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. De overgelegde bestanden betreffen per jaar een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2006 via freight forwarders, zoals ook volgt uit de verklaring van [naam 9] . Waar beschikbaar bevatten de overgelegde overzichten ten aanzien van al die vluchten en transacties ook de code en de naam van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, het chargeable weight, het actual weight, de datum van de factuur, het nummer van de vlucht, het nummer van de factuur en het nummer van de AWB, aldus steeds SCC.
3.16.
De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van Infineon Technologies China Co. Ltd (04.05) aan dat onduidelijk is of de overgelegde AWB’s en facturen zien op een luchtvrachtvervoersdienst, omdat het AWB-nummer niet uit elf cijfers bestaat. Bovendien ontbreken data, gewicht en soms ook routes op die AWB’s. Voorts verwijst de route SHA-MHN (productie SCCA-0313) niet naar Shanghai-Duitsland, maar naar Shanghai-Mullen (USA). De door SCC overgelegde documenten zijn dan ook onvoldoende. Verder heeft SCC nagelaten ten aanzien van een aantal individuele achterliggende partijen stellingen in te nemen, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
3.17.
Partijen zijn het erover eens dat Infineon Technologies AG (04.01), Infineon Technologies Asia Pacific Pte Ltd (04.02), Infineon Technologies Wuxi) Co., Ltd (04.03), Infeon Technologies (Xi’an) Co., Ltd (04.04), Infineon Technologies Center of Competence (Shanghai) Co., Ltd (04.06), Infineon Technologies Austria AG (04.10) en Infineon Technologies Dresden GmbH (04.11) mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot elk van deze achterliggende partijen voor ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.18.
SCC heeft tegenover het verweer van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van Infineon Technologies China Co. Ltd (04.05) nader gewezen op de verwijzing “Shipment Air Waybill” op pagina’s 3 en 4 in producties SCCA-0313, SCCA-0314 en SCCA-0315. Verder heeft SCC toegelicht dat de code MHN op de als productie SCCA-0313 overgelegde AWB een oude code voor het vliegveld van Mannheim is en dat het bezorgadres op die AWB in Ludwigshafen am Rhein 15 kilometer van Mannheim is gelegen. De rechtbank is van oordeel dat uit de combinatie van de overgelegde documenten en de toelichting van SCC voldoende volgt dat Infineon Technologies China Co. Ltd in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, zodat ook deze achterliggende partij ook mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
3.19.
Infineon Integrated Circuit (Beijing) Co., Ltd (04.05), Infineon Technologies (Kulim) Sdn. Bhd. (04.08) en Infineon Technologies (Malaysia) Sdn. Bhd. (04-09) moeten echter afvallen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor het toetsingskader is overwogen. SCC heeft geen concrete stellingen ingenomen ten aanzien van deze achterliggende partijen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn.
Eli Lilly groep (achterliggende partijen 05.01 tot en met 05.05)
3.20.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 10] , Procurement Consultant-Logistics (productie SCCA-0320);
- e-mails van [naam 11] , Senior Legal Associate (producties SCCA 0321, SCCA-0322 en SCCA-0323); in een van deze e-mails staat onder meer:
“Affilliates concerned are from Spain, Italy, France, Germany, UK and Ireland” en in een andere dat de tabel in de daarbij gevoegde bijlage “the invoiced entities on Lilly’s side” bevat;
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0324);
- diverse Excel-bestanden met gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0325 en SCCA-0326);
- een aantal facturen (producties SCCA-0327 tot en met SCCA-0332).
3.21.
Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC – zo stelt zij – data en informatie met betrekking tot in ieder geval 46.450 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 46.450 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode.
Procesverloop
Dat overzicht bevat ten aanzien van al die vluchten en transacties de bookdate en het chargeable weight, in vrijwel alle gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij en het MAWB-nummer, alsmede de plaats van vertrek en het land van aankomst (in veel gevallen ook de plaats van vertrek en aankomst). Verder stelt SCC ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. (05.04) dat uit de overgelegde factuur van een freight forwarder blijkt dat een luchtvrachtvervoersdienst (“nolo aered”) en toeslagen (“sovrattassa sicurezza” en “fuel surcharge”) bij deze achterliggende partij in rekening zijn gebracht.
3.22.
De luchtvaartmaatschappijen voeren het volgende aan. Nog afgezien van het feit dat in de overgelegde Excel-bestanden geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en het daarom niet duidelijk is voor welke achterliggende partij deze gegevens mogelijk relevant zijn, is voor Lilly SA, Lilly France SAS en Eli Lilly and Co. Ltd. buiten deze Excel-bestanden geen nadere onderbouwing verstrekt. Die Excel-bestanden zijn in elk geval op zichzelf onvoldoende. Verder volgt uit de getuigenverklaring van [naam 10] en de e-mails van [naam 11] slechts dat voor de achterliggende partijen wordt gesteld dat zij gebruik hebben gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en dat zij daarvoor hebben betaald, maar dergelijke algemene stellingen zijn onvoldoende concreet en verifieerbaar en zonder nadere onderbouwing onvoldoende.
Ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. voeren de luchtvaartmaatschappijen verder aan dat de overgelegde factuur weliswaar ziet op luchtvrachtkosten, maar dat die factuur geen transactie- of vlucht-specifieke gegevens bevat. SCC wijst bovendien alleen op een factuurnummer en een datum en niet op transactiegegevens die verifieerbaar zijn. Die factuur is dus onvoldoende, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
3.23.
Partijen zijn het erover eens dat Lilly Pharma Fertigung und Distribution GmbH & Co. KG (05.03) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.24.
Geoordeeld wordt dat de overige achterliggende partijen- Lilly SA (05.01), Lilly France SAS (05.02), Eli Lilly Italia S.p.A. (05.04) en Eli Lilly and Co.Ltd. (05.05) moeten afvallen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft geen concrete stellingen ingenomen ten aanzien van deze achterliggende partijen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data relevant zijn. Ten aanzien van Eli Lilly Italia S.p.A. wordt in aanvulling hierop nog overwogen dat hetgeen SCC heeft ingebracht in dit stadium van de procedure (in het licht van de opdracht van de rechtbank, de “ultieme onderbouwingspoging”) onvoldoende is.
[naam 12] AS (achterliggende partij 06.01)
3.25.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0333);
- overzicht vluchten en transacties (productie SCCA-0334);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0335 en SCCA-0337);
- een getuigenverklaring van [naam 12] , (voormalig CEO) (productie SCCA-0336);
- een drietal facturen (producties SCCA-0338 tot en met SCCA-0340).
3.26.
Partijen zijn het erover eens dat [naam 12] AS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Fairchild groep (achterliggende partijen 07.01 en 07.02)
3.27.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0342);
- een Excel-bestand met gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0343);
- verschillende databestanden (productie SCCA-0344);
- e-mails van [naam 13] , destijds werkzaam binnen het concern Fairchild (producties SCCA-0341 en SCCA-0345);
in één van die e-mails staat:
“Here is the data we have (we have a small part of 2003) as well as 2004, 05 and 06. Will send over to you data for 2007, 08 & 09 once we have it completed.”
3.28.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 1.032.514 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde Excel-bestand blijkt dat de achterliggende partijen in ieder geval 163.286 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. De overgelegde bestanden betreffen per jaar overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die via de freight forwarder Trendset zijn afgenomen, althans via Trendset in rekening zijn gebracht. De overzichten zijn rechtstreeks afkomstig uit het systeem van Trendset. Ten aanzien van al die vluchten en transacties bevat het overzicht in ieder geval het land van vertrek, het land van aankomst, de datum van de vlucht, het actual weight en het nummer van de factuur. Als in die overzichten alleen al wordt gekeken naar de kolommen ‘SHIPPER_NAME’ en ‘CONSIGNEE_NAME’, dan blijkt dat beide achterliggende partijen in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, althans daarvoor hebben betaald. Uit een
e-mail van [naam 13] (productie SCCA-0341) volgt dat de luchtvrachtvervoersdiensten in principe door Fairchild Semiconductor Ltd. (achterliggende partij 07.02) zijn afgenomen en betaald, maar dat ook luchtvrachtvervoersdiensten bij in rekening zijn gebracht:
“(…) In relation to the claim within the EU, if you need to know the entity listed on the AWB it wil be be Fairchild Semiconductor Ltd.(…)
Fairchild Semiconductor Corporation [volgens SCC: Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01] is our parent company but will not show on our AWB Etc although the freight will have been billed to the Corporation in some instances.”,
aldus steeds SCC.
3.29.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC alleen voor de groep Fairchild stellingen heeft ingenomen en niet op het niveau van de individuele cedenten, dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de Excel-bestanden (welke bovendien geen van alle AWB-nummers vermelden) op zichzelf onvoldoende zijn. Verder lijkt uit de door SCC aangehaalde e-mail van [naam 13] te volgen dat alleen Fairchild Semiconductor Ltd. (07.02) als relevante entiteit op enige AWB zou zijn vermeld.
Onduidelijk welke vennootschap wordt bedoeld met ‘Fairchild Semiconductor Corporation’; Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01) of een andere partij. Volgens SCC is dit Fairchild Semiconductor International, Inc. (achterliggende partij 07.01), maar dat lijkt slechts haar eigen interpretatie. In ieder geval blijkt uit de verklaring dat deze achterliggende partij niet op enige AWB vermeld is. Dit valt niet te controleren, want er zijn geen AWB’s overgelegd, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.30.
Geoordeeld wordt dat Fairchild Semiconductor International, Inc.
Procesverloop
en Fairchild Semiconductor Ltd moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke Fairchild-vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – ook hier weer onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en ook [naam 13] schrijft dat hij allerlei data heeft aangeleverd.
C&A Buying GmbH & Co.KG (achterliggende partij 08.01)
3.31.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0348);
- een getuigenverklaring van [naam 14] , Legal Counsel (productie SCCA-0346);
- een getuigenverklaring van [naam 15] , werkzaam bij C&A Services GmbH & Co. OHG (producties SCCA-0347);
- twee Letters of Understanding die RSC Commercial Services OHG namens dan wel ten behoeve van C&A Buying GmbH & Co. KG met Lufthansa Cargo heeft gesloten (productie SCCA-0349);
- een geaggregeerd overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0350);
- een Excel-bestand dat aan dit overzicht ten grondslag ligt (productie SCCA-0351);
- een viertal facturen met bijbehorende AWB’s (producties SCCA-0352 t/m SCCA-0355).
3.32.
Partijen zijn het erover eens dat C&A Buying GmbH & Co.KG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
bioMérieux S.A.(achterliggende partij 09.01)
3.33.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0356);
- een getuigenverklaring van [naam 16] , VP International Logistics en een kopie van zijn identiteitskaart (producties SCCA-0357A en SCCA-0357F);
- een aanpassing van de raamovereenkomst met freight forwarder Schenker S.A. (productie SCCA-0357B);
- een raamovereenkomst met freight forwarder Geodis Overseas (productie SCCA-0357C);
- maandelijkse rapportages van Schenker en Geodis (producties SCCA-0357D en SCCA-0357E);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0358);
- onderliggende data en informatie bij dat overzicht (productie SCCA-0359);
- een e-mail van [naam 17] (productie SCCA-0360).
3.34.
SCC stelt dat uit de overgelegde raamovereenkomsten blijkt dat bioMérieux S.A. in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en dat die diensten maandelijks bij haar in rekening zijn gebracht. Dit blijkt volgens SCC ook uit de overgelegde getuigenverklaring van [naam 16] en de e-mail van [naam 17] . De freight forwarders Schenker en Geodis stuurden bioMérieux S.A. maandelijks een Excel-bestand met daarin een overzicht en details van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0357D en SCCA-0357E). Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot in ieder geval 12.126 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0358) blijkt dat bioMérieux S.A. in ieder geval 7.208 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. De data en informatie in productie SCCA-0358 is afkomstig uit de als productie SCCA-0359 overgelegde bestanden. Op twee na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de bookdate en het chargeable of actual weight alsmede in veel gevallen het MAWB, aldus steeds SCC.
3.35.
De luchtvaartmaatschappijen bevestigen dat transactiegegevens zijn verstrekt die zien op luchtvrachtvervoersdiensten. SCC heeft echter geen stukken overgelegd die voldoende bevestigen dat bioMérieux S.A. zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. De overgelegde Excel-bestanden en het overzicht zijn onvoldoende om aan te tonen dat bioMérieux S.A. in de relevante periode zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen achterliggende partij is) tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. [naam 17] verwijst in zijn e-mail alleen naar een bijlage (“Geodis 2005. See attached file”) en dat is onvoldoende concreet en verifieerbaar zonder nadere onderbouwing. Verder verklaart [naam 16] slechts in algemene termen dat bioMérieux S.A.“to the best of my knowledge” luchtvrachtvervoersdiensten van Geodis en Schenker heeft afgenomen in de periode 1999-2007 en daarvoor heeft betaald. Bovendien is hij pas sinds 2009 bij bioMérieux werkzaam. Ook de bijlagen bij die verklaring bevatten onvoldoende gegevens, in ieder geval geen route en geen naam van een achterliggende partij, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.36.
De rechtbank is van oordeel dat bioMérieux S.A. moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht (waaronder de Excel-bestanden met daarin een overzicht en details van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten die de freight forwarders Schenker en Geodis maandelijks stuurden aan bioMérieux S.A.), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door bioMérieux S.A. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0358) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties (op twee na) in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de bookdate en het chargeable of actual weight, alsmede in veel gevallen het MAWB bevat.
Procesverloop
Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen onder meer door het horen van medewerkers van het concern bioMérieux die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Mallinckrodt, LLC (achterliggende partij 10.01) en Covidien AG (achterliggende partij 15.01)
3.37.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0390);
- een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0391);
- drie Excel-bestanden (productie SCCA-0392).
3.38.
SCC stelt dat de data en informatie die met betrekking tot Covidien AG is overgelegd, mede de vluchten en transacties van Mallinckrodt, LLC bevat. Zoals ook uit de verklaring van [naam 4] van Omni Bridgeway blijkt, maakte Mallinckrodt, LLC tijdens de kartelperiode deel uit van Covidien AG en is zij in 2013 daarvan afgesplitst. Verder verwijst SCC naar de e-mail die als bijlage aan de verklaring van [naam 4] is gehecht, waarin staat:
“1) There are several sites that were dedicated Mallinckrodt material. Fact remains that Covag (Covedien, rb) paid for these shipments in those years of the claim (2000-2010). So Covag will be the beneficiary of the refunds out of this cartel Claim. (…)
2) The Freight is bought by COVAG, which is our legal entity in Switzerland. This is the entity where the invoice is made out to. All funds are paid to the carriers (via Interlog Services) by that entity in CH. So Freight is not paid by the local distribution centers.”
Daaruit volgt dat de luchtvrachtvervoersdiensten binnen het concern van Covidien centraal werden afgenomen via Interleg Services en bij Covidien AG in rekening werden gebracht.
Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot in ieder geval 212.794 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Covidien AG in ieder geval 84.779 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode en daarin staat de ship date en de naam van de freight forwarder alsmede in vrijwel alle gevallen ook de gevlogen route, aldus SCC.
3.39.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen transactiegegevens zijn verstrekt die verifieerbaar zijn, dat de Excel-bestanden op zichzelf onvoldoende zijn en dat daaruit bovendien volgt dat Covidien AG in veel gevallen niet zelf de verzender of ontvanger van de betreffende luchtvrachtvervoersdienst was. De overgelegde e-mail, waarin Covidien AG zelf aan [naam 4] heeft meegedeeld dat alle facturen van luchtvrachtvervoersdiensten steeds aan Covidien AG werden toegestuurd, is eveneens onvoldoende. Uit die algemene opmerking blijkt geenszins dat de in de Excel-bestanden genoemde transacties daadwerkelijk door Covidien AG zijn betaald (en SCC heeft niet één factuur overgelegd die deze verklaring ondersteunt), aldus de luchtvaartmaatschappijen.
3.40.
De rechtbank is van oordeel dat Mallinckrodt, LLC en Covidien AG moeten afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke vennootschap(pen). Ten aanzien van Mallinckrodt, LLC heeft SCC in het geheel geen stellingen ingenomen. Dat SCC ten aanzien van Covidien AG geen betere onderbouwing heeft kunnen geven, verbaast de rechtbank wederom. Kennelijk zijn (althans waren er in 2015) wel (hardcopy) facturen voor Covidien AG beschikbaar. De luchtvaartmaatschappijen hebben in dit verband gewezen op een bijlage bij de verklaring van [naam 4] van Omni Bridgeway (productie SCCA-0256) waarin het volgende staat:
“4) Here I can’t help you. The only way of knowing is to check every invoice manually. The information in the file is the information stored in the system (…). All hard copies are stored in the archives in Switzerlands.”
Tod’s S.p.A. (achterliggende partij 11.01)
3.41.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0362);
- een Excelbestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0363), gebaseerd op een bestand dat onderdeel was van de data packs van Oxera (productie SCCA-0364);
- getuigenverklaring van [naam 18] , member of the Board of Directors (producties SCCA-0365);
- een aantal facturen met bijbehorende AWB’s, alsmede een aantal andere documenten ten aanzien van vluchten afgenomen via freight forwarder Savino del Bene S.p.A. (producties SCCA-0365 (Attachment B) en SCCA-0367 t/m SCCA-0369);
- een aantal facturen met bijbehorende AWB’s, alsmede een aantal andere documenten ten aanzien van vluchten afgenomen via freight forwarder Jet Air Service S.p.A. (producties SCCA-0365 (Attachment C), SCCA-0370 en SCCA-0371);
- andere facturen en AWB’s (overige voorbeelden) (producties SCCA-0366 en SCCA-0367 t/m SCCA-0371).
3.42.
Partijen zijn het erover eens dat Tod’s S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
EFP International B.V. (achterliggende partij 12.01)
3.43.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0372);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0373);
- een Excel-bestand met transactiegegevens (productie SCCA-0374);
- een getuigenverklaring van [naam 19] , managing director (productie SCCA-0375);
- een Excel-bestand met aanvullende transactiedata (productie SCCA-0276);
- zes AWB’s met bijbehorende facturen (producties SCCA-0377).
3.44.
Partijen zijn het erover eens dat EFP International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Sensata Technologies Holland B.V. (achterliggende partij 13.01)
3.45.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0378);
- een getuigenverklaring van [naam 20] (productie SCCA-0706);
- een overzicht van ontvangen zendingen (productie SCCA-0719).
3.46.
SCC stelt dat uit de verklaring van [naam 8] (productie SCCA-0257) blijkt dat Sensata Technologies Holland B.V., althans haar rechtsvoorganger Texas Instruments Holland B.V., in de periode 2000-2010 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen en dat daarvoor significante bedragen zijn betaald.
Procesverloop
Ook na gedegen onderzoek kan zij echter geen additionele data en informatie met betrekking tot haar vluchten en transacties verstrekken. Uit de verklaring van [naam 20] en de jaarrekening over 2006 van Sensata Technologies Holland B.V. blijkt dat alle relevante activa en passiva en daarmee ook de vorderingen met betrekking tot het kartel (uiteindelijk) door Sensata Technologies Holland B.V. (van haar moedervennootschap Bain Capital) zijn overgenomen. In het overgelegde overzicht zijn volgens [naam 20] alle zendingen van (de rechtsvoorganger van) Sensata Technologies Holland B.V. opgenomen waarbij veelal het land van vertrek, de ‘ModeOfTransport’ en ook het MAWB zijn vermeld. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
3.47.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen data aan de berekening van het bedrag aan afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten ten grondslag heeft gelegd. Verder zijn de verklaringen van [naam 20] en [naam 8] te algemeen en is laatstgenoemde niet werkzaam bij Sensata Technologies Holland B.V., maar bij Omni Bridgeway. Bovendien is niet te verifiëren of bij de oprichting dan wel afsplitsing van Sensata Technologies Holland B.V. vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen zijn overgegaan. Voorts is het overgelegde overzicht zonder direct bronbewijs onvoldoende, evenals een succesvolle koppeling met de BRG Database.
3.48.
De rechtbank is van oordeel dat Sensata Technologies Holland B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht (waaronder overzicht van ontvangen zendingen), maar verzuimd aan te wijzen welke passages daarin/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Sensata Technologies Holland B.V. (althans haar rechtsvoorganger).
GE Avio S.r.l. (achterliggende partij 14.01)
3.49.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0379);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0380);
- een getuigenverklaring van [naam 21] , Indirect Sourcing Buyer (productie SCCA-0382);
- een geaggregeerd overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0383);
- een aantal AWB’s en facturen (producties SCCA-0384 tot en met SCCA-0389).
3.50.
Partijen zijn het erover eens dat GE Avio S.r.l. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
PILATUS Flugzeugwerke AG (achterliggende partij 16.01)
3.51.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0393);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0394);
- een aantal databestanden (productie SCCA-0395);
- een pdf-bestand van een pakbon van de verzending van hardcopy AWB’s en facturen (productie SCCA-0397);
- een aantal AWB’s (productie SCCA-0398);
- meerdere AWB’s met bijbehorende facturen (producties SCCA-0399 tot en met SCCA-0413).
3.52.
Partijen zijn het erover eens dat PILATUS Flugzeugwerke AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (achterliggende partij 17.01)
3.53.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0414);
- een Excel-bestand met gegevens over volgens SCC door International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (hierna ook: I.F.F.) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0415), gebaseerd op een bestand (SCCA-0416) dat onderdeel is van de data packs van Oxera.
3.54.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot in ieder geval 54.612 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit de overgelegde bestanden blijkt volgens haar dat I.F.F. 50.793 luchtvrachtvervoersdiensten via verschillende freight forwarders heeft afgenomen in de periode 2000-2007, die op de relevante grootboekrekening in haar administratie als uitgaven zijn geboekt en in haar ERP-systeem zijn geregistreerd.
3.55.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen transactiegegevens zijn verstrekt die verifieerbaar zijn en evenmin stukken die bevestigen dat in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst door I.F.F. is afgenomen. De overgelegde Excel-bestanden op zich zijn volgens hen onvoldoende, zodat SCC wat betreft deze achterliggende partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
3.56.
De rechtbank is van oordeel dat International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V. (I.F.F.) moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder de Excel-bestanden met daarin een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten die zij via de freight forwarders MOL Logistics (Netherlands) B.V. en DHL zou hebben afgenomen in de relevante periode), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is/zijn afgenomen door I.F.F. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van uitgaven (productie SCCA-0416) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties waar beschikbaar de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum van de vlucht en het nummer van de vlucht bevat. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern I.F.F. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Salvatore Ferragamo Italia S.p.A.
Procesverloop
(achterliggende partij 18.01)
3.57.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0417);
- een Excel-bestand met gegevens over (uitgaven aan) Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. (hierna ook: Ferragamo) afgenomen luchtvrachtdiensten (productie SCCA-0418), ontleend aan een bestand (SCCA-0419) dat onderdeel uitmaakt van de data packs van Oxera.
3.58.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 90.680 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit de overgelegde bestanden blijkt dat Ferragamo 36.850 luchtvrachtvervoersdiensten (met Italië als land van vertrek) heeft afgenomen in de relevante periode en die bestanden betreffen overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten zoals die op de relevante grootboekrekeningen in haar administratie zijn geboekt onder vermelding van het nummer van de factuur.
3.59.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen direct bronbewijs heeft overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. Die bestanden noemen slechts totaalbedragen en een MAWB-nummer ontbreekt, zodat verificatie bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Verder ontbreken in de overgelegde Excel-bestanden vliegroutes dan wel de naam van de achterliggende partij.
3.60.
De rechtbank is van oordeel dat Salvatore Ferragamo Italia S.p.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per freight forwarder), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen door Ferragamo. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten van uitgaven (productie SCCA-0419) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval het land van aankomst, de datum, het chargeable weight en de naam van de betreffende freight forwarder bevatten. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Ferragamo die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Mattel Europa B.V. (achterliggende partij 19.01)
3.61.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0420);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0421);
- een aantal databestanden (productie SCCA-0422);
- een witness statement van [naam 22] , bestuurder van Mattel Europa B.V. (productie SCCA-0423);
- een aantal air waybills en facturen (productie SCCA-0424);
- een aantal air waybills met bijbehorende facturen en overige documenten die betrekking hebben op een aantal specifieke luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0425 tot en met SCCA-0430.
3.62.
Partijen zijn het erover eens dat Mattel Europa B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Heidelberger Druckmaschinen AG (achterliggende partij 20.01)
3.63.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0431);
- een Excel-bestand met gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0432);
- een aantal databestanden (productie SCCA-0433);
- witness statements van [naam 23] en [naam 24] , beiden Head of procurement bij Heidelberger Druckmaschinen AG (productie SCCA-0434);
- een aantal air waybills en facturen (productie SCCA-0435);
- een aantal air waybills met bijbehorende facturen en overige documenten die betrekking hebben op een aantal specifieke luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0436 tot en met SCCA-0439).
3.64.
Partijen zijn het erover eens dat Heidelberger Druckmaschinen AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Alpimex (achterliggende partij 21.01)
3.65.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0440);
- een Excel-bestand met gegevens over uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten door de (in 2008 tot Alpimex gefuseerde) bedrijven Alpimex en Heremans (productie SCCA-0441);
- een toelichtende e-mail van [naam 25] van Alpimex (productie SCCA-0442);
- een witness statement van [naam 26] , voormalig delegated administrator van Alpimex (productie SCCA-0443);
- pdf-bestanden met verzamelfacturen (productie SCCA-0444).
3.66.
Partijen zijn het erover eens dat Alpimex mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. De rechtbank vindt dat SCC ten aanzien van Alpimex niet aan haar wegwijsplicht heeft voldaan, door niet duidelijk te maken waar in de overgelegde stukken de nodige gegevens met betrekking tot (ten minste) één concrete, door Alpimex afgenomen luchtvrachtvervoersdienst te vinden zijn. Kennelijk hebben de luchtvaartmaatschappijen niettemin de moeite genomen om de door SCC overgelegde gegevens en stukken te bestuderen en zijn zij tot de conclusie gekomen dat Alpimex in ieder geval één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, zodat de stelling dat dat het geval is niet (meer) wordt betwist. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze achterliggende partij vooralsnog mee mag blijven doen in de procedure.
Procesverloop
Fashion Linq groep (achterliggende partijen 22.01 en 22.03 tot en met 22.06)
3.67.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 27] , Buying Director binnen de HVEG Fashion Group (productie SCCA-0445);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0446);
- een Excel-overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0447)
- een Excel-overzicht met geaggregeerde gegevens van luchtvrachtvervoersdiensten die van freight forwarder OTX zouden zijn afgenomen (productie SCCA-0448);
- diverse Excelbestanden met overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0409).
3.68.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.503 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht en de verklaring van [naam 27] blijkt dat de achterliggende partijen 1.503 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Op vier na bevat dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight, het actual weight en het nummer van de factuur. De overgelegde geaggregeerde gegevens betreffen per jaar een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten van de achterliggende partijen, zoals die in de periode 2002-2010 op de relevante grootboekrekeningen in de administratie zijn geboekt, aldus SCC.
3.69.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden met transactie-specifieke gegevens onvoldoende zijn omdat daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en dat verder geen nadere onderbouwing is verstrekt. Verder mist in de overgelegde Excel-bestanden vrijwel alle relevante informatie en komt daarin alleen de datum herkenbaar naar voren. De informatie die wel in de bestanden is opgenomen op de datum na is bovendien niet te duiden. Verificatie van de (geaggregeerde) gegevens in de bestanden is bij gebrek aan onderliggende documentatie dan ook niet mogelijk. Voorts is de verklaring van [naam 27] dat “productie SCCA-0448 een weergave is van de luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen via een freight forwarder heeft afgenomen” onvoldoende concreet en verifieerbaar zonder nadere onderbouwing en wordt slechts gesteld dat de achterliggende partijen gebruik hebben gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en dat zij hebben betaald.
3.70.
De rechtbank is van oordeel dat A&Q Fashion B.V., Brams Paris B.V., Wink Accessoires B.V., Debo Eindhoven B.V. en Belt Fashion Eindhoven B.V. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke tot de Fashion Linq groep behorende vennootschap(pen). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Alleen al het feit dat SCC ter onderbouwing van haar stelling dat door ieder van deze Fashion Linq Shippers ten minste één luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen meent te kunnen volstaan met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten “die Brams Paris B.V. […], althans de Fashion Linq Shippers tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking via Freight Forwarder OTX hebben afgenomen” zonder dat overzicht nader te duiden, wijst er bovendien op dat SCC niet het vereiste onderscheid tussen de verschillende achterliggende vennootschappen binnen de Fashion Linq groep heeft gemaakt.
TSMC groep (achterliggende partijen 23.01, 23.02 en 23.03)
3.71.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0450);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0451)
- een Excel-overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de drie achterliggende vennootschappen (de TMS achterliggende partijen) in de relevante periode zouden hebben afgenomen(productie SCCA-0452);
- drie getuigenverklaringen van [naam 28] , [naam 29] en [naam 30] , werkzaam bij respectievelijk Taiwan Semiconductor Manufacturing Company Ltd., TSMC China Company Ltd. en WaferTech, LLC (producties SCCA-0453, SCCA-0454 en SCCA-0455).
3.72.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) SCC data en informatie met betrekking tot 56.512 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de TMS achterliggende partijen 42.583 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders, zoals ook blijkt uit de overgelegde getuigenverklaringen. Dat overzicht bevat de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de bookdate, het chargeable weight, het nummer van de betreffende vlucht, de naam van de freight forwarder, het nummer van de factuur en het nummer van de HAWB en veelal ook de plaats van vertrek en de plaats van aankomst, aldus SCC.
3.73.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken, zoals AWB’s of facturen, zijn overgelegd die voldoende bevestigen dat de TMS achterliggende partijen zelf in de relevante periode ieder ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. De verstrekte getuigenverklaringen met (dezelfde) aangehechte Excel-bestanden bevatten ook onvoldoende gegevens, onder meer omdat vliegroutes ontbreken.
3.74.
De rechtbank is van oordeel dat de TMS achterliggende partijen, Taiwan Semiconductor Manufacturing Company Ltd., TSMC China Company Ltd. en WaferTech, LLC, moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke TMS achterliggende partij. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. De (algemene) verwijzingen naar de drie overgelegde getuigenverklaringen maken dit gebrek aan onderbouwing door SCC niet goed, alleen al omdat dit niet wordt gedaan in het kader van een uiteenzetting over gespecificeerde luchtvrachtvervoersdiensten.
Florimex groep (achterliggende partijen Florimex B.V. 24.01 en Baardse B.V. 24.02)
3.75.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0456);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0457);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Florimex B.V. en Baardse B.V.
Procesverloop
(de Florimex achterliggende partijen) tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking zouden hebben afgenomen (productie SCCA-0458)
- twee Excel-bestanden met, respectievelijk, een overzicht van gestelde uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten door Baardse B.V. en een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Florimex B.V. zou hebben afgenomen (SCCA-0459);
- een factuur en AWB (productie SCCA-0460).
3.76.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 4.634 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de Florimex achterliggende partijen 4.634 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Dat overzicht bevat de bookdate en in veel gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB, het land van vertrek, het land van aankomst, het factuurnummer, het nummer van de purchase order en/of de naam van de freight forwarder. Met betrekking tot Florimex B.V. beschrijft SCC een specifieke luchtvrachtvervoersdienst, onder verwijzing naar de overgelegde bijbehorende AWB en factuur.
3.77.
Partijen zijn het erover eens dat Florimex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
3.78.
De luchtvaartmaatschappijen voeren ten aanzien van Baardse B.V. echter aan dat
direct bronbewijs ontbreekt en dat het overgelegde Excel-bestand onvoldoende is, omdat dit geen MAWB-nummers, relevant gewicht of aanduiding van de route bevat, waardoor verificatie van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is.
3.79.
De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat Baardse B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht (waaronder het Excel-bestand met overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten ontleend aan de grootboekrekeningen van Baardse B.V. over de relevante periode), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Baardse B.V. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het overzicht van uitgaven (productie SCCA-SCCA-0459) moet toch ergens op zijn gebaseerd. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het de Florimex Groep die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Puratos N.V. (achterliggende partij 25.01)
3.80.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0461);
- een Excel-overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0462);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Puratos N.V. in de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0463);
- een getuigenverklaring van [naam 31] , werkzaam bij Puratos N.V. (productie SCCA-0464);
- vijf pdf-bestanden (productie SCCA-0465);
- een aantal facturen van freight forwarders (productie SCCA-0466).
3.81.
Partijen zijn het erover eens dat Puratos N.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures, en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Belden Wire & Cable B.V. (achterliggende partij 26.01)
3.82.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail van [naam 32] , werkzaam bij Belden Wire & Cable B.V. (hierna: Belden) (productie SCCA-0467);
- een getuigenverklaring van [naam 33] , eveneens werkzaam bij Belden (productie SCCA-0468);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0469);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0470);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Belden in de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0471);
- een aantal facturen (productie SCCA-0472);
- een aantal MAWB’s (producties SCCA-0473 t/m 0477).
3.83.
Partijen zijn het erover eens dat Belden Wire & Cable B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures en de rechtbank volgt hen daarin. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij voor deze partij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Flowex B.V. (achterliggende partij 27.01)
3.84.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0478);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Flowex B.V. tijdens de relevante periode zou hebben afgenomen (productie SCCA-0479);
- een Excel-bestand met een overzicht van transacties (productie SCCA-0480);
- een Excel-bestanden met overzichten per jaar van luchtvrachtvervoersdiensten die Flowex B.V. tijdens de relevante periode via verschillende freight forwarders zou hebben afgenomen (productie SCCA-0481);
- een AWB (productie SCCA-0482).
3.85.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.565 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overzicht van de betreffende vluchten en transacties (productie SCCA-0479) blijkt dat Flowex B.V. 1.119 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking. Het als productie SCCA-0480 overgelegde bestand betreft een overzicht van diensten die via verschillende freight forwarders zijn afgenomen. Op tien na bevat dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight en de naam van de freight forwarder. Op de overgelegde AWB wordt onder het kopje ‘Accounting Information’ Flowex B.V. als partij genoemd die op de hoogte moet worden gesteld.
Procesverloop
Daaruit blijkt dat de luchtvrachtvervoersdienst door een freight forwarder als consignee is afgenomen voor Flowex B.V. Op de AWB is ook vermeld dat de vracht onder meer ‘gypsophila’ en ‘carnations’ bevat. Dit zijn bloemen en Flowex B.V. importeert bloemen, onder meer vanuit Ecuador, op welk land ook de AWB ziet. Bovendien is de transactie opgenomen in de overgelegde Excel-bestanden, aldus steeds SCC.
3.86.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat uit de AWB blijkt dat de transactie is afgenomen en betaald door Agritab Piganflor en niet door Flowex B.V. Bovendien staat Flowex B.V. noch als verzender (shipper) noch als ontvanger (consignee) vermeld maar slechts als ‘notify’ partij. Hieruit volgt niet dat Flowex B.V. de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en/of betaald. Voorts zijn de Excel-bestanden onvoldoende en blijkt daaruit tegenstrijdige informatie. Flowex B.V. wordt in het ene bestand als verzender aangeduid en in het andere als ontvanger, terwijl voor beide Excel-bestanden precies dezelfde transacties worden overgelegd en dezelfde kosten worden opgevoerd. Derhalve kan niet van de betrouwbaarheid van deze bestanden worden uitgegaan. Ook het enkele voorkomen van een AWB-nummer in Excel-bestanden en het bezit van een AWB maakt nog niet dat Flowex B.V. de afnemer van een luchtvrachtvervoersdienst is geweest.
3.87.
De rechtbank is van oordeel dat Flowex B.V. moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en), op de hiervoor besproken luchtvrachtvervoersdienst na die onderwerp is van de enkele overgelegde AWB. Met betrekking tot die luchtvrachtvervoersdienst heeft zij echter, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen, onvoldoende onderbouwd dat Flowex B.V. ook daadwerkelijk afnemer is geweest van de luchtvrachtvervoersdienst in kwestie. De stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat niet Flowex, maar Agritab Piganflor voor deze luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald, is niet (voldoende onderbouwd) weersproken, en SCC heeft niet duidelijk gemaakt op grond waarvan Flowex B.V. dan niettemin zou moeten worden aangemerkt als afnemer van deze luchtvrachtvervoersdienst. Het enkele feit dat zij als “notify” partij is vermeld in de AWB is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Alessi S.p.A. (achterliggende partij 28.01)
3.88.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0483);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0484);
- een overzicht van betalingen door Alessi S.p.A. per freight forwarder (productie SCCA-0485);
- sets facturen van freight forwarders (producties SCCA-0486 t/m SCCA-0490);
- 9 pdf-bestanden (producties SCCA-0491 t/m SCCA-0499).
3.89.
Partijen zijn het erover eens dat Alessi S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Max Mara groep (achterliggende partijen 29.01 tot en met 29.05)
3.90.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0500);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0501);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die IMAX S.R.L. (29.01), Manifatture del Nord S.R.L. (29.02), Marella S.R.L. (29.03), Marina Rinaldi S.R.L. (29.04) en Max Mara S.R.L. (29.05) (de Max Mara achterliggende partijen) in de relevante periode via verschillende freight forwarders zouden hebben afgenomen (productie SCCA-0502);
- getuigenverklaringen van [naam 34] , [naam 35] , [naam 36] en [naam 37] , werkzaam bij verschillende Max Mara achterliggende partijen (producties SCCA-0503 t/m SCCA-0506);
- een aantal AWB’s en facturen (productie SCCA-0507);
- 20 pdf-bestanden met betrekking tot die AWB’s en facturen (producties SCCA-0508 t/m SCCA-0525).
3.91.
Partijen zijn het erover eens dat de Max Mara achterliggende partijen, IMAX S.R.L. (29.01), Manifatture del Nord S.R.L. (29.02), Marella S.R.L. (29.03), Marina Rinaldi S.R.L. (29.04) en Max Mara S.R.L. (29.05), mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Antibioticos, S.A.U. (achterliggende partij 30.01)
3.92.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0526);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0527);
- een Excel-bestand met een overzicht van de luchtvrachtvervoersdiensten die Antibioticos, S.A.U. (hierna ook: Antibioticos) tijdens de relevante periode zou hebben afgenomen via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0528);
- een getuigenverklaring van [naam 38] , voorheen werkzaam bij Antibioticos (productie SCCA-0529);
- meerdere bestanden met overzichten van volgens SCC door Antibioticos afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten en betalingen per freight forwarder, met informatie uit het ERP-systeem van Antibioticos (productie SCCA-0530);
- een e-mail van [naam 39] , werkzaam bij Antibioticos (productie SCCA-0531);
- een aantal AWB’s en facturen (producties SCCA-0532 t/m SCCA-0537).
3.93.
Partijen zijn het erover eens dat Antibioticos, S.A.U. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Marcolin S.p.A. (achterliggende partij 31.01)
3.94.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0538);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0539);
- een Excelbestand met overzichten van volgens SCC door Marcolin S.p.A. (hierna ook: Marcolin) afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten via verschillende freight forwarders, waaronder C.T.I. (productie SCCA-0540);
- een aantal facturen (productie SCCA-0541).
3.95.
Partijen zijn het erover eens dat Marcolin S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Siae Microelettronica S.p.A.
Procesverloop
(achterliggende partij 32.01)
3.96.
SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0542);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0543);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door Siae Microelettronica S.p.A. (hierna ook: Siae) zijn afgenomen in de relevante periode
via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0544).
3.97.
SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 1.086 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Siae 415 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. Op 21 na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de plaats of het land van vertrek, de plaats of het land van aankomst, het nummer van de factuur, het chargeable weight en/of het actual weight en de naam van de freight forwarder alsmede in veel gevallen ook de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de bookdate, het nummer van de vlucht en/of het HAWB-nummer. BRG is met bevindingen gekomen ten aanzien van 724 transacties, waarvan de luchtvaartmaatschappijen het bestaan ten onrechte betwisten.
3.98.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat Siae in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn.
3.99.
De rechtbank is van oordeel dat Siae Microelettronica S.p.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door Siae. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en het als productie SCCA-0544 overgelegde overzicht van beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van Siae die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt en medewerkers van de betreffende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Bel Impex B.V. (achterliggende partij 33.01)
3.100. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0545);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0546);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Bel Impex B.V. (hierna ook: Bel Impex) volgens SCC als consignee heeft afgenomen in de relevante periode (productie SCCA-0547);
- een getuigenverklaring van [naam 40] , bestuurder van Bel Impex (productie SCCA-0548);
- een aantal AWB’s en facturen (productie SCCA-0549 t/m SCCA-0552).
3.101. Partijen zijn het erover eens dat Bel Impex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Bud Holland B.V. (achterliggende partij 34.01)
3.102. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0553);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0554);
- een Excel-bestand met details van hardcopy AWB’s van Bud Holland B.V. (hierna ook: Bud) die SCC stelt handmatig te hebben verwerkt en een Excel-bestand met overzichten van gestelde uitgaven van Bud aan luchtvrachtvervoersdiensten in de periode september 2000 – augustus 2006 (productie SCCA-0555);
- een getuigenverklaring van [naam 41] , CEO van Bud (productie SCCA-0556);
- een aantal AWB’s (productie SCCA-0557).
3.103. Partijen zijn het erover eens dat Bud Holland B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
New Wave Group AB (achterliggende partij 35.01)
3.104. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0558);
- een pdf-bestand met, volgens SCC, uitgaven van New Wave Group AB aan in de relevante periode afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0559).
3.105. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) meer geaggregeerde data en informatie met betrekking tot afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2006 in het geding heeft gebracht dan de reeds in de cessiedocumentatie verstrekte gegevens. Volgens SCC zijn de nu overgelegde data de enige relevante gegevens waarover New Wave Group AB nog beschikt en blijkt daaruit dat New Wave Group AB tijdens de kartelperiode en de periode van nawerking direct of indirect luchtvrachtvervoersdiensten waar het kartel betrekking op had heeft afgenomen.
3.106. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat het enige bestand met gegevens dat SCC heeft overgelegd door SCC zelf wordt omschreven als een overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten en slechts uit het volgende bestaat:
Dit is onvoldoende. Bovendien lijkt het overzicht uitsluitend betrekking te hebben op andere
entiteiten ("bolag" is Zweeds voor "bedrijf") dan New Wave Group AB. De
opmerking van SCC dat New Wave Group AB binnen de groep
"verantwoordelijk was voor de logistiek", is een blote stelling die zij verder niet
onderbouwt. Deze stelling brengt bovendien – ook als deze juist zou zijn – niet mee dat
New Wave Group AB als voor "de logistiek" verantwoordelijke entiteit
binnen de groep ook steeds de (voor deze procedures relevante) afnemer (dan wel betaler)
van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten zou zijn geweest.
3.107. De rechtbank is van oordeel dat New Wave Group AB moet afvallen omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Procesverloop
SCC heeft slechts een – voor meerderlei uitleg vatbaar – overzicht van beweerdelijk door New Wave Group AB gemaakte kosten van luchtvrachtvervoersdiensten in het geding gebracht naast de algemene cessiedocumentatie. Zij heeft op de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen van de gestelde betekenis van die gegevens niet meer gereageerd. Meer in het bijzonder heeft zij nagelaten om met betrekking tot ten minste één luchtvrachtvervoersdienst relevante, verifieerbare gegevens in het geding te brengen waaruit blijkt dat die dienst ook daadwerkelijk door New Wave Group AB is afgenomen. De rechtbank is het met de luchtvaartmaatschappijen eens dat uit de enkele (niet nader onderbouwde of toegelichte) stelling dat New Wave Group AB binnen haar groep van rechtspersonen verantwoordelijk was voor “de logistiek” niet noodzakelijkerwijs volgt dat zij dus ook zelf luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode.
B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem (achterliggende partij 36.01)
3.108. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0560);
- een Excel-bestand met gegevens over vluchten en transacties (productie SCCA-0561);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem zijn afgenomen in de relevante periode (productie SCCA-0562);
- een e-mail van [naam 42] , werkzaam voor B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem (productie SCCA-0563);
- verschillende Excel-bestanden (productie SCCA-0564).
3.109. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 5.312 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde blijkt dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem 5.312 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. SCC verwijst verder naar de e-mail van [naam 42] , waaruit blijkt dat de data en informatie in de overgelegde bestanden voor wat betreft de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, het chargeable weight, de bookdate en de naam van de freight forwarder afkomstig zijn uit via haar freight forwarder verkregen bestanden. Verder blijkt uit die
e-mail dat de transacties in de bestanden steeds zijn te koppelen aan de hand van het nummer van de factuur.
3.110. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en dat het overgelegde overzicht en de verschillende databestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder volgt uit de e-mail van [naam 42] dat er geen AWB’s en/of facturen beschikbaar zijn:
“Fysieke en digitale ABW’s en/of facturen kunnen we u niet aan helpen”.
3.111. De rechtbank is van oordeel dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem moet afvallen, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht (waaronder een Excel-bestand met een overzicht van beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten), maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onvoldoende en begrijpt ook niet waarom SCC zich niet lijkt te hebben ingespannen om ten minste van één beweerdelijk door deze achterliggende partij afgenomen luchtvrachtvervoersdienst de nodige concrete, verifieerbare gegevens – ook over de betaling – te achterhalen en aan de rechtbank te presenteren. Het feit dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem in algemene zin heeft laten weten niet meer over facturen en AWB’s te beschikken hoeft daaraan niet zonder meer in de weg te staan. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route en de bookdate, en op één na ook steeds het betreffende factuurnummer bevat. Op 23 na bevat het overzicht ook steeds chargeable weight en het MAWB, aldus SCC. Die gegevens moeten toch ergens vandaan komen? Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen onder meer door het horen van medewerkers van het concern Damen die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Het voorgaande geldt temeer omdat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem deel uitmaakt van een groep van rechtspersonen en SCC niet duidelijk maakt op grond waarvan ervan kan worden uitgegaan dat B.V. Scheepswerf Damen Gorinchem zelf, en niet een van haar groepsmaatschappijen, de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten zou hebben afgenomen.
Stahl Europe B.V. (achterliggende partij 37.01)
3.112. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0565);
- een Excel-bestand met gegevens over vluchten en transacties (productie SCCA-0566);
- een getuigenverklaring van [naam 43] , werkzaam bij Stahl Europe B.V. (productie SCCA-0567);
- een aantal facturen (productie SCCA-0568 t/m SCCA-0575);
- nadere informatie van Stahl Europe B.V., waaronder de eerder genoemde facturen (productie SCCA-0576).
3.113. Partijen zijn het erover eens dat Stahl Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Garletti S.N.C. Di Garletti Giovanni EC (achterliggende partij 38.01)
3.114. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 44] (productie SCCA-0577);
- een getuigenverklaring van [naam 45] (productie SCCA-0578);
- cessiedocumentatie (SCCA-0579);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0580);
- Excel-bestanden met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door Garletti S.N.C. Di Garletti Giovanni EC (hierna ook: Garletti) via verschillende freight forwarders zijn afgenomen in de relevante periode (productie SCCA-0581 en SCCA-0582);
- vier facturen (productie SCCA-0583).
3.115. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 596 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Garletti 596 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders. Dit volgt ook uit de getuigenverklaringen van [naam 44] en [naam 45] .
Procesverloop
Op zestien na bevat dat overzicht in ieder geval de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, het land van aankomst, het land van vertrek, de bookdate en de naam van de freight forwarder alsmede in vrijwel alle gevallen een interne referentie en het chargeable weight, aldus SCC.
3.116. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat SCC geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat Garletti in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende zijn. De vier facturen die zijn overgelegd en de informatie die SCC over de betreffende transacties heeft verstrekt volstaan ook niet in dit verband. Nu informatie over de gevlogen route en het gewicht ontbreekt wordt verificatie ernstig bemoeilijkt en kan ook niet worden vastgesteld of de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten zien op vluchten van, naar of binnen de EER en daarmee binnen de reikwijdte van deze procedure vallen. Ook kan niet worden geverifieerd of de betreffende binnen de reikwijdte van een of meer collectieve schikkingen vallen.
3.117. De rechtbank is, anders dan de luchtvaartmaatschappijen, van oordeel dat SCC haar vordering ten aanzien van Garletti S.N.C. Di Garletti Giovanni EC voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode. Voor dit oordeel is het volgende van belang. SCC heeft onder verwijzing naar de overgelegde facturen twee specifieke, concrete luchtvrachtvervoersdiensten beschreven en daarover nadere informatie verstrekt. Uit die informatie kan worden afgeleid dat freight forwarder Cool Control op
1 februari 2001 bij Garletti een luchtvrachtvervoersdienst in rekening heeft gebracht met MAWB nummer 2964 2926 en interne codering 100. SCC stelt dat het daarbij gaat om een vlucht van Martinair van Mexico naar Nederland en dat dit blijkt uit de op de facturen genoemde code (129, voor Martinair) en uit de interne codering, alsmede uit de via het MAWB-nummer aan deze vlucht te relateren, eveneens overgelegde factuur van Ecotimex, een in Mexico gevestigd bedrijf dat een partij groente en fruit in rekening heeft gebracht bij Garletti. Omdat Ecotimex in Mexico is gevestigd en de freight forwarder Cool Control in Nederland, gaat het hier om een vlucht van Mexico naar Nederland, maar de gevlogen route (en het gewicht) is in het kader van de door de rechtbank gegeven opdracht tot onderbouwing (nog) niet relevant: het gaat er immers (slechts) om of een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen in de relevante periode, aldus SCC.
De rechtbank constateert dat het bestaan van de luchtvrachtvervoersdienst en de authenticiteit van de overgelegde facturen als zodanig niet (voldoende onderbouwd) zijn betwist en dat het verweer van de luchtvaartmaatschappijen zich (voor nu) toespitst op het niet met zekerheid kunnen vaststellen van de gevlogen route (en het gewicht). Het is juist dat de door de rechtbank gegeven opdracht tot nadere onderbouwing nog niet specifiek zag op de gevlogen route, noch op gegevens op basis waarvan kan worden vastgesteld of de transactie in kwestie (gelet op die route) binnen het bereik van een eerder getroffen schikking valt (hoewel dit in het vervolg van de procedure uiteraard wel relevant is en alsnog bepalend kan zijn voor afwijzing van (een deel van) de vordering). Daar komt bij dat SCC wel degelijk onderbouwde en beredeneerde stellingen heeft ingenomen met betrekking tot de route van deze vlucht. Dat daarvan nog geen sluitend bewijs is geleverd – uit de plaatsen van vestiging van een leverancier van Garletti en een freight forwarder die voor een zending van die leverancier heeft gezorgd volgt immers nog niet zonder meer dat dit ook de plaats van vertrek en bestemming van de vlucht waren – maakt niet dat deze achterliggende partij in deze fase, waar het op de onderbouwing van stellingen aankomt, reeds moet afvallen.
ZAP S.p.A. (achterliggende partij 39.01)
3.118. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0548);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0585);
- een Excel-bestand met een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die ZAP S.pA. (hierna ook: ZAP) volgens SCC in de relevante heeft afgenomen via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0586);
- een aantal pdf-bestanden van facturen en daaraan gerelateerde vervoersdocumenten (producties SCCA-0587 t/m SCCA-0592).
3.119. Partijen zijn het erover eens dat ZAP S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Beghelli S.p.A. (achterliggende partij 40.01)
3.120. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0593);
- een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0594);
- twee Excel-bestanden met overzichten van luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door Beghelli S.p.A. in de relevante periode zijn afgenomen via verschillende freight forwarders (productie SCCA-0595);
- een getuigenverklaring van [naam 46] (productie SCCA-0596);
- een aantal facturen (producties SCCA-0597 t/m SCCA-0600).
3.121. Partijen zijn het erover eens dat Beghelli S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH (achterliggende partij 41.01)
3.122. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0601);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0602);
- een Excel-bestand met gegevens over luchtvrachtvervoersdiensten die volgens SCC door EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH gedurende de relevante periode via verschillende freight forwarders heeft afgenomen (productie SCCA-0603);
- verschillende facturen met bijbehorende AWB’s (producties SCCA-0604 tot en met SCCA-0607);
- een splitsings- en overnameovereenkomst (productie SCCA-0722).
3.123. SCC stelt dat EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH in 2008/2009 is ontstaan als een afsplitsing van EV Group E. Thallner GmbH (later genaamd EV Group GmbH). De relevante luchtvrachtvervoersdiensten zijn door EV Group E. Thallner GmbH afgenomen in het kader van haar operationele verkoop-, service- en marketing activiteiten. Met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) heeft SCC data en informatie met betrekking tot 892 individuele vluchten en transacties in het geding gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat (de rechtsvoorganger van) EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH 635 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen tijdens de relevante periode. Op vier na bevat dat overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de naam van de freight forwarder, de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevlogen route, de bookdate, het chargeable weight en het nummer van de factuur alsmede in vrijwel al die gevallen ook het nummer van de vlucht.
Procesverloop
3.124. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat EV Group GmbH zelf in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Uit de als productie SCCA-0604 overgelegde factuur met bijbehorende AWB kan enkel worden afgeleid dat EV Group E. Thallner GmbH de luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, maar niet dat EV Group Europe &Asia/Pacific GmbH (althans enige beweerdelijke rechtsvoorganger) die luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Er ontbreekt namelijk een onderbouwing van de stelling van SCC dat uit de splitsings- en overnameovereenkomst volgt dat de bedrijfsactiviteiten (en daarmee alle rechten en plichten) van EV Group E. Thallner GmbH, waaronder de vermeende vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen, zijn overgegaan op EV Group GmbH. Zo ontbreekt een opinie van een Oostenrijkse advocaat die de door SCC aan de splitsings- en overnameovereenkomst gegeven uitleg valideert. Ook anderszins is niet voldoende onderbouwd waarom de vordering van EV Group E. Thallner GmbH (i) onder de operationele activiteiten van de onderneming zouden vallen die zouden zijn overgedragen, dan wel (ii) niet onder de in artikel 11.2 opgesomde vorderingen valt die zijn uitgezonderd van overdracht. Niet zonder meer is dus duidelijk dat een vordering uit onrechtmatige daad als vermogensonderdeel kwalificeert dat op EV Group GmbH is overgegaan, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
3.125. De rechtbank is van oordeel dat EV Group Europe & Asia/Pacific GmbH moet afvallen in het vervolg van deze procedures. De luchtvaartmaatschappijen hebben voldoende toegelicht dat niet duidelijk is dat een vordering uit onrechtmatige daad uit hoofde van het onderhavige kartel is overgegaan op EV Group GmbH. In het licht van die gemotiveerde betwisting en op grond van hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen had van SCC mogen worden verwacht dat zij haar stellingen met betrekking tot het rechtsopvolgerschap van EV Group Europe & Asia/Pacific van een nadere onderbouwing had voorzien. Nu zij dat heeft nagelaten, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat (een rechtsvoorganger van) deze achterliggende partij schade heeft geleden als gevolg van het kartel.
Perishable Management Company V.O.F. (achterliggende partij 42.01)
3.126. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0608);
- een overzicht met vluchten en transacties (productie SCCA-0609)
- onderliggende data en informatie bij dit overzicht (productie SCCA-0610)
- aanvullende data en informatie (productie SCCA-0612);
- verschillende facturen (productie SCCA-0613).
3.127. Partijen zijn het erover eens dat Perishable Management Company V.O.F. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Starflor Distributiecentrum B.V. (achterliggende partij 43.01)
3.128. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0620);
- een overzicht van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0621);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0622);
- een getuigenverklaring van [naam 47] (productie SCCA-0623).
3.129. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 951 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Starflor Distributiecentrum B.V. in de periode 2002-2006 947 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode via verschillende freight forwarders. Dit volgt ook uit de verklaring van [naam 47] . Op vijftien na bevat dat overzicht in ieder geval de naam van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de datum en het nummer van de factuur alsmede de naam van de freight forwarder.
3.130. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat Starflor Disributiecentrum B.V. in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder is de getuigenverklaring van [naam 47] onvoldoende concreet en verifieerbaar.
3.131. De rechtbank is van oordeel dat Starflor Distributiecentrum B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor genoemde toetsingskader. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per freight forwarder, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door Starflor Distributiecentrum B.V. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten van uitgaven en vluchten (productie SCCA-0622 en 0621) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval voor de meeste vervoersdiensten ook de naam van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, de datum en het nummer van de betreffende factuur en de naam van de betreffende freight forwarder bevatten. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers en de Financial Director [naam 47] van Starflor Distributiecentrum BV. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
W.A. Sanders Papierfabriek “Coldenhove” B.V. (achterliggende partij 44.01)
3.132. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0624);
- een overzicht met vluchten en transacties (productie SCCA-0625);
- een Exel-bestand dat aan het overzicht van de vluchten en transacties ten grondslag ligt (productie SCCA-062);
- een (partij)verklaring van een medewerker van W.A. Sanders Papierfabriek “Coldenhove” B.V. (productie SCCA-0627);
- een aantal AWB’s en facturen (productie SCCA-0628).
3.133. Partijen zijn het erover eens dat W.A. Sanders Papierfabriek “Coldenhove” B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
Procesverloop
Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
AGM Jactex AG (achterliggende partij 45.01)
3.134. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0629);
- een Excel-bestand met een overzicht van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0630);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0631).
3.135. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 701 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat AGM Jactex AG 701 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. Het overgelegde bestand bevat voor alle vluchten en transacties de bookdate en het factuurnummer van de freight forwarder alsmede in veel gevallen ook de naam van de luchtvaartmaatschappij en de gevlogen route.
3.136. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat AGM Jactex AG in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn.
3.137. De rechtbank is van oordeel dat AGM Jactex AG moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij heeft afgenomen van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door AGM Jactex AG. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0623) moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht ten aanzien van die vluchten en transacties in ieder geval de bookdate en het nummer van de betreffende factuur van de betreffende freight forwarder bevatten. In vele gevallen, zo stelt SCC, bevat het bestand ook de naam van de betreffende luchtvaartmaatschappij en/of de gevlogen route. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers AGM Jactex AG. die de betreffende data en informatie aan SCC hebben verstrekt, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
G. Ghersi & C. S.A.S. (achterliggende partij 46.01)
3.138. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0632);
- een Excel-bestand met transactiegegevens (productie SCCA-0633).
3.139. SCC stelt zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) middels het Excel-bestand meer geaggregeerde data en informatie met betrekking tot de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in het geding heeft gebracht. Dit betreft per jaar een overzicht van uitgaven aan die diensten in de periode 2003-2006. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
3.140. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat het overgelegde Excel-bestand (productie SCCA-0633) reeds in 2019 is overgelegd als onderdeel van de Oxera packs, welk bestand echter alleen jaartallen en totalen en geen transactiegegevens bevat. Verder heeft SCC geen bronbewijs of ander documenten, data of informatie overgelegd. Dat de zoekterm ‘Ghersi’ resultaten oplevert in de BRG Database is onvoldoende voor de vaststelling dat deze achterliggende partij zelf in de relevante periode tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
3.141. De rechtbank is van oordeel dat G. Ghersi & C. S.A.S. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij heeft afgenomen van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door G. Ghersi & C. S.A.S.
Gebr. [naam 49] B.V. (achterliggende partij 47.01)
3.142. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0634);
- een Exel-bestand met een overzicht van de vluchten en transacties (productie SCCA-0635)
- een Excel-bestand met geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0636);
- een e-mail van 18 november 2016 van [naam 48] , General Manger van freight forwarder Copex (productie SCCA-0637);
- een fax van [naam 49] (productie SCCA-0638).
3.143. Partijen zijn het erover eens dat Gebr. [naam 49] B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Eldor Corporation S.p.A. (achterliggende partij 48.01)
3.144. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0639);
- een Exel-bestand met transactiegegevens (producties SCCA-0640 en SCCA-0641)
- twee facturen (productie SCCA-0642).
3.145. Partijen zijn het erover eens dat Eldor Corporation S.p.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
Procesverloop
Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Polytex AG (achterliggende partij 49.01)
3.146. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0643);
- een overzicht van luchtvaarttransacties (productie SCCA-0644);
- een verklaring van [naam 50] , CEO van Polytex AG (productie SCCA-0646)
- Excel-bestanden (producties SCCA-0645 en SCCA-0647);
- drie facturen (productie SCCA-0648).
3.147. Partijen zijn het erover eens dat Polytex AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Florex B.V. (achterliggende partij 50.01)
3.148. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0649);
- Excel-bestanden met een overzicht van afgenomen luchtvrachtdiensten (producties SCCA-0650 en SCCA-0651);
- een getuigenverklaring van Klumpenhouwer, bestuurder van Florex B.V. (productie SCCA-0652);
- e-mails met bijlagen, waaronder enkele facturen en AWB’s (productie SCCA-0653).
3.149. Partijen zijn het erover eens dat Florex B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Schneeberger AG Lineartechnik (achterliggende partij 51.01)
3.150. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0634);
- een Exel-bestand met een overzicht van de vluchten en transacties (productie SCCA-0635);
- een Excel-bestand met geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0636);
- een e-mail van 18 november 2016 van [naam 48] , General Manger van freight forwarder Copex (productie SCCA-0637);
- een fax van [naam 49] (productie SCCA-0638).
3.151. Partijen zijn het erover eens dat Schneeberger AG Lineartechnik mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Westerbeek Bulb Company B.V. (achterliggende partij 52.01)
3.152. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0659);
- een Exel-bestand met een overzicht van de vluchten en transacties (productie SCCA-0660);
- een Excel-bestand met afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA- 0661);
- twee air waybills (SCCA-0662).
3.153. Partijen zijn het erover eens dat Westerbeek Bulb Company B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Spreafico Francesco E F.lli S.p.a. (achterliggende partij 53.01)
3.154. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCCA-0663);
- een overzicht van luchtvrachttransacties (productie SCCA-0664);
- een Excel-bestand (productie SCCA-0665);
- facturen en air waybills (producties SCCA-0666 tot en met SCCA-0669).
3.155. Partijen zijn het erover eens dat Spreafico Francesco E F.lli S.p.a. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Fostag Formenbau AG (achterliggende partij 54.01)
3.156. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0670);
- Exel-bestanden met transactiegegevens (producties SCCA-0671 en SCCA-0672);
- een getuigenverklaring van een medewerker van Fostag Formenbau AG, D. Geiger (productie SCCA-0673);
- diverse facturen van luchtvrachtvervoersdiensten (producties SCCA-0674 tot en met SCCA-0677).
3.157. Partijen zijn het erover eens dat Fostag Formenbau AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Herrenknecht AG (achterliggende partij 55.01)
3.158. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0678);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0679);
- een getuigenverklaring van [naam 51] (productie SCCA-0704).
3.159. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (producties SCCA-0254 en SCCA-0266) geaggregeerde data en informatie in het geding heeft gebracht. Het overgelegde overzicht ziet op uitgaven van Herrenknecht AG aan luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000-2012, uitgesplitst naar jaar en freight forwarder. SCC verwijst verder naar de getuigenverklaring van [naam 51] .
3.160. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn aangeleverd waaruit blijkt dat Herrenknecht AG in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder staat in de getuigenverklaring van [naam 51] slechts in algemene termen dat Herrenknecht AG in de periode van 1999-2007 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Een dergelijke verklaring is onvoldoende concreet en verifieerbaar.
3.161. De rechtbank is van oordeel dat Herrenknecht AG moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Procesverloop
SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door Herrenknecht AG. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd. SCC stelt dat het overzicht van uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2000 – 2012 uitgesplitst is naar jaar en freight forwarder. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van HerrenknechtAG en van de freight forwarders en de heren [naam 51] en Stiefel is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Mehadrin Tnuport Export (L.P.) (achterliggende partij 56.01)
3.162. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0681);
- een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0682);
- meerdere Excel-bestanden (producties SCCA-0683 en SCCA-0684);
- een AWB (productie SCCA-0723);
- een verklaring van [naam 52] (medewerker van Mehadrin Export (L.P)) (productie SCCA-0724).
3.163. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266 data en informatie met betrekking tot 291 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) 260 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode. Ten aanzien van al die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht de code van de luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de plaats van aankomst, de date en het chargeable weight. Verder heeft [naam 52] verklaard dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) in de periode 2004-2007 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen om producten zoals dadels en citrusvruchten naar klanten te vervoeren en blijkt uit de overgelegde AWB dat op 19 mei 2008 een luchtvrachtvervoersdienst door Mehadrin Tnuport Export (L.P.) is afgenomen.
3.164. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder blijkt uit de overgelegde AWB dat de luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen op 19 mei 2008 en dus buiten de relevante periode valt. Bovendien blijkt daaruit dat niet Mehadrin Tnuport Export (L.P.) maar Mehadrin Tnuport Export (s.m.) als verzender die dienst heeft afgenomen. Voorts heeft [naam 52] niet uit eigen waarneming verklaard, omdat hij blijkens die verklaring pas in 2021 in dienst is getreden bij Mehadrin Tnuport Export (L.P.) en is die verklaring ook te algemeen en niet verifieerbaar.
3.165. De rechtbank is van oordeel dat Mehadrin Tnuport Export (L.P.) moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het overzicht en de Excel-bestanden met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij heeft afgenomen van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door Mehadrin Tnuport Export (L.P). De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Bovendien stelt SCC dat het overzicht van individuele luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2004 – 2007 in ieder geval de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, het MAWB, de plaats van aankomst, de date en het chargeable weight bevat. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van Mehadrin Tnuport Export (L.P.) is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. De bij repliek overgelegde airway bill (productie (SSCA-0723) kan SSC niet baten, nu deze ziet op een niet door Mehadrin Tnuport Export (L.P.) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst.
NCR groep (achterliggende partijen 57.01 tot en met 57.03)
3.166. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0685);
- een Excel-bestand met een overzicht van vluchten en transacties (productie SCCA-0686);
- onderliggende data en informatie (productie SCCA-0687);
- een e-mail met een zip-bestand (productie SCCA-0688).
3.167. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 13.727 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. De data en informatie in het Excel-bestand zijn afkomstig van een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen in de periode 2002-2006 via een freight forwarder hebben afgenomen. Ten aanzien van al die vluchten en transacties vermeldt dat overzicht ook door welke achterliggende partij de luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen, zie de kolom “Name” in het tabblad ‘IMP’ en de kolom “Shpr Name” in het tabblad ‘EXP’. Het tabblad ‘IMP’ bevat in ieder geval de plaats van vertrek, het gewicht, het nummer en de datum van de factuur en het nummer van de house air waybill. Het tabblad ‘EXP’ bevat in ieder geval de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum en het nummer van de HAWB.
3.168. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat de individuele achterliggende partijen behorende tot de NRC groep in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst heeft afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn.
3.169. De rechtbank is van oordeel dat de drie achterliggende partijen die behoren tot de NRC groep, te weten NCR Corporation, NCR Financial Solutions Group Ltd. en NCR Global Solutions Ltd., moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Procesverloop
SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij hebben afgenomen in de periode van december 2004-2006 via freight forwarder DHL, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de NCR groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Bovendien stelt SCC dat het overzicht van individuele luchtvrachtvervoersdiensten in de periode december 2004 – 2006 in ieder geval vermeldt door welke NCR achterliggende partij de betreffende diensten zijn afgenomen, de plaats van vertrek, het gewicht, de datum, het nummer en de datum van de betreffende factuur en het nummer van de relevante house air waybill. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst per individuele achterliggende partij de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van NCR en DHL is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
ZF groep (achterliggende partijen 58.01 tot en met 58.93)
3.170. SCC heeft onder meer de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 53] (productie SCCA-0689);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0690);
- een Excel-bestand met geaggregeerde gegevens (productie SCCA-0691);
- e-mails van freight forwarder Panalpina (productie SCCA-0692).
3.171. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) geaggregeerde data en informatie in het geding heeft gebracht. Dit betreft een overzicht van uitgaven van de achterliggende partijen aan luchtvrachtvervoersdiensten die zij via freight forwarder Panalpina in de relevante periode hebben afgenomen en die bij hen in rekening zijn gebracht. Dit blijkt ook uit de e-mailcorrespondentie tussen de achterliggende partijen en Panalpina, alsmede uit de verklaring van [naam 53] .
3.172. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat het overgelegde Excel-bestand voor de groep ZF alleen geaggregeerde gegevens bevat, waardoor verificatie bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Verder wordt in dit bestand geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende achterliggende partijen en ontbreekt iedere nadere onderbouwing. Aan de overgelegde getuigenverklaring van [naam 53] kan geen waarde worden gehecht, omdat zij verklaart pas vanaf 2007 werkzaam te zijn bij de ZF groep en zij dus niet uit eigen waarneming verklaart, terwijl de verklaring bovendien te algemeen en niet verifieerbaar is. Daarin staat immers: “I understand that 92 ZF Group companies on the list (…) have previously been identified by the ZF group as the companies within the ZF group that have procured and/or paid for the airfreight services” en “During the period 1999-2006, to the best of my knowledge, the ZF Shippers indeed procured airfreight services”. Voorts blijkt uit de e-mails van Panalpina dat alleen geaggregeerde data kunnen worden verstrekt en dat data op transactie- of vlucht-niveau niet meer beschikbaar zijn.
3.173. Partijen zijn het erover eens dat ZF Transmission Shanhai Co. Ltd (58.91) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat SCC deze vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste een specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode door ZF Transmission Shanhai Co. Ltd.
3.174. De rechtbank is van oordeel dat de overige achterliggende partijen
moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder het Excel-bestand met daarin onder meer overzichten van de luchtvrachtvervoersdiensten die zij hebben afgenomen in de periode van 1999-2000, 2001-2002, 2003-2004 en 2005-2006 via freight forwarder Panalpina, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is/zijn – afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de ZF groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst per individuele shipper de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern ZF, waaronder [naam 53] , [naam 54] en [naam 55] , en medewerkers van Panalpina, waaronder [naam 56] , is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Het feit dat, zoals [naam 56] heeft verklaard, er gewerkt wordt met een IT-systeem waardoor data op individueel niveau per shipper niet mogelijk is doet hier niet aan af (of komt voor rekening van SCC). Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- ZF Friedrichshafen AG (58.01);
- GAT ‐ Gesellschaft für Antriebstechnik mbH (58.02);
- Liuzhou ZF Machinery Co., Ltd. (Shipper 58.03);
- Mayoreo en Autopartes y Refacciones Alemanas, S. A. de C. V. (MARAL) (58.04);
- Sachs Automotive Components & Systems Shanghai Co., Ltd. (58.05);
- Somic ZF Components Ltd. (58.06);
- Spare Parts Service S.A. (58.07);
- ZF (China) Investment Co., Ltd. (58.08);
- ZF Algerie S.a.r.l. (58.09);
- ZF ANSA Lemförder S.L.U. (58.10);
- ZF Argentina S.A. (58.11);
- ZF Asia Pacific Pte. Ltd. (58.12);
- ZF Axle Drives Marysville LLC (58.13);
- ZF Boge Elastmetall Espana S.A.U. (58.14);
- ZF Bouthéon S.A.S. (58.15);
- ZF Chassis Components Toluca S.A. de C.V. (58.16);
- ZF Chassis Components, LLC (58.17);
- ZF Chassis Systems Chicago LLC (58.18);
- ZF Chassis Systems Duncan, LLC (58.19);
- ZF Chassis Systems Tuscaloosa, LLC (58.20);
- ZF Chassistech Commercial Vehicles (Shanghai) Co., Ltd. (58.21);
- ZF CVT Partner Company LLC (58.22);
- ZF Danmark ApS (58.23);
- ZF do Brasil Ltda. (58.24);
- ZF Drivetech (Hangzhou) Co., Ltd. (58.25);
- ZF Drivetech (Suzhou) Co., Ltd. (58.26);
- ZF Electronic Systems Juarez S.A. de C.V. (58.27);
- ZF Electronic Systems Pleasant Prairie, LLC (58.28);
- ZF Electronics (Zhuhai) Co., Ltd.
Procesverloop
(58.29);
- ZF Electronics Asia Ltd. (58.30);
- ZF Electronics UK Ltd. (58.31);
- ZF Engineering Plzen s.r.o. (58.32);
- ZF Faster Propulsion System Co. Ltd. (58.33);
- ZF Gainesville LLC (58.34);
- ZF Gastronomie Service GmbH (58.35);
- ZF Gusstechnologie GmbH (58.36);
- ZF Hungária Kft. (58.38);
- ZF Inmobilaria S.A. de C.V. (58.39);
- ZF International B.V. (58.40);
- ZF Italia Holding S.p.A. (58.41);
- ZF Japan Co. Ltd. (58.42);
- ZF Lemforder (Thailand) Co. Ltd. (58.43);
- ZF Lemförder AKS Modülleri Sanayi ve Ticaret A.S. (58.44);
- ZF Lemforder Australia Pty. Ltd. (58.45);
- ZF Lemförder Automotive Systems (Shenyang) Co., Ltd. (58.46);
- ZF Lemförder Chassis Technology Korea Co.Ltd. (58.47);
- ZF Lemförder Facility Management GmbH (58.48);
- ZF Lemförder Métal France S.A.S. (58.49);
- ZF Lemförder SA (Pty.) Ltd. (58.50);
- ZF Lemförder Shanghai Chassistech Co., Ltd. (58.51);
- ZF Lemförder TLM Dıs Ticaret Ltd. Sti. (58.52);
- ZF Lemförder TVA (58.53);
- ZF Lemförder UK Ltd. (58.54);
- ZF Marine Propulsion Systems Miramar LLC (58.55);
- ZF Mexico S.A. de C.V. (58.56);
- ZF North America, Inc. (58.57);
- ZF Österreich Gesellschaft.m.b.H. (58.58);
- ZF Padova S.r.l. (58.59);
- ZF Philippines Inc. (58.60);
- ZF Powertrain Modules Saltillo S.A.de C.V. (58.61);
- ZF Powertrain Modules Shanghai Co., Ltd. (58.62);
- ZF PWK Mécacentre (58.63);
- ZF Race Engineering GmbH (58.64);
- ZF Sachs Espana S.A.U. (58.65);
- ZF Sachs Italia S.p.A. (58.66);
- ZF Sachs Korea Co.Ltd. (58.67);
- ZF Sachs Süspansiyon Sistemleri Sanayi ve Ticaret AS (58.68);
- ZF Sales & Service (Malaysia) Sdn. Bhd. (58.69);
- ZF Services (China) Co., Ltd. (58.70);
- ZF Services Australia Pty. Ltd. (58.71);
- ZF Services Bogota SAS (58.72);
- ZF Services España S.L.U. (58.73);
- ZF Services France S.A.S. (58.74);
- ZF Services Hong Kong Ltd. (58.75);
- ZF Services Korea (58.76);
- ZF Services Nederland B.V. (58.77);
- ZF Services Portugal Unipessoal Lda., (58.78);
- ZF Services Schweiz AG (58.79);
- ZF Services South Africa (Pty) Ltd. (58.80);
- ZF Services Türk San. ve Ticaret A.Ş. (58.81);
- ZF Services UK Ltd. (58.82);
- ZF Services, LLC (58.83);
- ZF Services, S.A. de C.V. (58.84);
- ZF Slovakia a.s. (58.85);
- ZF Stankov s.r.o. (58.86);
- ZF Suspension Technology Guadalajara, S.A. de C.V. (58.87);
- ZF Taiwan Ltd. (58.88);
- ZF (Thailand) Ltd. (58.89);
- ZF Transmissions Gray Court LLC (58.90);
- ZF Wind Power (Tianjin) Co., Ltd. (58.92);
- ZF Wind Power Antwerpen NV (58.93).
Pioneer groep (achterliggende partijen 59.01 tot en met 59.04)
3.175. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0694);
- een overzicht van de afgenomen luchtvrachttransacties (productie SCCA-0695);
- twee Excel-bestanden die aan dit overzicht ten grondslag liggen (productie SCCA-0696);
- e-mails van [naam 57] en [naam 58] (producties SCCA-0697 en SCCA-0698).
3.176. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 24.264 individuele vluchten en transacties in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat de achterliggende partijen 14.308 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. De overgelegde bestanden zijn overzichten van via verschillende freight forwarders afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2005-2007. Voor een goed begrip van de inhoud van die bestanden verwijst SCC naar een e-mail van [naam 57] . Als in die overzichten wordt gekeken naar kolom O (‘Customer’), die blijkens de e-mail van [naam 58] de entiteit die de betreffende luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen bevat, dan blijkt dat luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen door Pioneer Electronics (USA) Inc. (59.02), Pioneer Europe N.V. (59.03) en Pioneer Automotive Technologies Inc. (59.04). Voornoemde overzichten bevatten, waar beschikbaar, de code van de luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum en het nummer van de vlucht,de naam van de freight forwarder, alsmede, waar beschikbaar, het MAWB-nummer.
3.177. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken zijn aangeleverd waaruit blijkt dat de achterliggende partijen behorende tot de Pioneer groep in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn. Bovendien bevatten de overzichten nauwelijks MAWB-nummers, waardoor verificatie van het merendeel van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is. Die gegevens zijn een zoekplaatje, omdat gebruik is gemaakt van customer-afkortingen. Voor de tabel van 180 afkortingen die SCC zelf heeft opgenomen ontbreekt een bron. Voor de vijf transacties die eerder op basis van een koppeling met de BRG database konden worden erkend, zijn de luchtvaartmaatschappijen op basis van voornoemd Excel-bestand (productie SCCA-0696) nagegaan welke entiteiten deze transacties volgens SCC zouden hebben afgenomen. De aangetroffen afkortingen komen niet in die tabel voor. Het lijkt erop dat geen van de door SCC genoemde ‘customer’- afkortingen betrekking hebben op de in deze procedure betrokken Pioneer cedenten.
3.178. De rechtbank is van oordeel dat Pioneer Corporation, Pioneer Electronics (USA) Inc., Pioneer Europe N.V. en Pioneer Automotive Technologies Inc. moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder de Excel-bestanden met daarin onder meer een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Pioneer Groep heeft afgenomen in de periode van 2006 - 2007 van verschillende freight forwarders, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst die is afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de Pioneer groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard. Bovendien stelt SCC dat het overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2006 – 2007 in ieder geval, op 20 diensten na, de code van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de gevlogen route, het chargeable weight, de datum en het nummer van de betreffende vlucht en de naam van de betreffende freight forwarder bevat. Omdat die gegevens toch ergens vandaan moeten komen, ziet de rechtbank niet in waarom SCC niet ten minste wat betreft één luchtvrachtvervoersdienst per individuele achterliggende partij de onderbouwing van haar stellingen nader zou kunnen concretiseren. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Pioneer, waaronder [naam 57] en [naam 58] en medewerkers van de verschillende freight forwarders, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende.
Procesverloop
Elbit groep (achterliggende partijen 60.01 tot en met 60.09)
3.179. SCC heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (producties SCCA-0669 en SCCA-0700);
- cessiedocumentatie (productie SCCA-0701);
- een Excel-bestand met een overzicht van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0702);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (productie SCCA-0703).
3.180. SCC stelt dat zij met de data packs van Oxera (SCCA-0254 en SCCA-0266) data en informatie met betrekking tot 35.796 individuele vluchten en transacties van de achterliggende partijen in het geding heeft gebracht. Uit het overgelegde overzicht blijkt dat zij 23.032 luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Het overgelegde bestand bevat twee overzichten van luchtvrachtvervoersdiensten die zijn afgenomen. Het tabblad ‘Elop’ bevat een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Elbit Systems Electro-Optics Elop Ltd. (60.03) heeft afgenomen. Dit blijkt ook uit de kolom “Client Name” in het tabblad, waarin wordt verwezen naar “ELBIT SYSTEMS ELECTRO-OPTICS E”. Ten aanzien van al die vluchten en transacties bevat dat overzicht de code en naam van de betreffende luchtvaartmaatschappij, het MAWB-nummer, de gevolgen route en het chargeable weight. In vrijwel alle gevallen bevat het overzicht ook de naam van de betreffende luchtvaartmaatschappij, de datum van vertrek en de datum van aankomst van de betreffende vlucht, de naam van de betreffende freight forwarder en/of het nummer van de betreffende HAWB. Het tabblad ‘Elbit’ bevat een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die de achterliggende partijen hebben afgenomen. Dit blijkt ook uit de kolom “Customer” in het tabblad, waarin wordt verwezen naar de achterliggende partijen. Op een na bevat het overzicht ten aanzien van al die vluchten en transacties in ieder geval de datum en het nummer van de factuur, het nummer van de AWB en het gewicht. In vrijwel alle gevallen bevat het overzicht ook de plaats van vertrek van de betreffende vlucht. SCC heeft verder verwezen naar de overgelegde e-mails.
3.181. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken aangeleverd zijn waaruit blijkt dat de individuele achterliggende partijen behorende tot de Elbit Groep in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoerdienst hebben afgenomen en dat de overgelegde Excel-bestanden daartoe onvoldoende zijn. Verder heeft SCC geen stellingen ingenomen op het niveau van de individuele achterliggende partijen en bevatten de overgelegde e-mails slechts informatie over welke rechtspersonen in deze procedures moeten worden aangemerkt als achterliggende partijen.
3.182. De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen die tot de Elibit groep behoren
moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat SCC er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt rwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. SCC heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding gebracht waaronder Excel-bestanden met daarin onder meer een overzicht van luchtvrachtvervoersdiensten die Elbit Groep heeft afgenomen in de relevante periode, maar verzuimd aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) – of, zoals de opdracht luidt: op één concrete luchtvrachtvervoersdienst – die is (zijn) afgenomen door de individuele achterliggende partijen behorende tot de Elbit groep. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – niet alleen onvoldoende, maar ook onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat SCC wel beschikt over de relevante documenten/data, zo hebben de heren van Omni Bridgeway immers verklaard, en de overzichten met betrekking tot de relevante luchtvrachtvervoersdiensten moet toch ergens op zijn gebaseerd.. Dat SCC meermaals uitdrukkelijk bewijs aanbiedt dat de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten (in het overzicht) zijn afgenomen, onder meer door het horen van medewerkers van het concern Elbit, is – zoals hiervoor onder het toetsingskader ook in algemene zin is overwogen – in het licht van de opdracht van de rechtbank onvoldoende. Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- Elbit Systems Ltd. (60.01);
- Elbit Security Systems Ltd. (60.02);
- Elbit Systems Electro-Optics Elop Ltd. (60.03);
- Elbit Systems-Cyclone Ltd. (60.04);
- Elbit Systems BMD and land EW - Elisra (60.05);
- Elbit Systems EW and SIGINT - Elisra Ltd. (60.06);
- Elbit Systems Land and C41 Ltd. (60.07);
- Elbit Systems SAR and data links - Elisra Ltd. (60.08);
- Snunit Aviation Services Ltd. (60.09.
4De achterliggende partijen aan de zijde van Equilib
[naam 59]
4.1.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document [naam 59] 1);
- een verklaring van haar accountant, Doornhein (document [naam 59] 2);
- een AWB (document [naam 59] 3);
- een rekeningafschrift uit 2003 en bijbehorende documenten (productie 1 bij repliek);
- een krantenbericht uit Trouw uit 2003 (productie 2 bij repliek).
4.2.
Equilib stelt dat de overgelegde datasheet met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode 2002-2004 informatie bevat als de betalende entiteit (Tongu Fruits/Heijer B.V.), AWB-nummer, vluchtnummer (alleen KLM), vertrekluchthaven (Accra, Ghana), aankomstluchthaven (Amsterdam), gewicht en totale kosten. Verder verstrekt de accountant in zijn verklaring een overzicht van alle ‘luchtvrachtkosten Ghana’ voor [naam 59] Management & Consultancy B.V./Tongu Fruits B.V. (haar dochtermaatschappij) in de periode 2000-2004 ten bedrage van
€ 927.215,88. Ook blijkt uit het overgelegde rekeningafschrift en onderliggende documenten dat Tongu Fruits B.V. heeft betaald voor de luchtvrachtvervoersdiensten. De overgelegde AWB betreft een vlucht met KLM van Accra (Ghana) naar Amsterdam op 29 september 2003, waarop Tongu Fruits B.V. [naam 59] als consignee staat vermeld. Uit het overgelegde bericht uit Trouw blijkt bovendien dat de heer [naam 59] , de persoon achter de vennootschap, in Ghana een ananasfarm heeft opgezet, waarvoor hij in 2003 de innovatieprijs van de groenten- en fruitwereld heeft gekregen. Op 9 juli 2010 is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Tongu Fruits B.V. is opgehouden te bestaan. Op 14 maart 2011 heeft de heer [naam 59] de cessiedocumentatie getekend met vermelding van [naam 59] Management & Consultancy B.V. en Tongu Fruits B.V., de twee rechtspersonen die door hem zijn gebruikt voor de import van ananas uit Ghana. Het Unierecht althans de redelijkheid en billijkheid brengt mee dat vergoeding moet kunnen worden gevorderd van de door haar (ten tijde van de boeteoplegging inzake het onderhavige kartel) reeds ontbonden dochtermaatschappij Tongu Fruits B.V. Daarbij is van belang dat ook [naam 59] Management & Consultancy B.V. kan worden aangemerkt als schadelijdende partij, nu zij in de hypothetische situatie zonder kartel als moedermaatschappij meer vermogen aan haarzelf had uitgekeerd uit het vermogen van Tongu Fruits B.V. dan in de daadwerkelijke situatie met het kartel, aldus steeds Equilib.
4.3.
De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover.
4.3.1.
[naam 59] Management & Consultancy B.V. is de enige achterliggende partij die onder de noemer ‘ [naam 59] ’ haar vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd. De door Equilib genoemde rechtspersoon Tongu Fruits B.V.
Procesverloop
maakt geen onderdeel uit van het ‘Overzicht benadeelden en cessiedocumentatie’ dat door Equilib in het geding is gebracht en door de rechtbank in het vonnis over de rechtsgeldigheid van de cessies als leidend is aangemerkt. Eventuele vorderingen van Tongu Fruits B.V. kunnen dus geen onderdeel zijn van deze procedure.
4.3.2.
Uit de overgelegde AWB volgt dat de luchtvrachtvervoersdienst prepaid is betaald, derhalve door de verzender (Tongu Fruits B.V.) en niet door [naam 59] Management & Consultancy B.V. Overigens is ook niet duidelijk welke (rechts)persoon op de AWB is vermeld als consignee (Tongu Fruits B.V., [naam 59] Management & Consultancy B.V. of de heer [naam 59] ). Dit is relevant, omdat (zoals hiervoor reeds gezegd) Tongu Fruits B.V. door Equilib niet eerder is opgevoerd als cedent of benadeelde partij. Bovendien komen de gegevens van de overgelegde AWB niet volledig overeen met het overgelegde Excel-bestand. Volgens dat bestand zou ‘Tongu Fruits/Heijer bv’ de betalende entiteit zijn, maar in de AWB staat dat Tongu Fruits GH.LTD heeft betaald voor de luchtvrachtvervoersdienst.
4.3.3.
Ook voor [naam 59] Management & Consultancy B.V. heeft Equilib geen direct bronbewijs overgelegd. Het overgelegde Excel-bestand is onvoldoende om als bewijs te dienen dat deze achterliggende partij in de betreffende periode zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is) ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
4.3.4.
Aan de hand van de verklaring van de accountant kan evenmin worden vastgesteld dat [naam 59] Management & Consultancy B.V. in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Uit de verklaring volgen slechts niet onderbouwde totaalbedragen voor afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten door [naam 59] Management & Consultancy B.V. en Tongu Fruits B.V., zonder vermelding van verifieerbare en concrete gegevens over de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten per partij.
4.3.5.
Tongu Fruits B.V. was reeds ontbonden toen de cessiedocumentatie werd getekend met vermelding van Tongu Fruits B.V. als assignor. Tongu Fruits B.V, kon op dat moment dus geen vorderingen meer cederen. Betwist wordt dat [naam 59] Management & Consultancy B.V. desondanks schadevergoeding moet kunnen vorderen, omdat rechtspersonen ten aanzien van hun vermogensrechtelijke positie naar Nederlands recht niet kunnen worden vereenzelvigd met andere (gelieerde) rechtspersonen. Ook wordt betwist dat [naam 59] Management & Consultancy B.V. zelf als schadelijdende partij moet worden aangemerkt, zoals Equilib betoogt.
4.4.
De rechtbank oordeelt allereerst dat inderdaad alleen [naam 59] Management & Consultancy B.V. als achterliggende partij kan worden aangemerkt. Ook deze achterliggende partij moet echter afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilb heeft weliswaar informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van [naam 59] – en een verklaring van de accountant in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door [naam 59] Management & Consultancy B.V. zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is). Ook het betoog van Equilib dat wat de betreft de (mogelijk) door Tongu Fruits B.V. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten [naam 59] Management & Consultancy B.V. kan worden aangemerkt als de schadelijdende partij, wordt niet gevolgd. Equilib laat het bij een blote stelling en dat is onvoldoende. Verwezen wordt naar wat hierover onder het toetsingskader reeds is overwogen.
Aablo Export
4.5.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Aablo Export 1);
- een datasheet (Excel-bestand) met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Aablo Export 2);
- de oprichtingsakte van Aablo Export B.V. waaruit blijkt dat Aablo B.V. in deze vennootschap is ingebracht (document Aablo Export 3);
- een factuur van een freight forwarder aan Aablo B.V. met bijbehorende AWB (document Aablo Export 4).
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat Aablo Export B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Adomex International B.V.
4.7.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Adomex 1);
- een databestand van agent J. Van de Put Fresh Cargo Handling BV met details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Adomex 2);
- het door Adomex ingevulde FRA Template, waarin details zijn vastgelegd van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de periode november 2002 t/m februari 2006 (document Adomex 3);
- een factuur van Trans World Forwarding Inc. Aan Adomex International B.V. met bijbehorende AWB (document Adomex 4).
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat Adomex International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Agfa Gevaert
4.9.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- het jaarverslag over 2006 van Agfa Gevaert N.V. (document AGFA 1);
- een overzicht uit het boekhoudsysteem van Agfa Gevaert N.V. (‘Omzetevoluties airfreight cartel 2000-2007’) (document AGFA 2);
- een CASS-factuur (document AGFA 3).
4.10.
Equilib verwijst voor het bedrijfsprofiel van de Agfa groep naar het jaarverslag. Alle luchtvrachtvervoersdiensten van de groep ‘Agfa Gevaert’ zijn afgenomen door Agfa Gevaert N.V. Agfa Gevaert heeft de status van IATA-agent en contracteert rechtsreeks met de luchtvaartmaatschappijen. De activiteiten van Agfa Gevaert N.V. zijn vanaf 1 januari 2008 ondergebracht in drie separate entiteiten en sindsdien heeft Agfa Gevaert N.V. de luchtvrachtvervoersdiensten niet langer voor zichzelf ingekocht maar voor haar dochtermaatschappijen Agfa Graphics N.V. en Agfa Healthcare N.V. Vanaf dat moment was Agfa Gevaert N.V. ook de IATA-agent van deze twee dochters. In de kartelperiode betroffen de luchtvrachtkosten uitsluitend eigen shipments van Agfa Gevaert N.V. met vertrek uit België. Het overgelegde overzicht (‘Omzetevoluties airfreight cartel 2000-2007’) toont de totaalbedragen die Agfa Gevaert N.V. in de jaren 2000-2007 heeft betaald aan leveranciers van luchtvrachtvervoersdiensten, waaronder een bedrag van € 58.873.330 aan IATA. Eerder heeft Equilib al Excel-bestanden voor de jaren 2000-2007 en 2008-2013 in het geding gebracht, waarin de IATA carrier prefix, de IATA carrier code, de carrier name en vanaf 2003 de totaalbedragen voor alle luchtvaartmaatschappijen per maand zijn opgenomen.
4.11.
De luchtvaartmaatschappijen hebben hier het volgende tegen ingebracht. Agfa Gevaert N.V.
Procesverloop
neemt als IATA-agent (ladingsagent of ‘cargo agent’) rechtstreeks deel aan het IATA Cargo Settlement System (CASS) voor België en Luxemburg. Agfa Gevaery N.V. was ook ladingsagent voor haar twee dochtermaatschappijen, die vorderingen hebben gecedeerd. Uit de digitale CASS-factuur kan worden afgeleid dat Agfa Gevaert N.V. de daarin genoemde luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen (welke overigens niet voorkomt in het Equilib Transactieoverzicht).
4.12.
Partijen zijn het erover eens dat Agfa Gevaert N.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.13.
Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk wat het standpunt van Equilib is ten aanzien van Agfa Graphics N.V. en Agfa Healthcare N.V. Deze achterliggende partijen zullen in ieder geval moeten afvallen, omdat deze vennootschappen (die pas in 2008 zijn opgericht) zelf in de relevante periode geen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen (zoals Equilib zelf ook lijkt te stellen).
Alcatel-Lucent
4.14.
De groep ‘Alcatel-Lucent’ is het resultaat van een fusie tussen Alcatel en Lucent Technologies op 1 december 2006. De groep ‘Alcatel-Lucent’ betreft de volgende achterliggende partijen:
- Alcatel-Lucent Bell N.V.;
- Alcatel-Lucent France SA;
- Alcatel-Lucent Enterprise SA;
- Alcatel-Lucent Deutschland AG;
- Alcatel-Lucent Italia Spa;
- Alcatel-Lucent España S.A.;
- Alcatel-Lucent USA Inc.
4.15.
Equilib heeft een veelheid van documenten overgelegd, waaronder:
- overzichten van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (databestanden), afkomstig van diverse freight forwarders (documenten Alcatel-Lucent 2, 5, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 36);
- screenshots van Excel-bestanden (documenten Alcatel-Lucent 19 en 22);
- prints van selecties van luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Alcatel-Lucent 24, 26, 28, 31 en 34);
- diverse correspondentie (documenten Alcatel-Lucent 1, 3, 4, 7, 8, 9, 10, en 35).
4.16.
Equilib heeft toegelicht dat Alcatel-Lucent zelf niet beschikte over details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (zie de e-mail uit 2012; document Alcatel-Lucent 1). Alcatel-Lucent heeft daarom haar freight forwarders in 2012 verzocht data aan te leveren. In de jaren 1999 tot en met 14 februari 2006 heeft Alcatel gebruik gemaakt van onder andere SDV, Kuehne + Nagel (K+N) en DHL, en Lucent voornamelijk van Panalpina, Schenker, TAG en Acciona. Equilib stelt dat zij aan de hand van de informatie van freight forwarders heeft aangetoond dat (de rechtsvoorganger van) iedere achterliggende partij tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode en onderbouwt dat als volgt:
Alcatel-Lucent France SA
4.16.1.
Op 5 februari 2007 hebben de aandeelhouders van Alcatel CIT SA besloten de naam van de vennootschap te wijzigen in Alcatel-Lucent France SA. Het databestand van freight forwarder SDV (document Alcatel-Lucent 19) bevat transacties voor (shipper) Alcatel CIT. In dit bestand is onder meer de volgende transactie vermeld: een vlucht van Frankrijk naar Maleisië met Singapore Cargo Airlines op 15 mei 2002, AWB-nummer: 61844486794, gewicht: 1.127 kg, totale kosten: € 6.819,84; de shipper is Alcatel CIT en de gehanteerde Incoterm CPT, waaruit volgt dat Alcatel CIT voor de vracht heeft betaald. Deze vlucht is bovendien door de luchtvaartmaatschappijen gematched in de BRG-database.
Alcatel-Lucent Italia Spa
4.16.2.
Op 24 april 2007 is de naam van Alcatel Italia Spa gewijzigd in Alcatel-Lucent Italia Spa. Uit het databestand van DHL (document Alcatel-Lucent 12) – althans het document Alcatel-Lucent 22 dat een print bevat van een selectie van dit bestand – kan worden afgeleid dat deze vennootschap ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Als voorbeeld wordt genoemd een vlucht (terug te vinden op regel 26) van Canada naar Italië in november 2001, AWB-nummer: 020 75735855, met een uitsplitsing van de kosten. Alcatel Italia Spa wordt ook als klant aangeduid in het K+N EEA Inbound bestand. De transactiegegevens zijn bovendien gematched in de BRG-database.
Alcatel-Lucent España S.A.
4.16.3.
In 2002 is de naam van Alcatel España S.A. gewijzigd in Alcatel-Lucent España S.A. Document Alcatel-Lucent 24 bevat een print van een selectie van het bestand van DHL; de eerste transactie betreft een luchtvrachtvervoersdienst van Spanje naar India in mei 2003, AWB-nummer: 020 42170704 (Lufthansa). Alcatel España wordt ook als klant aangeduid in het K+N EEA Inbound bestand.
Alcatel-Lucent Bell N.V.
4.16.4.
Op 19 april 2007 is de naam van Alcatel Bell N.V. (België) gewijzigd in Alcatel-Lucent Bell N.V. Document Alcatel-Lucent 26 bevat voor Alcatel-Lucent Bell S.A. (bedoeld zal zijn: N.V., rb) een print van een selectie van het bestand van DHL; de eerste transactie betreft een vlucht van België naar Iran in augustus 2004, AWB-nummer: 020 86365241 (Lufthansa). Alcatel Bell N.V. wordt ook als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden.
Alcatel-Lucent Deutschland AG
4.16.5.
Op 26 januari 2007 is de naam van Alcatel SEL Aktiengesellschaft gewijzigd in Alcatel-Lucent Deutschland AG. Document Alcatel-Lucent 28 bevat voor deze vennootschap een print van een selectie van het bestand van DHL; de eerste transactie betreft een vlucht van Duitsland naar Iran in augustus 2004, AWB-nummer: 020 73311066 (Lufthansa). Alcatel SEL AG wordt ook als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden.
Alcatel-Lucent USA Inc.
4.16.6.
Vanaf 1998 handelde (de rechtsvoorgangers van) Alcatel-Lucent USA Inc. onder de naam Alcatel USA Inc. Op 17 december 2007 is de naam van Alcatel USA Inc. gewijzigd in Alcatel-Lucent Holdings Inc. In december 2016 is vervolgens Alcatel-Lucent Holdings Inc. gefuseerd in Alcatel-Lucent USA Inc. Hieruit volgt dat voor zover Alcatel USA Inc. – of voor wat betreft de na-ijlperiode Alcatel-Lucent Holdings Inc. – is geraakt door het kartel, dit evenzo geldt voor achterliggende partij Alcatel-Lucent USA Inc. Een selectie van het bestand van UPS (document Alcatel-Lucent 31) bevat voor deze vennootschap een vlucht van Duitsland naar Dallas (Texas, VS) op 14 november 2003, AWB-nummer: 020 62229016 (Lufthansa), totale kosten: USD 1.388,66 (waarvan USD 79,98 brandstoftoeslag); charge weight: 558,5 kg. De transactiegegevens voor Alcatel-Lucent USA zijn bovendien gematched in de BRG-database.
Alcatel-Lucent Enterprise SA
4.16.7.
Op 5 juni 2007 is de naam van Alcatel Business Systems SA veranderd in Alcatel-Lucent Enterprise SA. Document Alcatel-Lucent 34 bevat voor deze vennootschap een print van een selectie van het bestand van DHL; de geselecteerde transactie betreft een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van België naar Zuid-Afrika op 30 mei 2002, AWB-nummer: 020 92565583, kosten in totaal: USD 44,43. Alcatel Business Systems SA is aangeduid als consignee. Uit de e-mail van DHL (document Alcatel-Lucent 11) volgt dat voor de transacties in dit bestand de consignees voor de luchtvrachtvervoersdiensten hebben betaald.
Procesverloop
Dit bestand is door DHL opgesteld door in de collect bestanden te filteren op Alcatel-Lucent entiteiten omdat deze entiteiten (dus de consignees) hebben betaald.
4.17.
De luchtvaartmaatschappijen menen dat al deze achterliggende partijen moeten afvallen en voeren daartoe het volgende aan. Er is geen direct bronbewijs (air waybills of facturen) overgelegd. Documenten Alcatel-Lucent 13 en 15 (en bijbehorende screenshots documenten Alcatel-Lucent 26 en 28) bevatten geen gegevens over de chargeable weight. Zonder nadere informatie over betaling valt niet te verifiëren of sommige achterliggende partijen voor luchtvrachtdiensten hebben betaald. Het enkele feit dat de aangeleverde gegevens succesvol zijn gekoppeld met de BRG Database is onvoldoende voor de vaststelling dat deze individuele achterliggende partijen zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen. In aanvulling hierop hebben de luchtvaartmaatschappijen voor de volgende achterliggende partijen nog het volgende aangevoerd (waaruit volgens hen volgt dat de door Equilib overgelegde gegevens geen betrouwbare data zijn):
Alcatel-Lucent Bell N.V.
4.17.1.
De overgelegde Excel-bestanden en screenshots zijn onvoldoende om als bewijs te dienen dat deze vennootschap in de betreffende periode ten minste zelf één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen
Alcatel-Lucent Enterprise SA
4.17.2.
Uit document Alcatel-Lucent 34 blijkt onvoldoende dat Alcatel-Lucent Enterprise SA voor de door Equilib genoemde luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald. Uit de kolom ‘Prepaid Level One’ blijkt niet dat de consignee de volledige kosten voor deze luchtvrachtvervoersdienst heeft voldaan.
Alcatel-Lucent USA
4.17.3.
De door Equilib uitgelichte vlucht komt niet voor in de overgelegde Excel-bestanden van DHL. De luchtvaartmaatschappijen kunnen enkel het bestaan van de met de BRG-database gekoppelde luchtvrachtvervoersdienst met AWB-nummer 020-62229016 erkennen. Dit betreft een vlucht naar de Verenigde Staten uitgevoerd door Lufthansa. In dat kader merken de luchtvaartmaatschappijen op dat Lufthansa in de Verenigde staten reeds saabeen schikking heeft getroffen over bepaalde luchtvrachtvervoersdiensten van, naar en binnen de VS.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen van de groep ‘Alcatel-Lucent’ mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen. De luchtvaartmaatschappijen hebben wel in algemene zin opgeworpen dat zonder nadere informatie over betaling niet is te verifiëren of sommige achterliggende partijen voor luchtvrachtdiensten hebben betaald, maar hebben de hieronder weergegeven gemotiveerde stellingen van Equilib op dit punt niet concreet weersproken:
- voor Alcatel-Lucent France SA: de shipper is Alcatel CIT en de gehanteerde Incoterm CPT, waaruit volgt dat Alcatel CIT (= Alcatel-Lucent France SA) voor de vracht heeft betaald;
- voor Alcatel Italia Spa: uit het feit dat het hier gaat om een collect bestand kan worden afgeleid dat deze vennootschap als consignee ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen en Alcatel Italia Spa wordt ook als klant aangeduid in het K+N EEA Inbound bestand;
- voor Alcatel Bell N.V.: wordt als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden;
- voor Alcatel-Lucent Deutschland AG: wordt als klant aangeduid in de K+N EEA bestanden;
- voor Alcatel-Lucent USA Inc.: (bij repliek) het bestand is door freight forwarder UPS opgesteld door in de collect bestanden te filteren op Alcatal-Lucent entiteiten omdat deze entiteiten (dus consignees) betaald hebben;
- voor Alcatel-Lucent Enterprise SA: Alcatel Business Systems SA (= Alcatel-Lucent Enterprise SA) is aangeduid als consignee. Uit de e-mail van DHL (document Alcatel-Lucent 11) volgt dat voor de transacties in dit bestand de consignees voor de luchtvrachtvervoersdiensten hebben betaald. Dit bestand is door DHL opgesteld door in de collect bestanden te filteren (met Equilib is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de luchtvaartmaatschappijen dat de betalende entiteit zou zijn af te leiden uit de kolom “prepaid level ome” in het licht hiervan dan ook geen hout snijdt. De luchtvaartmaatschappijen zijn hier bij dupliek ook niet nader op ingegaan).
Verder geldt nog dat de vraag of de door Equilib voor Alcatel-Lucent USA uitgelichte vlucht onderwerp is van een schikking, in een later stadium aan de orde kan komen – deze eventuele mogelijkheid staat er niet aan in de weg dat Equilib voldoende heeft onderbouwd dat Alcatel-Lucent USA ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Amphenol
4.19.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met details van facturen van freight forwarders van door haar afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Amphenol 1);
- een verklaring over de totstandkoming van dit bestand en de bevestiging dat al deze facturen door Amphenol Benelux B.V. zijn betaald (document Amphenol 2);
- een factuur met bijbehorende AWB (document Amphenol 3).
4.20.
Partijen zijn het erover eens dat Amphenol Benelux B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Aramco Overseas Company
4.21.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een AWB voor een vlucht met Air France van Amsterdam naar Abu Dhabi (document Aramco 2).
4.22.
Partijen zijn het erover eens dat Aramco Overseas Company B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
ASML
4.23.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Transactieoverzicht met details voor ASML voor de jaren 1999-2008 (document ASML 1);
- een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt dat de oude statutaire naam van ASML Netherlands B.V. ‘ASM Lithography BV’ is (document ASML 2);
- e-mailcorrespondentie tussen ASML en Equilib uit 2013 (document ASML 4);
- een (verzamel) factuur van freight forwarder Panalpinia gericht aan ASM Lithography BV voor vier vluchten met KLM, Lufthansa en Cargolux (document ASML 5).
4.24.
Partijen zijn het erover eens dat ASML Netherlands B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
Procesverloop
Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
AstraZeneca
4.25.
De groep ‘AstraZeneca’ is in 1999 ontstaan door de fusie tussen het Zweedse Astra AB en de Britse Zeneca Group Plc. De groep ‘AstraZeneca’ betreft de volgende achterliggende partijen:
- AstraZeneca AB (Zweden) en
- AstraZeneca UK Limited (Groot-Brittannië).
4.26.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Transactieoverzicht (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten/in rekening gebrachte kosten (afkomstig van freight forwarder Geodis) voor AstraZeneca AB (document AstraZeneca 1);
- een print van een selectie van document AstraZeneca 1, te weten het stukje dat betrekking heeft op vluchten van KLM met vertrekpunt Stockholm in mei 2005 (document AstraZeneca 2);
- een bestand ‘Macc Airfreight’ 1999-2006 (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten uit het eigen ‘SAP systeem’ van AstraZeneca UK (document AstraZeneca 3);
- e-mailwisseling tussen AstraZeneca en freight forwarder DHL (document AstraZeneca 4);
- vier Excel-bestanden met ‘raw data’ voor 1999-2002, afkomstig van DHL(documenten AstraZeneca 5-8);
- een screenshot van een selectie van de ‘raw data 2002’ betreffende vluchten uitgevoerd door Lufthansa vanuit de UK (document AstraZeneca 9).
4.27.
Equilib heeft toegelicht dat de AstraZeneca groep in haar eigen systemen weinig details over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten heeft vastgelegd. Voor AstraZeneca AB heeft freight forwarder Geodis een ‘omvangrijk bestand met kosten in rekening gebracht aan AstraZeneca AB’ aangeleverd (document AstraZeneca 1). Document 2 bevat gedetailleerde informatie over vluchten van KLM met vertrekpunt Stockholm in mei 2005: MAWB-nummers (beginnend met 74 voor KLM), ‘transport mode’ (‘air’), ‘KundNahm’ (klantnaam: AstraZeneca AB), gewicht, origin, destination, gewicht, kosten en specificatie surcharges. Document 3 bevat informatie uit het eigen SAP systeem van AstraZeneca UK Ltd. In het overgelegde screen shot met ‘raw data’ (document 9) staan verwijzingen naar locaties van AstraZeneca UK Ltd in de UK (ophaalplek “IPS, Warehouse I en MDU”); het bevat ook het gewicht, de kosten van de vracht en het totale bedrag (inclusief fuel en security surcharges). Dit bestand bevat weliswaar geen AWB-nummers en ook niet de naam van AstraZeneca UK Ltd., maar uit haar activiteiten en haar locatie vloeit voort dat zij luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Dit wordt bovendien bevestigd in de overgelegde e-mail van de Senior Director van AstraZeneca UK Ltd, waarin staat:“I have been able to confirm that my colleague’s understanding is that the various acronyms and abbreviations listed in the “shipper” column of the raw data are different AZ departments that would have booked the shipments – so they are understood to be all part of the same entity, but just different cost centres”.
4.28.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden en screenshots onvoldoende zijn. In de overgelegde bestanden worden de achterliggende partijen niet genoemd, maar slechts shippers die geen onderdeel uitmaken van deze procedures, en daarin ontbreken AWB-nummers, gevlogen routes en data van vluchten. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat de Astra Zeneca groep stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten en staat in de e-mail van de Senior Director van AstraZeneca UK Ltd slechts dat een collega begrijpt – en niet bevestigt – dat bepaalde afkortingen zouden verwijzen naar verschillende afdelingen binnen die achterliggende partij.
4.29.
De rechtbank is van oordeel dat AstraZeneca AB mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Document AstraZeneca 2 bevat inderdaad gedetailleerde informatie over vluchten en daarin staat – anders dan de luchtvaartmaatschappijen beweren – wel degelijk AstraZeneca AB als ‘shipper’ vermeld en zijn ook de HAWB-nummers opgenomen. Bovendien hebben de luchtvaartmaatschappijen de stelling van Equilib dat uit de aanduiding “Kundnamn” in de overzichten van freight forwarder Geodis blijkt dat AstrZeneca AB de (betalende) klant was, niet voldoende weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen.
4.30.
Voor AstraZeneca UK Ltd. ligt dat anders. Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partij moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. In document AstraZeneca 9 wordt de naam ‘AstraZeneca UK Ltd.’ niet als ‘shipper’ vermeld (maar meestal ‘IPS’) en het bevat ook geen air waybill nummers. De luchtvaartmaatschappijen hebben er ook terecht op gewezen dat de overgelegde e-mail van de Senior Director van AstraZeneca UK Ltd, te weinig specifiek is.
Atlas Copco
4.31.
De groep ‘Atlas Copco’ betreft de volgende achterliggende partijen:
- Atlas Copco AB;
- Atlas Copco Airpower N.V.;
- Atlas Copco Power Tools Distribution N.V.;
- Atlas Copco Rock Drills AB.
Aanvankelijk was ook Atlas Copco Secoroc AB opgevoerd als cedent, maar Equilib handhaaft de vordering van deze partij niet langer.
4.32.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- datasheets (Excel-bestanden) met door freight forwarders verstrekte gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten door Atlas Copco Airpower N.V., Atlas Power Tools Distribution N.V. en Atlas Copco Rock Drills AB (documenten Atlas Copco 1, 2 en 6);
- e-mails (documenten Atlas Copco 3, 4 en 5);
- screenshots van de van een selectie van de als documenten Atlas Copco 1, 2 en 6 overgelegde datasheets (documenten Atlas Copco 7, 8 en 9).
4.33.
Equilib heeft de overgelegde documenten als volgt toegelicht:
4.33.1.
Document Atlas Copco 7 ziet op Atlas Copco Airpower N.V. en bevat vluchten met KLM van Brussel naar Johannesburg in 2022; opgenomen zijn de datum, totale kosten en MAWB-nummer (o.a. 074 38915951 (KLM)).
4.33.2.
Document Atlas Copco 8 ziet op Atlas Copco Power Tools Distribution N.V. en bevat vluchten met KLM en omvat een groot aantal vluchten van Brussel via Amsterdam naar Manila in 2001; opgenomen zijn o.a. de datum, totale kosten en MAWB-nummer (o.a. 074 26841846 (KLM)).
4.33.3.
Document Atlas Copco 9 ziet op Atlas Copco Rock Drills AB. Dit bestand bevat geen details op vluchtniveau, maar wel totaalbedragen per jaar per carrier voor vluchten uit Zweden naar verschillende landen. Dit databestand is afkomstig van freight forwarder DHL en er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze data.
Procesverloop
Ten slotte stelt Equilib dat volgens de luchtvaartmaatschappijen sprake is van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.34.
De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover. In hun akte van 16 december 2020 hebben de luchtvaartmaatschappijen weliswaar uiteengezet dat een aantal van de door Equilib namens de groep ‘Atlas Copco’ verstrekte gegevens overeenkwamen met gegevens in de BRG Database, maar toen waren die gegevens slechts verstrekt op groepsniveau. De luchtvaartmaatschappijen erkennen dus slechts het bestaan van de luchtvrachtvervoersdiensten waarop die transactiegegevens zien. Equilib moet per achterliggende partij stellingen innemen en onderbouwen. Equilib heeft thans wel stellingen ingenomen en documenten overgelegd per achterliggende partij, maar zij heeft nog steeds geen direct bronbewijs overgelegd; de overgelegde Excel-bestanden en screenshots zijn onvoldoende. Equilib stelt zelf ook dat de overgelegde gegevens voor Atlas Copco Rock Drills AB geen details op vluchtniveau bevatten Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat bij verschillende freight forwarders data zijn verzameld over luchtvrachtvervoersdiensten. Bovendien heeft Equilib ten aanzien van een aantal achterliggende partijen geen (nadere) specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd.
4.35.
De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen van de groep ‘Atlas Copco’ moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Voor Atlas Copco AB heeft Equilib in het geheel geen stellingen ingenomen. Voor Atlas Copco Rock Drills AB heeft Equilb weliswaar data afkomstig van freight forwarder DHL overgelegd, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode. Ook voor Atlas Copco Airpower N.V. en
Atlas Copco Power Tools Distribution N.V. heeft Equilib in haar akte wel details van vluchten vermeld, maar – na het verweer van de luchtvaartmaatschappijen dat dit uit de overgelegde documenten niet blijkt – niet (nader) toegelicht dat deze achterliggende partijen hebben betaald voor luchtvrachtvervoersdiensten. Dat de luchtvaartmaatschappijen op groepsniveau koppelingen hebben weten te maken met de BRG Database maakt dit alles niet anders; daarmee is immers niet gezegd dat ook deze twee achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen.
Atmel
4.36.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails met bijlagen (documenten Atmel 1 en Atmel 2);
- een HAWB (document Atmel 3).
4.37.
Equilib stelt dat de overgelegde HAWB ziet op een vlucht afgenomen door Amel Corporation als shipper. Uit de overige overgelegde gegevens blijkt dat de andere achterliggende Atmel-partijen dat deze in totaal USD 11 miljoen aan luchtvrachtvervoer hebben uitgegeven. Voor deze achterliggende partijen heeft geen details op transactieniveau kunnen achterhalen.
4.38.
Partijen zijn het erover eens dat Atmel Corporation mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.39.
Aangezien Equilib voor de overige achterliggende partijen er niet in is geslaagd om haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen, is de rechtbank met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat deze moeten afvallen; het betreft de volgende achterliggende partijen:
- Atmel Switzerland Sarl;
- Atmel Sarl;
- Atmel Automotive GmbH;
- Atmel Nantes SAS;
- Atmel Rousset SAS;
- ACP Test Company Inc (Philippines) en
- Atmel Norway AS.
Aux Fruits de Juvisy D.J.S.M.M. S.A.
4.40.
Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- facturen, waaronder een factuur voor een vlucht met KLM van Nairobi naar Roissy (document Aux Fruits De Juvisy 1).
4.41.
Partijen zijn het erover eens dat Aux Fruits de Juvisy D.J.S.M.M. S.A. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
BenQ Europe B.V.
4.42.
Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- een factuur van freight forwarder Panalpina voor een vlucht met Cargolux van Shanghai via Luxemburg naar Eindhoven (document BenQ 2);
- de bijbehorende HAWB (document BenQ 3).
4.43.
Partijen zijn het erover eens dat BenQ Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Betafence N.V.
4.44.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Betafence 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Betafence 2).
4.45.
Equilib stelt dat in het overgelegde Excel-bestand handmatig relevante details van door Betafence N.V. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten zijn vastgelegd. Het bestand beslaat de jaren 2005-2010 en bevat details van vluchten met vertrekplaats Brussel naar verschillende bestemmingen, zoals de naam van de luchtvaartmaatschappij, de datum en de naam van de freight forwarder. Het bestand bevat geen MAWB-nummers. Het als document 2 overgelegde screenshot betreft een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van Brussel naar Beirut op 16 december 2005 met Martinair. De gedetailleerde informatie past bij de bedrijfsactiviteiten van Betafence N.V. Hiermee heeft Equilib voldoende aangetoond dat Betafence N.V. in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. Uit de door de luchtvaartmaatschappijen overgelegde aanvullende producties 3 en 4 volgt dat ‘Betafence’ in 30 transacties als ‘shipper’ is opgenomen in de BRG Databae.
4.46.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde gegevens bevatten geen MAWB-nummer en geen gewicht, zodat verificatie van deze gegevens praktisch onmogelijk is.
4.47.
De rechtbank is van oordeel dat Betafence N.V.
Procesverloop
moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht en een voorbeeld gegeven van een concrete luchtvrachtvervoersdienst met vermelding van een aantal details, maar verzuimd de onderliggende documenten in het geding te brengen. Meer in het bijzonder heeft Equilib met betrekking tot geen enkele transactie (ook niet de door haar genoemde voorbeeldtransactie) een factuur in het geding gebracht of anderszins aangetoond dat Betafence N.V. ervoor heeft betaald. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat Equilib wel beschikt over relevante documenten.
BIC
4.48.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail met databestand (met details van fysieke facturen) (documenten BIC 1 en 2);
- databestand aangevuld met een tab waarop is aangegeven met welke luchtvaartmaatschappijen is gevlogen (op basis van een opgave van freight forwarders) (documenten BIC 3 en 4);
- een print van de tab met welke luchtvaartmaatschappij werd gevlogen (document BIC 5);
- een e-mail met de toezegging dat de oorspronkelijke facturen bewaard zouden blijven (document BIC 6);
- een e-mail uit 2015 met bijlagen met aanvullende data over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten BIC 7-11).
4.49.
Equilib stelt dat onder de naam ‘BIC’ Société BIC SA en haar dochtermaatschappijen hebben gecedeerd aan Equilib. BIC was reeds in 2013 niet in staat meer details te verstrekken, maar uit de overgelegde e-mails, het aan de hand van fysieke facturen opgestelde databestand (document BIC 2), aangevuld met informatie over de luchtvaartmaatschappij (document BIC 5), alsmede later verstrekte Excel-bestanden uit de eigen systemen van BIC met informatie over afgenomen luchtvracht blijkt duidelijk dat BIC luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Het databestand dat is overgelegd als document BIC 2 (aangevuld met document BIC 5) bevat veel details op transactieniveau die passen bij de activiteiten van BIC en die niet (kunnen) zijn verzonnen: datum, plaats van vertrek en aankomst, gewicht, prijs, freight forwarder en de luchtvaartmaatschappij waarmee werd gevlogen. Ook de later overgelegde databestanden (documenten BIC 8-11) bevatten eveneens details van afgenomen luchtvracht die niet zijn verzonnen: factuurnummers, freight forwarder, plaats van aankomst en datum. De zoekterm ‘BIC’ komt bovendien volgens de luchtvaartmaatschappijen 5.040 keer voor in het ‘shipper’ veld en 2.712 keer in het ‘consignee’ veld in de BRG Database. De in bestanden vermelde uitgaven zijn echter niet in alle gevallen toe te wijzen aan één entiteit binnen de groep van cedenten die onder de naam ‘BIC’ vorderingen hebben gecedeerd.
4.50.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken – zoals een air waybill of factuur – zijn overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde Excel-bestanden bevatten geen MAWB-nummers, geen data van vluchten (behoudens document 2) en geen gewicht, zodat verificatie van deze gegevens praktisch onmogelijk is. In document 2 worden verder slechts drie achterliggende partijen als betalende partij genoemd.
4.51.
Geoordeeld wordt dat de achterliggende partijen die onder de naam ‘BIC’ vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd, moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid documenten/data in het geding getracht, maar verzuimd (in haar aktes) aan te wijzen welke (passages in die) documenten/welke data zien op welke luchtvrachtvervoersdienst(en) van welke BIC-vennootschap(pen). Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- Société BIC SA;
- BIC UK Ltd;
- BIC Italia Spa;
- BIC Belgium Sprl;
- BIC Nordic AB;
- BIC Iberia SA;
- BIC Violex SA;
- BIC Graphics Europe SA; en
- BIC Services SASU.
Bluetenpracht
4.52.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een datasheet (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Bluetenpracht 2) met begeleidende e-mail (document Bluetenpracht 1);
- een screenshot van het voormalige ERP-systeem van Bluetenpracht (document Bluetenpracht 3).
4.53.
Equilib stelt dat uit de overgelegde e-mails, het door Bluetenpracht Frischblumen GmbH (de enige rechtspersoon die onder de naam ‘Bluetenpracht’ vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd) aan de hand van haar eigen administratie opgestelde databestand en het screenshot van haar voormalige ERP-systeem blijkt dat zij in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Document 2 bevat details als betalende entiteit (Bluetenpracht), AWB-nummer, datum, luchtvaartmaatschappij, totale kosten, plaats van vertrek en aankomst en gewicht. Onder vertrekluchthaven heeft Bluetenpracht in veel gevallen de naam van de freight forwarder opgenomen (TransSchryver Quito/Ecuador of DeijlCargo Quito/Ecuador. Document 3 bevat een screenshot van een transactie voor een vlucht vanuit Ecuador naar Amsterdam met KLM op 1 oktober 2001 met AWB-nummer 074-99578172 en charge weight 674 kg. Deze transactie is aan Bluetenpracht gefactureerd voor (omgerekend) EUR 1.322,98. Deze vlucht is tevens opgenomen in het als document 2 overgelegde document op regel 269 en document 4 bevat een print van deze transactie. Bovendien blijkt dat (in ieder geval) één transactie uit het databestand tot een succesvolle koppeling met de BRG Database heeft geleid.
4.54.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen stukken – zoals een air waybill of factuur – zijn overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevestigt het screenshot ook niet dat Bluetenpracht Frischblumen GmbH de shipper of consignee is en evenmin wat de plaats van vertrek is. Uit de overgelegde e-mails volgt slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib.
4.55.
De rechtbank is van oordeel dat Bluetenpracht Frischblumen GmbH mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd, en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. De luchtvaartmaatschappijen hebben bijvoorbeeld de juistheid van in document Bluetenpracht 2 opgenomen vluchtgegevens niet betwist. Evenmin hebben zij betwist dat de door Equilib bij wijze van voorbeeld genoemde luchtvrachtvervoersdienst aan Bluetenpracht is gefactureerd, zoals door Equilib expliciet is gesteld. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen.
Blumex
4.56.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met British Airways van Amsterdam naar New York (document Blumex 5).
4.57.
Partijen zijn het erover eens dat Import Blumex Export B.V.
Procesverloop
mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
[naam 61]
4.58.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een factuur voor een vlucht met Martinair van Nairobi naar Amsterdam, met een factuur specificatie met onder meer het MAWB nr. (document [naam 61] 2).
4.59.
Partijen zijn het erover eens dat [naam 61] & Co International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Campo International
4.60.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een AWB voor een vlucht met Martinair van Juan Santamaria naar Amsterdam (document Campo International 2).
4.61.
Partijen zijn het erover eens dat Campo International B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Canon groep
4.62.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een (H)AWB van 8 september 2005 voor vlucht KL9358 met KLM van Tokyo naar Amsterdam (document Canon 1);
- een print van de Canon database (document Canon 2);
- een (H)AWB van 28 april 2005 voor een vlucht met KLM van Tokyo naar Amsterdam (document Canon 3).
4.63.
Partijen zijn het erover eens dat Canon Inc. en Canon Europe B.V. mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Castelijn en Beerens
4.64.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met vlucht-specifieke transactiegegevens (document Castelijn en Beerens 2) en begeleidende e-mail (document Castelijn en Beerens 1);
- een screenshot van dat Excel-bestand (document Castelijn en Beerens 3).
4.65.
Equilib stelt dat Castelijn en Beerens B.V. met haar een bestand heeft gedeeld waarin handmatig alle details van beschikbare facturen zijn vastgelegd (document 2), die zien op door haar in de jaren 2005-2007 afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten. Het databestand bevat gegevens op vluchtniveau als de datum, het vluchtnummer, de plaats van vertrek en aankomst, het gewicht, de freight forwarder en het HAWB-nummer. Document 3 ziet op een luchtvrachtvervoersdienst voor een transport van Kolkata naar Amsterdam op 16 augustus 2005 met vermelding van het AWB-nummer 020-34818663 en Castelijn en Beerens B.V. als betalende partij (‘paying party’).
4.66.
De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs (zoals AWB of factuur) is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot onvoldoende zijn. Die documenten bevatten bovendien nagenoeg geen MAWB-nummers waardoor verificatie van de gegevens praktisch niet uitvoerbaar is. Bovendien blijkt uit de stellingen van Equilib dat Castelijn en Beerens onderliggende documentatie beschikbaar heeft die zij niet in het geding heeft gebracht; Castelijn en Beerens heeft het Excel-bestand immers handmatig ingevuld aan de hand van de beschikbare facturen. Hieruit volgt dat er wel degelijk facturen beschikbaar zijn, maar dat Equilib er om onnavolgbare redenen voor heeft gekozen geen enkele factuur over te leggen. Uit de overgelegde e-mails blijkt slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib.
4.67.
Geoordeeld wordt dat deze achterliggende partij moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht en een voorbeeld gegeven van een concrete luchtvrachtvervoersdienst met vermelding van een aantal details, maar verzuimd de onderliggende documenten in het geding te brengen. Meer in het bijzonder heeft Equilib met betrekking tot geen enkele transactie (ook niet de door haar genoemde voorbeeldtransactie) een factuur in het geding gebracht of anderszins aangetoond dat Castelijn en Beerens B.V. voor luchtvracht heeft betaald. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat Equilib wel beschikt over relevante documenten. Zij stelt immers zelf dat in het Excel-bestand handmatig alle details van beschikbare facturen zijn vastgelegd.
Chanjema Flowers en Ngong Roses
4.68.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 1);
- overzichten (Excel-bestanden) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten van Chanjema Flowers (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 2) en van Ngong Roses (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 3);
- een AWB (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 4);
- een factuur (document Chanjema Flowers en Ngong Roses 5);
- een e-mail van [naam 62] (productie 3 bij akte van repliek);
- een set documenten met betrekking tot een luchtvrachtvervoersdienst, waaronder een HAWB en een factuur met de tekst “INVOICE FOR CHANJEMA” (productie 4 bij akte van repliek);
- een set documenten met betrekking tot een luchtvrachtvervoersdienst, waaronder een AWB, een factuur gericht aan Ngong Roses C/O Veiling Flora AFD Import en een export certificaat (productie 5 bij akte van repliek).
4.69.
Equilib heeft deze documenten – voor zover van belang – als volgt toegelicht. Beide achterliggende partijen (Chanjema Flowers Ltd. en Ngong Roses Ltd.) zijn in Kenia gevestigde bedrijven onder hetzelfde management die bloemen naar de veiling in Nederland exporteerden. Chanjema Flowers Ltd. heeft alleen gedurende de jaren 2002-2004 gebruik gemaakt van luchtvracht (document 1). In die jaren is geen gebruik gemaakt van Ngong Roses Ltd. De kosten voor de luchtvracht werden door de inklaringsagent betaald en door de veiling namens de achterliggende partijen aan die agent terugbetaald. Vervolgens werden die kosten door de veiling op de opbrengst van de geveilde bloemen in mindering gebracht, zodat de achterliggende partijen uiteindelijk de kosten droegen.
Procesverloop
Equilib verwijst hiertoe naar de overlegde e-mail van [naam 62] (productie 3), waarin staat:
“(…) In all cases, the freight were deducted at source by the consignees from the flower sales proceeds of the supplier (Ngong Roses and Chanjema Flowers) and paid on their behalf to the clearing agents who would have paid the airlines on collect basis during clearing of the consignment.
The invoicing was organized in such a way that the consignee contracted the clearing agents to pay the freight charges on collect basis and invoice the consignor/supplier through the consignee. The consignee would in return recover the freight charges from the sales proceeds of the supplier to reimburse/pay the clearing agent. Ultimately, the consignor/supplier (Ngong Roses and Chanjema Flowers) paid for the freight charges. (…)”
In documenten 2 en 3 zijn zendingen opgenomen met gedetailleerde informatie als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het gewicht, de totale kosten en de brandstoftoeslag. Producties 4 en 5 zien op specifieke luchtvrachtvervoersdiensten voor Chanjema Flowers Ltd. respectievelijk Ngong Roses Ltd. Productie 4 heeft Equilib als volgt nader toegelicht. Productie 4 bevat onder meer een HAWB voor een vlucht met Martinair van Nairobi naar Amsterdam op 8 september 2004 met vermelding van het MAWB-nummer, het HAWB-nummer en het gewicht alsmede ‘Chanjema” als agent/shipper. Verder staat op de HAWB vermeld dat de kosten voor luchtvracht ‘as agreed’ in rekening zullen worden gebracht via ‘collect’. Productie 4 bevat verder brieven van Airflo aan Chanjema Flowers Ltd., waarin de nieuwe kosten voor luchtvracht worden besproken en een factuur van de inklaringsagent aan Fleuro Plus B.V. (de veiling), met daarop de vermelding van de kosten voor de luchtvracht en de vermelding dat de kosten uiteindelijk aan Chanjema Flowers Ltd. in rekening zullen worden gebracht aan de hand van de tekst: “INVOICE FOR CHANJEMA”.
4.70.
De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Chanjema Flowers Ltd. de enige rechtspersoon (cedent) is die vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd. Uit de als document 1 overgelegde e-mail volgt dat Chanjema Flowers Ltd. zelf stelt dat zij alleen in de jaren 2002-2004 luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen (terwijl Equilib voor de schatting van de VoC van Chanjema Flowers Ltd. ook cijfers uit de jaren 1999, 2000, 2005-2008 heeft opgevoerd). Voorts hebben zij (bij antwoordakte) aangevoerd dat de aanvankelijk overgelegde documenten onvoldoende zijn. Bij dupliek hebben de luchtvaartmaatschappijen hieraan toegevoegd dat uit de bij repliek gegeven toelichting niet kan worden opgemaakt dat de AWB die als document Chanjema Flowers en Ngong Roses 4 is overgelegd via een inklaringsagent is gelopen, zoals Equilib stelt. Ten aanzien van de bij repliek als productie 4 ingebrachte documenten merken de luchtvaartmaatschappijen het volgende op:
- uit de overgelegde House AWB valt geen master AWB# af te leiden, waardoor verificatie door de luchtvaartmaatschappijen ernstig wordt bemoeilijkt;
- uit de HAWB blijkt dat Chanjema Supermarkets in plaats van Chanjema Flowers Ltd. de shipper is;
- uit de andere overgelegde documenten blijkt niet dat Chanjema Flowers Ltd. degene is die de uiteindelijke factuur ontvangt omdat consequent is geadresseerd aan Chanjema.
4.71.
Geoordeeld wordt dat Ngong Roses Ltd. niet meedoet in (het vervolg van) deze procedures. De luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat deze rechtspersoon helemaal geen vorderingen aan Equilib heeft gecedeerd en Equilib heeft vervolgens niet beweerd (laat staan aangetoond) dat dit onjuist is, bijvoorbeeld door verwijzing naar de lijst met cedenten (of de akte van cessie). De door Equilib met betrekking tot deze rechtspersoon overgelegde documenten behoeven dan ook geen nadere bespreking.
4.72.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank evenwel van oordeel dat Chanjema Flowers Ltd. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Met de als productie 4 overgelegde documenten heeft Equilib voldoende toegelicht dat Chanjema Flowers Ltd. tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode en daarvoor heeft betaald. De luchtvaartmaatschappijen hebben dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Niet gesteld of gebleken is dat er een andere vennootschap met de naam ‘Chanjema’ bestaat, zodat er op dit moment vanuit gegaan moet worden dat met ‘Chanjema Supermarkets’ en ‘Chanjema’ de rechtspersoon (en achterliggende partij) Chanjema Flowers Ltd. is bedoeld.
Chico Nederland B.V.
4.73.
Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- een factuur van freight forwarder BREX voor een vlucht met Martinair van Guatamala naar Amsterdam (document Chico 1);
- een (H)AWB van 28 april 2005 voor een vlucht met KLM van Tokyo naar Amsterdam (document Chico 3).
4.74.
Partijen zijn het erover eens dat Chico Nederland B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Coast Seafood AS
4.75.
Equilib heeft voor zover van belang het volgende document overgelegd:
- een (verzamel)factuur van freight forwarder Norther Cargo AS voor een vlucht met Lufthansa van Oslo naar Hong Kong (document Coast Seafood 2).
4.76.
Partijen zijn het erover eens dat Coast Seafood AS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Daimler AG
4.77.
Equilib heeft voor zover van belang de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Daimler 1);
- een screenshot met data (document Daimler 2);
- documenten behorende bij een vlucht met Lufthansa van Frankfurt naar Viracopos, waaronder een factuur van freight forwarder Karl Heins Dietrich GmbH en de bijbehorende (H)AWB (document Daimler 4).
4.78.
Partijen zijn het erover eens dat Daimler AG mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Dell
4.79.
Volgens Equilib hebben onder de naam ‘Dell’ de rechtspersonen Dell Inc.
Procesverloop
en (indirect) Dell Products (Ireland) vorderingen aan Equilib gecedeerd.
4.80.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- informatie uit de eigen systemen van Dell over het gebruik van luchtvracht met de begeleidende e-mail waarin ook de activiteiten van Dell worden toegelicht (document Dell 1);
- bestanden met informatie over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Dell 2 tot en met 5)
4.81.
Equilib heeft deze documenten als volgt toegelicht. Document 1 de door de Dell met haar gedeelde informatie bevat met een opgave van de daadwerkelijke kosten voor transport op basis van haar ‘Freight Cost Calculator tool’ (FCC) die Dell Products (Ireland) – hierna: Dell Ireland – in november 2005 in gebruik nam. Voor eerdere jaren is geen data beschikbaar en is aan de hand van extrapolatie een inschatting van luchtvrachtkosten gemaakt. Document 2 (‘S. Africa Working’) ziet op luchtvrachtkosten voor Dell Ireland vanuit het Verenigd Koninkrijk en vanuit Nederland naar Zuid-Afrika. Tab 1 van dit document betreft een toelichting hierop van de EMEA Freight & Logistics Manager van Dell, waarin hij aangeeft dat 80% van de transporten voor Zuid-Afrika uit het Verenigd Koninkrijk zullen zijn verscheept en 20% vanuit Nederland. Tab 2 (‘FCC’) bevat de informatie over de jaren 2005 en 2006 vastgelegd in het FCC. Document 3 (‘AE Working’) bevat een toelichting op de FCC data voor transporten van Dell Ireland naar de Verenigde Arabische Emiraten en documenten 4 (‘KSA Working’) en 5 (‘Israel Working’) bevatten vergelijkbare bestanden voor transporten vanuit Nederland naar respectievelijk Saudi Arabië en Israël. De EMEA Freight & Logistics Manager geeft in deze bestanden met data over (deels) 2005 en 2006 aan dat de volumes in voorgaande jaren vergelijkbaar zullen zijn geweest. Uit de bestanden die afkomstig zijn uit de eigen administratie van Dell is in veel gevallen alleen de freight forwarder opgenomen en is niet op te maken met welke luchtvaartmaatschappij is gevlogen. Het gaat voor Dell in de kartelperiode om in zeer vele vluchten vanaf Amsterdam naar de hiervoor genoemde landen. Gelet op het hoge marktaandeel op Schiphol van KLM en de aanwezigheid op deze luchthaven van een groot aantal karteldeelnemers, is het onmogelijk dat Dell niet ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
4.82.
De luchtvaartmaatschappijen stellen allereerst dat van de groep ‘Dell’ twee rechtspersonen vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd: Dell Inc. en Dell Ireland, en voeren aan dat ten aanzien van Dell Inc. geen (nadere) stellingen zijn ingenomen of stukken zijn overgelegd. Verder is ten aanzien van Dell Ireland geen direct bronbewijs overgelegd en zijn de overgelegde Excel-bestanden onvoldoende. Bovendien blijkt uit de overgelegde e-mails slechts wat naar schatting de bestede kosten aan luchtvrachtvervoersdiensten zouden zijn geweest voor de periode van 1999-2006.
4.83.
De rechtbank is van oordeel dat Dell Inc. en Dell Products (Ireland) moeten afvallen in het vervolg van deze procedures. Voor Dell Inc. zijn inderdaad geen (nadere) stellingen zijn ingenomen of stukken overgelegd. Ook Dell Products (Ireland) moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Diramode
4.84.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd afkomstig van Diramode S.A.:
- een e-mail van het hoofd van de logistieke afdeling van Diramode (document Diramode 1);
- een print van een selectie van het overzicht van transacties waarin luchtvaartmaatschappijen worden genoemd (document Diramode 2);
- een print van een selectie van details van facturen uit 2005 (document Diramode 3);
- twee pagina’s uit het uittreksel voor oprichting van Diramode S.A. (productie 6 bij conclusie van repliek);
- een HAWB uit 2021 (productie 7 bij conclusie van repliek).
4.85.
Equilib heeft deze documenten als volgt toegelicht. Diramode S.A. zit achter het modebedrijf Pimkie en gebruikt de naam ‘Pimkie’. Pimkie had ten tijde van het kartel vier distributiecentra in Europa: in Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië. Die distributiecentra zijn in 2007 ondergebracht in Diramode S.A. Vanaf toen werden alle zendingen verstuurd naar het distributiecentrum in Duitsland en werd Diramode S.A. gefactureerd (verwezen wordt naar document 1). Aan de hand van haar ERP-systeem heeft Diramode S.A. een overzicht gemaakt van haar uitgaven aan transportkosten. Het gaat om grote aantallen facturen van freight forwarders. Diramode S.A. beschikte niet meer over data van voor 2005. In het databestand staan de kolommen ‘container’ en ‘vessel’, hetgeen gebruikelijk is voor zeevervoer. Document 2 ziet op transacties waarbij de luchtvaartmaatschappij is vermeld, waaronder Cargolux en KLM. Dat het om luchtvracht gaat en niet om zeevervoer komt ook overeen met de vertrek- en aankomstdatum en de kosten per gewichtseenheid. Document 3 ziet op leveringen aan de Pimkie centrales in Frankrijk, Duitsland en Spanje. Het overzicht bevat details van facturen uit 2005. De details (doorlooptijd en kosten) komen overeen met de details van de facturen waarbij wel een luchtvaartmaatschappij is opgegeven. Hiermee wordt aangetoond dat Diramode S.A. in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen. Daarbij is onmogelijk dat bij de grote aantallen transacties van Diramode S.A. geen vlucht naar Europa met een van de luchtvaartmaatschappijen zit. Dit blijkt ook wel uit het doel van Diramode: “fabrication de tous textiles naturels ou artificiels, l’achet et la vente en gros et en detail de tous articles de lingerie et mercerie” (producties 6). Als productie 7 heeft Equilib een recente air waybill voor Diramode overgelegd.
4.86.
De luchtvaartmaatschappijen stellen hier, voor zover (nog) relevant het volgende tegenover. uit productie 6 niet blijkt dat voor het voldoen aan het doel van Diramode S.A. luchtvrachtvervoersdiensten (moeten) worden afgenomen of dat die afgenomen zijn. Verder roept die productie de vraag op in hoeverre op de eerder overgelegde verklaring (waarin staat: “After 2007 we created Diramode”) en de eerder overgelegde stukken kunnen worden vertrouwd zonder dat enige verificatie mogelijk is. De overgelegde HAWB is ook onvoldoende omdat het AWB-nummer daarop ontbreekt en de HAWB buiten de (volgens Equilib) relevante periode valt.
4.87.
De rechtbank is van oordeel dat Diramonde S.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Electrolux
4.88.
Equilib heeft de volgende documenten overgelegd, voor zover van belang:
- e-mails (documenten Electrolux 1, 3, 5 en 6);
- een pdf-bestand met een overzicht van de verschillende entiteiten (document Electrolux 1, 2);
- een PowerPoint met een overzicht van de verschillende freight forwarders (document Electrolux 4);
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Electrolux 7);
- pdf-bestanden en Excel-bestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten over de jaren 2008, 2009 en 2010 (documenten Electrolux 9, 10 en 11).
4.89.
Equilib stelt dat Electrolux vooral gebruik maakt van luchtvracht voor het verzenden van (reserve)onderdelen vanuit fabrieken.
Procesverloop
De Electrolux-entiteiten waar in de relevante periode de productie plaatsvond hebben vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen aan Equilib gecedeerd. In 2010 heeft Electrolux een overzicht opgesteld van de (Europese) groepsmaatschappijen die mogelijk gebruik hadden gemaakt van luchtvracht in de kartelperiode. Electrolux kon op dat moment niet met zekerheid vaststellen welke entiteiten in welke mate luchtvrachtvervoersdiensten hadden afgenomen, omdat goede data hiervoor niet beschikbaar was (zie de als document Electrolux 1 overgelegde e-mail). Gedurende de kartelperiode werden dat luchtvrachtvervoersdiensten ingekocht bij zeker 24 freight forwarders (zie document 4) en dat veel details met betrekking tot deze diensten niet werden vastgelegd. De beschikbare bestanden beslaan de periode 2005-2010 en de oudste daarvan bevatten slechts de route op landniveau, het totaal aantal zendingen en het totale gewicht. De data voor 2008/2009 geeft de route op plaatsniveau, het aantal zendingen en het totale gewicht. Het bestand voor 2010 bevat details op transactieniveau, zoals HAWB-nummer, datum, plaats van vertrek en bestemming, shipper, consignee, paying entity, incoterms en kosten, maar geen aanduiding van met welke luchtvaartmaatschappij is gevlogen. Equilb heeft de freight forwarders om informatie gevraagd. Alleen freight forwarder ScanGlobal heeft een bestand verstrekt met details van een groot aantal luchtvrachttransacties die door Electrolux Laundry Systems AB (Zweden) zijn betaald. Twee andere freight forwarders (Dimenco en K+N) hebben gegevens met de Electrolux groep gedeeld over de jaren 2000-2006 met details (AWB-nummers), maar geen duidelijke koppeling aan een achterliggende partij. Als document Electrolux 9 heeft Equilib data overgelegd over 2008 en 2009. Vertrek- en aankomstplekken die hierin veel voorkomen komen overeen met de steden waar Electrolux fabrieken heeft. EU-inbound routes in dit bestand (zie document Electrolux 10) hadden in veel gevallen als bestemming steden in Hongarije en Polen waar Electrolux ook fabrieken heeft. In de 2010 datapack (document Electrolux 11) zijn hiervoor ook aanwijzingen te vinden, want daarin is een groot aantal Electrolux-entiteiten als ‘paying entity’ opgenomen.
4.90.
Equilib heeft met betrekking tot de volgende entiteiten nog nader toegelicht dat deze luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen:
Electrolux Laundry Systems (Sweden) AB
4.90.1.
Equilib heeft toegelicht dat document Electrolux 7 (gegevens afkomstig van ScanGlobal) hoofdzakelijk details bevat van luchtvrachtvervoersdiensten die zijn betaald door Electrolux Laundry Systems (Sweden) AB. Uit het bestand volgt dat 95% van de transacties zien op vluchten ‘carriage paid’(CPT) vanaf Malmö (Zweden) en het bestand noemt als opdrachtgever ‘Electrolux Laundry Systems’. Uit dit bestand heeft Equilib als voorbeeld gelicht de transactie op de eerste regel. Dit betreft een transport met Scandinavian Airlines (AWB-nummer 11744941935) van Tokyo naar Stockholm met datum 14 april 2005. Het bestand bevat nog veel meer transacties voor deze entiteit (en ook voor Electrolux Logistics AB en Electrolux AB, zie kolom J ‘ORDREGIVER’ – maar dit heeft Equilib niet verder geconcretiseerd, rb).
Electrolux Filter AB
4.90.2.
Als document Electrolux 8 heeft Equlib een factuur overgelegd van K+N gericht aan Electrolux Filter AB voor een transport van 146 pakketten ‘dustbags’ van in totaal 1.424 kg met vlucht KL/8160 van Gothenburg naar Shanghai op 6 oktober 2004 met MAWB nr. 074-46194606 (KLM); de fuel charge en de security surcharge zijn op deze factuur apart opgenomen.
4.91.
De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Equilib in haar akte ook Electrolux-entiteiten opvoert die geen cedent zijn en dat zij aan de andere kant twee cedenten (Electrolux Austria GmbH en Electrolux Limitada) geheel onbesproken laat. Deze laatste twee vennootschappen moeten dus in ieder geval afvallen. Uit de als document Electrolux 8 overgelegde factuur kan worden afgeleid dat Electrolux Filter AB de daarin genoemde luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
4.92.
Voor het overige voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat geen direct bronbewijs (AWB’s of facturen) is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden, pdf-bestanden en andere documenten onvoldoende zijn. Zij lichten dit als volgt nader toe. Voor een belangrijk deel bevatten deze bestanden gegevens over de periodes 2009-2009 (documenten Electrolux 9 en 10) of 2010 (document Electrolux 11), waardoor deze niet zien op de relevante periode. Uit de als documenten 1 en 2 overgelegde e-mails volgt slechts een overzicht van entiteiten die – in de woorden van Equilib – “mogelijk gebruik hebben gemaakt van luchtvracht gedurende de kartelperiode”. In de als document 3 overgelegde e-mail staat: “For your information As we repeatedly have explained to CFI we do not have any centralised records for air cargo purchases prior to July 2006. We simply do not know which entities bought how much air cargo from which freigt forwarder or airlines.” Daaruit blijkt dat de Electrolux groep kennelijk afhankelijk is van freight forwarders om details over luchtvracht te achterhalen en dat zij zelf niet in staat is vast te stellen welke entiteiten welke hoeveelheid luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen voor 2006.
Uit de als document 5 overgelegde e-mail volgt slechts dat een derde partij aangeeft dat zij freight forwarders zal gaan verzoeken om data, waarop freight forwarder ScanGlobal een aantal documenten heeft verstuurd (document 6). Uit document 4 volgt ook niet dat de achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Dit document bevat namen van ongeveer 24 freight forwarders, maar toont niet aan dat Electrolux daadwerkelijk met deze freight forwaders heeft gewerkt.
4.93.
Partijen zijn het erover eens dat Electrolux Filter AB mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.94.
Anders dan de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor Electrolux Laundry Systems (Sweden) AB. Ook voor deze achterliggende partij heeft Equilib een concrete toelichting gegeven en concrete gegevens met betrekking tot een specifieke luchtvrachtvervoersdienst verstrekt, de juistheid waarvan de luchtvaartmaatschappijen niet hebben betwist (zij hebben deze geheel onbesproken gelaten).
4.95.
De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat de overige (hierna te noemen) achterliggende partijen moeten afvallen, omdat ten aanzien van een groot aantal daarvan in het geheel geen (nadere) specifieke stellingen ingenomen of stukken zijn overgelegd en Equilib er in ieder geval niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Met haar stelling dat de conclusie van de luchtvaartmaatschappijen dat deze partijen moeten afvallen is gebaseerd op de bestudering van slechts een enkel document (document Electrolux 7) miskent Equilib dat het aan haar is de door haar overgelegde documenten de duiden (de wegwijsplicht) en het niet aan de gedaagden (en de rechtbank) is om daar zelf in te gaan zoeken.
Procesverloop
Het betreft de volgende achterliggende partijen):
- Electrolux AB;
- Electrolux Rothenburg GmbH Factory and Development;
- Electrolux AG;
- Electrolux Belgium N.V. (ook: Electrolux Belgium S.A.);
- Electrolux d.o.o.;
- Electrolux Dayanikli Tüketim Mamülleri Sanayi ve Ticarect A.S. (Electrolux A.S.);
- Electrolux Distriparts AB;
- Electrolux Estonia Ltd.;
- Electrolux Floor Care and Light Appliances AB;
- Electrolux Group (Ireland) Ltd.;
- Electrolux Hausgeräte Vertriebs GmbH;
- Electrolux Hellas S.A.;
- Electrolux Hemprodukter AB;
- Electrolux Home Products (Nederland) B.V.;
- Electrolux Home Products Corporation N.V.;
- Electrolux Home Products Denmark A/S;
- Electrolux Home Products Espana S.A.;
- Electrolux Home Products France SAS;
- Electrolux Home Products Italy SPA;
- Electrolux Home Products Norway AS;
- Electrolux Latvia Ltd.;
- Electrolux Professional A/S;
- Electrolux Laundry Systems France SNC;
- Electrolux LDA SNC;
- Electrolux Lehel Hiitogepgyar Kft.;
- Electrolux Ljubljana d.o.o;
- Electrolux LLC;
- Electrolux Logistics AB;
- Electrolux Logistics GmbH;
- Electrolux Logistics Italy S.p.A.;
- Electrolux Logistics SAS;
- Electrolux Ltda;
- Electrolux Professional AB;
- Electrolux Professional AG;
- Electrolux Professional AS;
- Electrolux Professional B.V.;
- Electrolux Professional GmbH;
- Electrolux Professional Oy;
- Electrolux Professional S.p.A.;
- Electrolux Professional, S.A.;
- Electrolux Professionnel SAS;
- Electrolux s.r.o.;
- Electrolux Schwanden AG;
- Electrolux Service GmbH;
- Electrolux Slovakia s.r.o.;
- LLC Electrolux Rus;
- SC Electrolux Romania SA;
- UAB Electrolux;
- Oy Electrolux AB;
- Electrolux Luxembourg S.a r.L;
- Electrolux Deutschland GmbH;
- Electrolux Poland Spolka z o.o.;
- Electrolux Espana S.A.U.;
- Electrolux IT Solutions AB;
- Electrolux Home AB;
- Electrolux AG;
- Electrolux Plc;
- Electrolux Austria GmbH.
EMC
4.96.
Equilib stelt dat de enige EMC-vennootschappen die vorderingen aan haar hebben gecedeerd EMC Information Systems International en (indirect) moedermaatschappij EMC Corporation zijn. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens uit 2006/2007 over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document EMC 2) met de begeleidende e-mails (document EMC 1);;
- een print met een selectie van het Excel-bestand (document EMC 3).
4.97.
Equilib stelt dat de EMC groep slechts over gedetailleerde gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten vanaf 2006 beschikte op basis van bestanden die zij verkreeg van Trax Technology, een externe dienstverlener voor het managen van transportkosten. Uit de overgelegde overzichten volgt steeds de datum van de verzending, de plaats van verzending, de bestemming, de kosten, het HAWB-nummer en soms het MAWB-nummer. Aan de hand van deze overzichten zijn schattingen gemaakt voor de jaren waarvoor data ontbrak. Document 3 bevat een selectie van een aantal transacties die zien op transporten van Cork (Ierland) waar moedermaatschappij EMC Corporation is gevestigd, naar Frankrijk, waaronder een zending op 6 juli 2007 met Air France naar Parijs met vermelding van het AWB-nummer (057-83074412) en een onderverdeling van de kosten. Ten slotte voert Equilib aan dat de term ‘EMC’ voorkomt in de BRG Database (verwezen wordt naar aanvullende producties 3 en 4 van de luchtvaartmaatschappijen) en dat de luchtvaartmaatschappijen ten minste één transactie voor EMC hebben kunnen matchen met de Database.
4.98.
De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Equilib eerder ook EMC Computer Systems AG als cedent heeft opgevoerd, maar dat zij deze rechtspersoon thans volledig onbesproken laat. Deze entiteit zal dus in ieder geval moeten afvallen. Volgens de luchtvaartmaatschappijen blijven er dan nog twee cedenten (achterliggende partijen) over: EMC Corporation en EMC Information Systems International. Zij voeren voorts aan dat (ook) voor deze achterliggende partijen geen direct bronbewijs (AWB’s of facturen) is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en de print alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Bovendien bevestigen die bestanden niet dat het gaat om in de relevante periode door de achterliggende partijen zelf afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails slechts dat bepaalde gegevens zijn verstrekt. De in de als document EMC 3 overgelegde print opgenomen gegevens bevestigen niet dat het gaat om door een van de twee EMC cedenten zelf afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten; er wordt namelijk niet vermeld door welke entiteit de luchtvrachtvervoersdiensten zijn afgenomen: nergens wordt verwezen naar EMC Corporation of EMC Information Systems International.
4.99.
Geoordeeld wordt dat evident is dat EMC Computer Systems AG moet afvallen in het vervolg van deze procedures omdat Equilib voor deze entiteit geen (nadere) stellingen heeft ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat ook EMC International Information Systems International en EMC Corporation moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. De luchtvaartmaatschappijen hebben terecht aangevoerd dat de omstandigheid dat de zoekterm ‘EMC’ een match oplevert met de gegevens in de BRG Database niet voldoende is, nu er meerdere EMC-vennootschappen zijn (die bovendien niet allemaal vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd).
Ericsson
4.100. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- het jaarverslag over 2002 en een vertaling daarvan (documenten Ericsson 1 en 2);
- een overzicht van totaalbedragen uitgegeven aan luchtvrachtvervoer op basis van gegevens afkomstig van freight forwarder Panalpina (document Ericsson 3);
- e-mails inzake kosten voor het scannen en handmatig verwerken van informatie uit de gearchiveerde stukken (document Ericsson 4);
- een notitie van DHL (document Ericsson 5);
- drie databestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten afkomstig van DHL(documenten Ericsson 6, 7 en 8; de ‘DHL-bestanden’).
4.101. Equilib heeft toegelicht dat verreweg de grootste afnemer van luchtvrachtvervoersdiensten binnen de Ericsson-groep Ericsson AB is (mede als rechtsopvolger van Ericsson Radio Systems AB) en dat daarnaast de volgende andere entiteiten met relevante uitgaven aan luchtvracht vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd:
- Ericsson Telecom AB (Zweden);
- Ericsson South Africa (pty) Limited (Zuid-Afrika);
- Ericsson Inc. (Verenigde Staten);
- Ericsson Shared Services AB (Zweden);
- Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. (China) en
- Ericsson Telekomünikasyon Anonim Sirket (Turkije).
Equilib stelt dat uit de overgelegde digitale data, waaronder informatie van verschillende freight forwarders, blijkt dat alle achterliggende partijen luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode. Per entiteit heeft Equilib dit als volgt toegelicht:
Ericsson AB
4.101.1. Equilib heeft een aantal AWB’s, opgesteld door Panalpina, overgelegd (document Ericsson 9), waaronder een AWB van 2002 voor een vlucht met KLM en een AWB van 30 december 2002 voor een vlucht met Air France. Dat Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd.
Procesverloop
(bedoeld zal zijn Ericsson AB, rb) de kosten voor deze vlucht heeft betaald volgt uit de notitie “prepaid”.
Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd.
4.101.2. Equilib heeft een aantal AWBs, opgesteld door Panalpina, overgelegd (document Ericsson 10), waaronder een AWB van 2 januari 2003 voor een vlucht met Martinair en een AWB van dezelfde datum voor een vlucht met Lufthansa. De consignee is “Nanjing Ericsson Com. Ltd, waarmee gedoeld wordt op Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. Dat laatstgenoemde entiteit de kosten voor deze vlucht heeft betaald volgt uit de notitie “freight collect”.
Ericsson Telecom AB en Ericsson Shared Services AB
4.101.3. Uit de DHL-bestanden (documenten 6, 7 en 8) volgt dat deze entiteiten luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. Voor Ericsson Telecom AB wordt dit inzichtelijk gemaakt in een print van een selectie van een van de DHL-bestanden die als document Ericsson 11 is overgelegd en voor Ericsson Shared Services AB met een print van een selectie van die bestanden die als document Ericsson 12 is overgelegd.
Ericsson South Africa (pty) Limited, Ericsson Inc. en Ericsson Telekomünikasyon Anonim Sirket
4.101.4. Met de DHL-bestanden is aangetoond dat deze drie entiteiten een groot aantal luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen; dit blijkt verder uit de documenten Ericsson 13, 14 en 15).
4.102. De luchtvaartmaatschappijen erkennen dat Ericsson AB en Nanjing Ericsson Panda Communications Company Ltd. ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode en mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.103. Ten aanzien van de andere achterliggende partijen voeren de luchtvaartmaatschappijen aan geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze entiteiten luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen. De overgelegde (screenshots van de) Excel-bestanden zijn hiervoor onvoldoende. De omstandigheid dat een succesvolle koppeling met de BRG Database heeft plaatsgevonden zegt ook niets, want die koppeling zag op gegevens die zijdens Ericsson op groepsniveau waren overgelegd en niet op het niveau van individuele achterliggende partijen.
4.104. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat de overige (hierna te noemen) achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen in haar aktes (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft voor deze achterliggende partijen verwezen naar (prints van) bestanden, maar heeft niet geconcretiseerd in haar aktes welke transacties in die (prints van) bestanden haar stelling dat een luchtvrachtvervoersdienst is afgenomen onderbouwen. Het is niet aan de rechtbank om in de betreffende stukken op zoek te gaan naar concrete transacties en de benodigde gegevens bij elkaar te zoeken; Equilib heeft niet aan haar wegwijsplicht voldaan Dit betreft de volgende achterliggende partijen:
- Ericsson Telecom AB;
- Ericsson South Africa (pty) Limited;
- Ericsson Inc.;
- Ericsson Shared Services AB;
- Ericsson Telekomünikasyon Anonim Sirket.
Eurochoice
4.105. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Eurochoice B.V. 1);
- een Excel-bestand met details van beschikbare facturen (document Eurochoice B.V. 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Eurochoice B.V. 3).
4.106. Equilib heeft toegelicht dat Eurochoice B.V. in het als document 1 overgelegde bestand handmatig alle details van beschikbare facturen heeft vastgelegd. In het overgelegde screenshot staat een groot aantal transacties inzake vluchten met KLM, waaronder tweemaal een transport van Amsterdam naar Bangkok op 1 januari 2003 met vermelding van het AWB-nummer (074-21700803). Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.107. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand onvoldoende is. Het Excel-bestand bevat geen informatie over de datum en het gewicht en uit de overgelegde e-mails volgt slechts dat Eurochoice B.V. een Excel-bestand heeft verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd., de litigation funder van Equilib. Voor Eurochoice B.V. zijn geen transactiegegevens verstrekt die verifieerbaar zijn en voldoende overeenkomen met de gegevens in de BRG Database. De enkele omstandigheid dat de zoekterm “Eurochoice” resultaten oplevert is onvoldoende om aan te nemen dat Eurochoice B.V. zelf in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen, aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.
4.108. De rechtbank is van oordeel dat Eurochoice B.V. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel een grote hoeveelheid data in het geding getracht, maar verzuimd de onderliggende documenten in het geding te brengen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, mede omdat alles erop duidt dat Equilib wel beschikt over relevante documenten. Zij stelt immers zelf dat in het Excel-bestand handmatig alle details van beschikbare facturen zijn vastgelegd. Ook heeft Eurochoice weliswaar twee transporten van Amsterdam naar Bangkok als voorbeeld genoemd onder vermelding van een AWB-nummer, maar nagelaten toe te lichten op grond waarvan ervan uit moet worden gegaan dat die specifieke luchtvrachtvervoersdiensten zijn betaald door Eurochoice of dat zij de kosten daarvoor heeft gedragen.
Everflora
4.109. Equilib heeft met betrekking tot Everflora Ltd. de volgende documenten overgelegd:
- e-mails (document Everflora 1);
- het Equilib Transactieoverzicht (Excel-bestand) met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Everflora 2).
4.110. Equilib stelt dat Everflora Ltd. in 2014 bij haar een datasheet heeft aangeleverd met gegevens over afgenomen luchtvracht in de periode september 2002 tot december 2006, welke datasheet door Equilib is verwerkt in het Equilib Transactieoverzicht. Dat bestand bevat een overzicht met gedetailleerde gegevens als de datum, het gewicht, de totale kosten, de shipper, de vertrekluchthaven (Nairobi, Kenia) en het land van aankomst (Holland). Het is meer dan aannemelijk dat Everflora – een Keniaanse kwekerij van rozen – op de route Kenia-Amsterdam (indirect) ook luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen van KLM, Martinair en/of Air France. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database, aldus steeds Equilib.
4.111. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn.
Procesverloop
Verder bevat het Excel-bestand geen MAWB-nummers en wordt in de overgelegde e-mails slechts gesteld dat voor alle luchtvrachtvervoersdiensten geldt dat de vluchten plaatsvonden van Nairobi naar Amsterdam.
4.112. De rechtbank is van oordeel dat Everflora Ltd. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel data in het geding getracht, maar verzuimd de onderliggende documenten over te leggen. De rechtbank acht dit – in het licht van de specifieke opdracht – onbegrijpelijk, want de gegevens in de datasheet moeten toch ergens vandaan komen?
F. Hoffmann-La Roche
4.113. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een overzicht van KN inzake kosten van afgenomen luchtvracht tussen november 2005 en februari 2007 met begeleidende e-mailwisseling (documenten Hoffmann La Roche 1 en 2);
- een overzicht met door DHL verstrekte data met begeleidende e-mailwisseling (documenten Hoffmann La Roche 3 en 4);
- een Excel-bestand (‘luftfracht’) met details van facturen van afgenomen luchtvracht in de periode 2000-2006 (document Hoffmann La Roche 5);
- document Hoffmann La Roche 6 (met gegevens waaruit volgens Equilib volgt dat F. Hoffman La Roche AG deze facturen heeft betaald);
- twee facturen (document Hoffmann La Roche 7);
- een screenshot van een Excel-bestand met transactiegegevens (‘Client Roche 2000-2010 Europe Outbound’) (document Hoffmann La Roche 8).
4.114. Volgens Equilib hebben de volgende entiteiten hun vorderingen aan haar gecedeerd:
- F. Hoffman La Roche Ltd/AG;
- Roche Diagnostics GmbH en
- Roche Diagnostics Ltd/AG
Equilib heeft toegelicht dat F. Hoffmann La Roche Ltd/AG in 2010 een overzicht heeft verkregen van twee freight forwarders (KN en DHL), documenten 2 en 4. Document 5 bevat een handmatig door F. Hoffmann La Roche Ltd/AG opgesteld overzicht van details van hardcopy facturen van afgenomen luchtvracht in de periode 2000-2006. Document 7 zijn facturen gericht aan F. Hoffmann La Roche AG voor afgenomen luchtvracht. Het gaat om (i) een vlucht van Bazel naar Auckland (Nieuw-Zeeland) met Singapore Airlines in december 2000 en (ii) een vlucht van New York naar Bazel met Swiss International Air Lines in december 2000. Hieruit blijkt dat F. Hoffmann La Roche AG luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen.
Document 8 betreft een print van een deel van de tab AWB Overview 1 van het bestand ‘Client Roche 2000-2010 Europe Outbound’. In verreweg het grootste deel van de transacties is de naam ‘Roche Diagnostics GmbH’ opgenomen onder het kopje ‘Invoice-to-Party name’. Hieruit volgt dat Roche Diagnostics GmbH relevante luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, aldus Equilib.
4.115. De luchtvaartmaatschappijen zetten hier het volgende tegenover. Voor de groep F. Hoffmann-La Roche zijn geen transactiegegevens verstrekt die overeenkomen met gegevens in de BRG Database. Het als document 5 overgelegde Excel-bestand is onvoldoende. Dit bevat geen MAWB-nummers. Ook het als document 8 overgelegde screenshot bevat geen vliegroutes, data van vluchten en gewicht, waardoor verificatie praktisch onmogelijk is. Bovendien blijkt uit de als document 6 overgelegde e-mail van F. Hoffmann-La Roche Ltd. dat veel data ontbreekt: “The file has been completed. But as you can see – and as already mentioned before – a lot of information is missing”. Uit diezelfde e-mail blijkt tevens dat Equilib een tijd geleden al elektronische gegevens van andere afdelingen heeft ontvangen, maar die gegevens zijn niet overgelegd. Ook staat in die e-mail: “F. Hoffmann-La Roche paid for all shipments”, zonder te specificeren om welke achterliggende partijen het zou gaan. De overgelegde e-mails (documenten 1 en 3) en de kostenoverzichten (documenten 2 en 4) bevatten bovendien slechts niet onderbouwde totaalbedragen.
4.116. Partijen zijn het erover eens dat F. Hoffmann-La Roche Ltd. (kennelijk ook wel F. Hoffmann-La Roche AG genoemd) mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.117. Geoordeeld wordt echter dat Roche Diagnostics GmbH en Roche Diagnostics Ltd./AG moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen met voldoende verifieerbare gegevens te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen.
Federal Mogul
4.118. Een groot aantal Federal Mogul entiteiten heeft vorderingen aan Equilib gecedeerd. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- datasheets met details van afgenomen luchtvracht in de periode 2005-2009 (documenten Federal Mogul 1, 2, 3 en 4);
- documenten Federal Mogul 5 t/m 24 met steeds een selectie van vluchten uit deze datasheets (meestal afkomstig van freight forwarder Hellman, document 2) voor een Federal Mogul entiteit;
4.119. Equilib heeft toegelicht dat de data in de vier als documenten Federal Mogul 1, 2, 3 en 4 overgelegde datasheets afkomstig zijn van freight forwarders DHL, Hellman, Danzas en KN. In de datasheets staat veelal gedetailleerde informatie als de datum, het (M)AWB-nummer, de luchtvaartmaatschappij, het gewicht, de totale kosten en de brandstoftoeslag. Volgens Equilib is de betalende entiteit (steeds een Federal Mogul entiteit) te herleiden door te selecteren op ‘Shipper’ en de bijbehorende Incoterms.
4.120. De luchtvaartmaatschappijen voeren allereerst aan dat Equilib ten aanzien van veertien achterliggende partijen geen specifieke stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd. Voor geen enkele achterliggende partij heeft Equilib stukken – zoals een air waybill of factuur – overgelegd. De overgelegde Excel-bestanden (datasheets) en de screenshots (de selectie uit de datasheets) die Equilib ten aanzien van de overige twintig achterliggende partijen heeft overgelegd zijn onvoldoende. In die bestanden ontbreken bovendien MAWB-nummers en het gewicht, waardoor verificatie van deze gegevens bij gebrek aan onderliggende documentatie praktisch niet uitvoerbaar is.
4.121. De rechtbank is met de luchtvaartmaatschappijen van oordeel dat de veertien achterliggende partijen ten aanzien waarvan Equilib onweersproken geen specifieke stellingen heeft ingenomen of stukken heeft overgelegd, reeds om die reden moeten afvallen. Ook de overige twintig achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen (voldoende) te concretiseren dat deze tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Hiertoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft wel data in het geding getracht, maar verzuimd de onderliggende documenten over te leggen of die data in haar aktes voldoende toe te lichten.
Procesverloop
Dit betekent dat de volgende achterliggende partijen afvallen:
- Federal-Mogul Holding Deutschland GmbH;
- Federal-Mogul Burscheid GmbH;
- Federal-Mogul Deva GmbH;
- Federal-Mogul Friction Products GmbH;
- Federal-Mogul Friedberg GmbH;
- Federal-Mogul Nürnberg GmbH;
- Federal-Mogul Sealing Systems GmbH Herdorf;
- Federal-Mogul Dresden Zweigniederlassung der Federal-Mogul Vermögensverwaltungs
GmbH;
- Federal-Mogul Sealing Systems Bretten GmbH;
- Federal-Mogul Wiesbaden GmbH;
- Federal-Mogul EMEA Distribution Services BVBA;
- Federal-Mogul S.A.;
- Federal-Mogul Friction Products a.s.;
- Federal-Mogul Operations France SAS;
- Federal-Mogul Sintertech SAS;
- Federal-Mogul Friction Products SAS;
- Federal-Mogul Sealing Systems SAS;
- Federal-Mogul System Protection SAS;
- Federal-Mogul France SAS;
- Federal-Mogul Hungary Kft;
- Federal-Mogul Italy SRL;
- Federal-Mogul Bimet S.A.;
- Federal-Mogul Gorzyce S.A.;
- Federal-Mogul Friction Products S.A.;
- Federal-Mogul Iberica S.L.;
- Federal- Mogul Izmit Piston ve Pim Uretim Tesislerie AS;
- Federal-Mogul Friction Products Ltd;
- Federal-Mogul Camshafts Casting Ltd;
- Federal-Mogul Sintered Products Ltd;
- Federal-Mogul Aftermarket UK Ltd;
- Federal-Mogul Ltd;
- Federal-Mogul Sealing Systems (Rochdale) Ltd;
- Federal-Mogul Sealing Systems (Slough) Ltd;
- Federal-Mogul Ignition UK Ltd.
Flor del Caribe
4.122. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- facturen met bijbehorende AWB’s, waaronder een AWB voor een vlucht met Cargolux van Quito naar Amsterdam (document Flor del Caribe 1).
4.123. Partijen zijn het erover eens dat Flor del Caribe S.à.r.l. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Foot Locker
4.124. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Foot Locker 1);
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met KLM van Durban naar Amsterdam (document Foot Locker 2).
4.125. Partijen zijn het erover eens dat Foot Locker Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Fresh Partners
4.126. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een vertaling van een uittreksel uit het Thaise equivalent van het handelsregister van de Kamer van Koophandel met betrekking tot Fresh Partners (document Fresh Partners 1);
- e-mails (documenten Fresh Partners 2 en 3);
- een AWB (document Fresh Partners 4).
4.127. Equilib stelt dat uit de overgelegde e-mails volgt dat Fresh Partners data heeft verstrekt in vijf Excel-bestanden die zijn gebaseerd op handmatige vastlegging van details uit gearchiveerde facturen en AWB’s over de periode 2000-2006. Fresh Partners Fruits & Vegetables Co Ltd (hierna ook: Fresh Partners Fruits & Vegetables), een 100% dochter van Fresh Partners Group B.V. (hierna ook: Fresh Partners Group) is volgens Equilib de entiteit die voor de door de Fresh Partners groep afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten heeft betaald. Beide vennootschappen hebben hun vorderingen aan Equilib gecedeerd.
4.128. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs of enige andere documentatie is overgelegd ten aanzien van Fresh Partners Group B.V. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails slechts dat zij stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van luchtvrachtvervoersdiensten.
4.129. Partijen zijn het erover eens dat Fresh Partners Fruits & Vegetables Co Ltd. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.130. De rechtbank is van oordeel dat Fresh Partners Group B.V. moet afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie – die kennelijk is gebaseerd op de eigen administratie van de Fresh Partners groep – in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Fresh Partners Group zelf (en bijvoorbeeld niet door Fresh Partners Fruits & Vegetables of door een derde, die geen cedent is). De luchtvaartmaatschappijen hebben er terecht op gewezen dat uit de overgelegde e-mails lijkt te volgen dat de Fresh Partners groep nog wel beschikt over alle AWB’s waarvan gegevens zijn verwerkt in de verstrekte Excel-bestanden, zodat het mogelijk moet zijn geweest een door Fresh Partners Group afgenomen luchtvrachtvervoersdienst deugdelijk te specificeren en beschrijven, indien er inderdaad ten minste één dergelijke dienst door Fresh Partners Group zou zijn afgenomen. Nu Equilib dat, ook na de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen, heeft nagelaten moet het ervoor worden gehouden dat Fresh Partners Group zelf geen luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode, althans heeft Equilib haar vordering wat betreft Fresh Partners Group onvoldoende onderbouwd.
Fujitsu
4.131. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een HAWB voor een vlucht met KLM van Pudong naar Amsterdam (document Fujitsu 1).
4.132. Partijen zijn het erover eens dat Fujitsu Components Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
Procesverloop
Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Galeries Lafayette
4.133. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens van volgens Equilib afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Galeries Lafayette 1);
- twee pdf-bestanden met uittreksels uit het handelsregister van de Franse kamer van koophandel (documenten Galeries Lafayette 2 en 3);
- een factuur van DHL met datum 29 februari 2000 (document Galeries Lafayette 4);
- een factuur gericht aan Bazar de l’Hotel de Ville met bijbehorende AWB (document Galeries Lafayette 5);
- een factuur gericht aan “Pion SA” met douaneformulier (document Galeries Lafayette 6).
4.134. De groep “Galeries Lafayette” omvat de volgende vennootschappen die hun (gestelde) vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd:
- Galeries Lafayette SA
- Bazar de l’Hotel de Ville SAS (hierna ook: BHV)
- Louis Pion SAS
- Royal Airport SAS.
4.135. Equilib stelt dat zij voor Louis Pion SAS een factuur voor douane- en luchtvrachtkosten heeft overgelegd, waarop de brandstoftoeslag apart is gespecificeerd. Blijkens het overgelegde douaneformulier betreft het een vlucht vanuit Hong Kong en is Louis Pion SAS als ontvanger van de goederen (en adressaat van de factuur) verantwoordelijk voor de transportkosten van de goederen, die blijkens het douaneformulier “ex works” aan haar zijn geleverd. Voor Galeries Lafayette SA heeft zij eveneens een factuur overgelegd voor luchtvrachtkosten. Die factuur is gericht aan ‘Galeries Lafayette SPAM Import’. SPAM is de inkoopcentrale voor Galeries Lafayette SA en de kosten voor luchtvrachtvervoersdiensten werden logischerwijs doorgelegd aan Galeries Lafayette SA. Uit het feit dat de factuur mede is gericht aan ‘Galeries Lafayette’ volgt dat zij de kosten heeft betaald. Op de factuur is bovendien route-informatie opgenomen: het betreft onder meer vluchten van Zuid-Korea naar Frankrijk en van Nederland naar Frankrijk. Ook zijn vluchtdata en gewicht opgenomen.
4.136. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde factuur en AWB ten aanzien van Louis Pion SAS geen informatie bevatten over onder meer het MAWB-nummer, waardoor verificatie van het directe bronbewijs ernstig bemoeilijkt wordt.
Uit de overgelegde factuur ten aanzien van Galeries Lafayette SA kan niet worden afgeleid dat Galeries Lafayette SPAM Import de inkoopcentrale van deze achterliggende partij is en dat de kosten van de inkoopcentrale aan haar werden doorgelegd. Equilib heeft ook verder niet onderbouwd dat Galeries Lafayette SA die kosten heeft betaald, hetgeen de luchtvaartmaatschappijen betwisten. De factuur is bovendien niet mede gericht aan ‘Galeries Lafayette’. Die woorden zijn slechts een onderdeel van de naam van de entiteit ‘Galeries Lafayette SPAM Import’, de volledige naam van de betreffende entiteit die Equilib zelf ook gebruikt. Verder vermeldt die factuur geen MAWB-nummer en geen bestemming.
4.137. De rechtbank oordeelt als volgt.
Bazar de l’Hotel de Ville (BHV)
4.138. Partijen zijn het erover eens dat Bazar de l’Hôtel de Ville (BHV) SAS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Royal Airport SAS
4.139. Wat betreft Royal Airport SAS heeft Equilib, naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen dat deze vennootschap in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen, geen specifieke stellingen ingenomen of stukken overgelegd, zodat zij reeds om die reden moet afvallen.
Galeries Lafayette SA
4.140. Ook Galeries Lafayette SA moet naar het oordeel van de rechtbank afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een concrete luchtvrachtvervoersdienst beschreven die volgens haar is afgenomen door deze entiteit, maar heeft nagelaten om, in reactie op de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen van haar stelling dat Galeries Lafayette SA (en niet de gestelde inkoopmaatschappij SPAM) de kosten voor de betreffende vlucht heeft gedragen, die stelling nader te onderbouwen. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat de kosten door SPAM “logischerwijs” werden doorgelegd naar Galeries Lafayette SA is in het licht van die betwisting onvoldoende, terwijl uit de overgelegde factuur, anders dan Equilib stelt, niet blijkt dat die (mede) is gericht aan Galeries Lafayette SA. De rechtbank brengt daarbij in herinnering dat het hier (zoals tijdens de laatste mondelinge behandeling besproken) gaat om het onderbouwen van schade met betrekking tot slechts (ten minste) één luchtvrachtvervoersdienst, waartoe vereist is dat de gevolgen van het kartel (met een in het licht van het causaal verband voldoende mate van directheid) zijn opgetreden in het vermogen van de achterliggende partij van wiens vordering de voldoening wordt gevorderd door Equilib. Dat een luchtvrachtvervoersdienst “ten behoeve van” een bepaalde achterliggende partij is afgenomen door een groepsmaatschappij is dus niet voldoende om te kunnen zeggen dat die achterliggende partij zelf een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Louis Pion SAS
4.141. In afwijking van het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat de vordering van Louis Pion SAS vooralsnog wel mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft met betrekking tot deze achterliggende partij een concrete, in de relevante periode afgenomen luchtvrachtvervoersdienst met een (vooralsnog) voldoende mate van detail beschreven, onder overlegging van een aan Louis Pion SAS gerichte factuur en een douaneformulier. Daarbij zijn onder meer datum, gewicht van de vracht, plaats van vertrek en bestemming en de verzendcondities (“ex works”) gegeven. Gesteld noch gebleken is dat de betreffende vracht anders dan per luchtvracht kan zijn verzonden. In die omstandigheden leidt het enkele ontbreken van een MAWB-nummer en de “route” er, anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, niet toe dat Equilib – voor dit moment – onvoldoende heeft onderbouwd dat Louis Pion SAS deze luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen. Dat de transactie volgens de luchtvaartmaatschappijen door het ontbreken van die informatie niet te koppelen is aan de BRG-database is (in ieder geval in het kader van de onderhavige opdracht tot onderbouwing) niet van doorslaggevend belang.
Gebr. Van Den Haak Import
4.142. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een uittreksel uit de Kamer van Koophandel (document Gebr. Van Den Haak Import 1);
- een overzicht van de facturen van freight forwarder Panatlantic (document Gebr. Van den Haak Import 2);
- e-mails (documenten Gebr.
Procesverloop
Van den Haak Import 3 en 4);
- een AWB en bijbehorende factuur voor een vlucht met KLM van Colombia naar Nederland (documenten Gebr. Van den Haak Import 5 en 6).
4.143. Partijen zijn het erover eens dat Gebr. Van Den Haak Import mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Hewlett Packard
4.144. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een getuigenverklaring van [naam 63] , “HP Global Freight Cost Manager” (document HP 1);
- een ‘draaitabel’ met volgens Equilib aan luchtvrachtvervoersdiensten uitgegeven bedragen per entiteit (document HP 2);
- drie Excel-bestanden met gegevens van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten HP 3, 4 en 5).
4.145. De Hewlett Packard groep omvat de volgende entiteiten die hun (gestelde) vorderingen aan Equilib hebben gecedeerd:
- Hewlett Packard Company;
- Hewlett Packard Industrial International Sàrl;
- Hewlett Packard Centre de Competence France SAS;
- Hewlett Packard GmbH;
- Hewlett Packard (Canada) Co;
- Hewlett Packard Caribe B.V.;
- Hewlett Packard Caribe B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett Packard de Mexico S. De R.L. de CV;
- Hewlett Packard Puerto Rico B.V.;
- Hewlett Packard Puerto Rico B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett Packard Singapore (Pte) Ltd;
- Hewlett Packard Oy;
- Shanghai Hewlett Packard Co, Ltd;
- Hewlett Packard Japan Ltd;
- Hewlett Packard Argentina SRL;
- Hewlett Packard France SAS;
- Hewlett Packard Venezuela C.C.A.;
- Hewlett Packard Espanola SL;
- Hewlett Packard Manufacturing Ltd;
- Hewlett Packard AP (Hong Kong) Ltd;
- Hewlett Packard India Sales Private Ltd;
- Hewlett Packard Chile, Commercial Limitada;
- Hewlett Packard HK SAR Ltd;
- Hewlett Packard Belgium BVBA/SPRL;
- Hewlett Packard Gesellschaft mbH;
- Hewlett Packard (Schweiz) GmbH;
- Hewlett Packard Ltd;
- Hewlett Packard Philippines Corporation;
- Hewlett Packard New Zealand;
- Hewlett Packard Korea Ltd;
- Hewlett Packard (Thailand) Ltd;
- Hewlett Packard (Israel) Ltd;
- Hewlett Packard Trading (Shanghai) Company Ltd;
- Hewlett Packard Aps;
- Hewlett Packard Nederland B.V.;
- Hewlett Packard International Pte Ltd;
- Hewlett Packard Australia Pty Ltd;
- Hewlett Packard Singapore (Sales) Pte Ltd;
- Hewlett Packard Industrial Printing Ltd;
- Hewlett Packard Software LLC;
- Hewlett Packard International Pte Ltd, Taiwan Branch.
4.146. Equilib stelt dat uit document 1 volgt dat alle relevante HP entiteiten een vordering aan Equilib hebben gecedeerd. Document 2 betreft een overzicht van de uitgaven aan luchtvrachtvervoersdiensten per groepsmaatschappij zoals deze volgen uit de database met gegevens over de (wereldwijde) afname van luchtvrachtvervoersdiensten door de HP groep. De overgelegde Excel-bestanden (documenten 3,4 en 5) bevatten afdrukken van concrete voorbeelden uit de zeer omvangrijke database van Trax voor HP Company. De voorbeelden zien op de dochtermaatschappijen die samen veruit het grootste deel van de luchtvrachtvervoersdiensten (van en naar Europa) hebben afgenomen: Hewlett-Packard International Sarl (“HP International”), Hewlett-Packard Centre de Competence France SAS (“HP CDC”) en Hewlett-Packard GmbH (“HP Duitsland”). De Trax database is in de betreffende periode opgesteld voor interne doeleinden en er is geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die informatie. HP Company sloot de overeenkomsten met de freight forwarders ten behoeve van zichzelf en haar groepsmaatschappijen. Betalingen liepen via een centraal betalingssysteem. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.147. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder heeft Equilib slechts ten aanzien van vier achterliggende partijen stellingen ingenomen en wordt voor de overige achterliggende partijen verwezen naar de overgelegde ‘draaitabel’, maar daaruit volgen enkel totaalbedragen voor entiteiten binnen de HP groep. Bovendien blijkt uit de getuigenverklaring van [naam 63] dat de betaling van de afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten niet altijd via de achterliggende partijen verliep, maar via een centraal betalingssysteem dat van toepassing was op alle achterliggende partijen. Verder blijkt uit die getuigenverklaring dat HP Company de grootste afnemer was en dat de dochtermaatschappijen, waarvan een aantal achterliggende partij is, geen afnemers van luchtvrachtvervoer waren. Ook bevat de getuigenverklaring een naar eigen zeggen incompleet overzicht van contracten voor de afname van luchtvrachtvervoersdiensten, maar daarvan is geen enkele kopie overgelegd.
4.148. De rechtbank is van oordeel dat de achterliggende partijen van de Hewlett-Packard groep, met uitzondering van Hewlett-Packard Company, moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Ten aanzien van de meeste achterliggende partijen geldt dat Equilib weliswaar geaggregeerde informatie over kosten van luchtvrachtvervoersdiensten in de relevante periode – volgens haar gebaseerd op een door de dienstverlener Trax bijgehouden omvangrijke database – in het geding heeft gebracht en een verklaring van een medewerker op groepsniveau waarin in algemene zin wordt gesteld dat alle cederende entiteiten luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij en heeft daarmee niet aan haar onderbouwings- en wegwijsplicht voldaan. Dit is anders waar het gaat om de achterliggende partijen HP International, HP CDC en HP Duitsland. Ten aanzien van die partijen heeft Equilib wel voorbeelden gegeven van concrete luchtvrachtvervoersdiensten en daarbij ook de nodige details verstrekt (waaronder in een aantal gevallen MAWB-nummers). Bij deze drie entiteiten is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd dat zij de luchtvrachtvervoersdiensten in kwestie daadwerkelijk zelf hebben betaald, althans dat de kosten voor hun rekening zijn gekomen. Immers, Equilib heeft zelf gesteld dat HP Company de entiteit is die de overeenkomsten met de freight forwarders sloot ten behoeve van zichzelf én haar groepsmaatschappijen (waaronder deze drie) en dat betalingen via een centraal betalingssysteem liepen. Hoe en of dat er in deze drie gevallen in geresulteerd heeft dat de kosten van de luchtvrachtvervoersdiensten (integraal) zijn doorberekend aan respectievelijk HP International, HP CDC en HP Duitsland, heeft Equilib niet duidelijk gemaakt, laat staan van enige vorm van onderbouwing voorzien. De verwijzing naar de draaitabel en de algemene verklaring van de heer [naam 63] volstaan daartoe in ieder geval niet.
Procesverloop
De rechtbank brengt daarbij in herinnering dat het hier (zoals tijdens de laatste mondelinge behandeling besproken) gaat om het onderbouwen van schade met betrekking tot slechts (ten minste) één luchtvrachtvervoersdienst, waartoe vereist is dat de gevolgen van het kartel (met een in het licht van het causaal verband voldoende mate van directheid) zijn opgetreden in het vermogen van de achterliggende partij van wiens vordering de voldoening wordt gevorderd door Equilib. Dat een luchtvrachtvervoersdienst ten behoeve van een bepaalde achterliggende partij is afgenomen door een groepsmaatschappij is dus niet voldoende om te kunnen zeggen dat die achterliggende partij zelf een luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Het voorgaande brengt mee dat afvallen:
- Hewlett-Packard Industrial International Sàrl;
- Hewlett-Packard Centre de Competence France SAS;
- Hewlett-Packard GmbH;
- Hewlett-Packard (Canada) Co;
- Hewlett-Packard Caribe B.V.;
- Hewlett-Packard Caribe B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett-Packard de Mexico S. De R.L. de CV;
- Hewlett-Packard Puerto Rico B.V.;
- Hewlett-Packard Puerto Rico B.V. Puerto Rico Branch;
- Hewlett-Packard Singapore (Pte) Ltd;
- Hewlett-Packard Oy;
- Shanghai Hewlett-Packard Co, Ltd;
- Hewlett-Packard Japan Ltd;
- Hewlett-Packard Argentina SRL;
- Hewlett-Packard France SAS;
- Hewlett-Packard Venezuela C.C.A.;
- Hewlett-Packard Espanola SL;
- Hewlett-Packard Manufacturing Ltd;
- Hewlett-Packard AP (Hong Kong) Ltd;
- Hewlett-Packard India Sales Private Ltd;
- Hewlett-Packard Chile, Commercial Limitada;
- Hewlett-Packard HK SAR Ltd;
- Hewlett-Packard Belgium BVBA/SPRL;
- Hewlett-Packard GmbH;
- Hewlett-Packard (Schweiz) GmbH;
- Hewlett-Packard Ltd;
- Hewlett-Packard Philippines Corporation;
- Hewlett-Packard New Zealand;
- Hewlett-Packard Korea Ltd;
- Hewlett-Packard (Thailand) Ltd;
- Hewlett-Packard (Israel) Ltd;
- Hewlett-Packard Trading (Shanghai) Company Ltd;
- Hewlett-Packard Aps;
- Hewlett-Packard Nederland B.V.;
- Hewlett-Packard International Pte Ltd;
- Hewlett-Packard Australia Pty Ltd;
- Hewlett-Packard Singapore (Sales) Pte Ltd;
- Hewlett-Packard Industrial Printing Ltd;
- Hewlett-Packard Software LLC;
- Hewlett-Packard International Pte Ltd, Taiwan Branch.
4.149. Anders dan door de luchtvaartmaatschappijen is bepleit is de rechtbank van oordeel dat de vordering van Hewlett-Packard Company vooralsnog wel mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. De luchtvaartmaatschappijen hebben immers de stelling van Equilib dat deze entiteit ten aanzien van de luchtvrachtvervoersdiensten voor de gehele groep als contractspartij is opgetreden niet betwist (zij beroepen zich daar zelfs op). Nu het uitdrukkelijke standpunt van Equilib is dat alle cedenten (en dus ook Hewlett-Packard Company) in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen, vindt de rechtbank de betwisting van die stelling ten aanzien van deze entiteit, in het licht van diens niet ter discussie staande optreden als centrale contractspartij van de freight forwarders, onvoldoende gemotiveerd, zodat moet worden aangenomen dat Hewlett-Packard Company in de relevante periode ten minste één luchtvrachtvervoersdienst heeft afgenomen.
Hilti/IVV
4.150. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mails tussen Hilti en freight forwarder DB Schenker (document Hilti 1);
- een van DB Schenker afkomstig Excel-bestand met gegevens uit 2003-2006/2007 over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Hilti 2);
- een door Hilti/IVV groep opgesteld Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Hilti 3);
- een pdf-bestand met een selectie van data van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Hilti 4).
4.151. De volgende entiteiten uit deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen gecedeerd aan Equilib:
- Hilti AG
- Internationale Vertriebs- und Verbund AG (“IVV AG”).
4.152. Equilib stelt dat zij aan de hand van de door de freight forwarder verstrekte gegevens van voor 2003 een overzicht heeft opgesteld, waarin uitgebreide informatie is opgenomen zoals de betalende entiteit, de datum, de freight forwarder, de luchtvaartmaatschappij, het (M)AWB-nummer, het vertrek, de aankomst, het gewicht en de totale kosten. Aan de hand van door Hilti/IVV groep aangeleverde gedetailleerde informatie is voor de ontbrekende jaren een schatting gemaakt. Equilib heeft in document Hilti 4 verder gepreciseerd welke van de twee entiteiten voor een specifieke transactie heeft betaald. Aan de opgave door de achterliggende partijen zelf kan in dit geval wel degelijk waarde worden gehecht. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.153. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat document Hilti 2 geen gegevens ten aanzien van de entiteit die de luchtvrachttransacties zou hebben afgenomen. Document Hilti 3 bevat die details wel, maar dat Hilti/IVV groep dit zelf zo heeft ingevuld in het Excel-bestand is bij gebrek aan onderliggende documentatie een onvoldoende onderbouwing.
4.154. De rechtbank is van oordeel dat Hilti AG en Internationale Vertriebs- und Verbund Aktiengesellschaft moeten afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie – die kennelijk is gebaseerd op de gegevens die zijn verstrekt door haar freight forwarders –
in het geding gebracht en zij heeft ten aanzien van beide achterliggende partijen een concrete luchtvrachtvervoersdienst beschreven en daarbij de nodige gegevens verstrekt, maar zij heeft nagelaten uiteen te zetten waarop haar stelling dat Hilti AG respectievelijk IVV AG voor deze diensten hebben betaald, gebaseerd is. Bij afwezigheid van verificatoire bescheiden, zoals een factuur, had van Equilib verwacht mogen worden dat zij haar stelling ten aanzien van het dragen van de kosten door deze twee entiteiten nader zou onderbouwen in haar processtukken. Nu zij dat niet heeft gedaan is haar vordering in zoverre onvoldoende onderbouwd.
Hunter Douglas
4.155. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een factuur (document Hunter Douglas 1);
- een HAWB voor een vlucht met Martinair van Amsterdam naar Johannesburg (document Hunter Douglas 2).
4.156. Partijen zijn het erover eens dat Hunter Douglas Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures.
Procesverloop
Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
International Committee of the Red Cross
4.157. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een e-mail (document Rode Kruis 1);
- een overzichtsfactuur van uitgevoerde vluchten, waaronder een vlucht met Lufthansa van Genève naar Bogota (document Rode Kruis 2);
- een screenshot van de datasheet met alle luchtvracht die in december 2000 met Lufthansa is vervoerd (document Rode Kruis 3).
4.158. Partijen zijn het erover eens dat International Committee of the Red Cross mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Interparfums
4.159. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Interparfums 1);
- een Excel-bestand met transactiegegevens (document Interparfums 2);
- een screenshot uit dit Excel-bestand (document Interparfums 3);
- een e-mail van [naam 64] , Executive Vice President van Interparfums S.A. (productie 8 bij repliek inzake een transactie per cedent).
4.160. Equilib stelt dat het bij document 1 gevoegde Excel-bestand details bevat van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten gedurende de jaren 2000-2006 als de betalende entiteit, de datum, de totale kosten, het vluchtnummer, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het AWB-nummer, het gewicht en de brandstoftoeslag. Het overgelegde screenshot bevat gegevens met betrekking tot vluchten van Parijs naar Bangkok. Verder geldt, dat hoewel een groot deel van de luchtvrachtkosten wordt betaald door klanten van Interparfums S.A., in de e-mail van [naam 64] wordt bevestigd dat het transactieoverzicht uitsluitend door Interparfums S.A. afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten bevat waarvoor zij de kosten heeft gedragen. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.161. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. De overgelegde gegevens bevatten bovendien geen chargeable weight en daaruit kan niet worden afgeleid dat de transacties daadwerkelijk door Interparfums S.A. zijn verricht. Het Excel-bestand bevat vermeldt verder ‘Interparfums’ steeds als betalende partij, maar daaruit volgt nog niet dat de luchtvrachtdienst door Interparfums S.A. is afgenomen en betaald. Daarbij komt dat Interparfums S.A. volgens de stellingen van Equilib een parfum- en cosmeticafabrikant is die haar producten wereldwijd distribueert. Het is aannemelijk dat in de keten producent-distributeur-lokale retailer niet de producent maar de distributeur of retailer voor het vervoer van als voorraad ingekochte goederen betaalt. Verder volgt uit document 1 slechts dat Interparfums S.A. een Excel-bestand aan Claims Funding Europe heeft toegezonden. Uit de e-mail van [naam 64] volgt voorts niet op welke wijze of op basis van welke gegevens hij is nagegaan dat de luchtvrachten door Interparfums S.A. zijn betaald.
4.162. De rechtbank is van oordeel dat Interparfums S.A. moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar informatie overgelegd over beweerdelijk afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten, en daarbij ook enige gegevens over concrete vluchten verstrekt met vermelding van AWB-nummers, plaatsen van vertrek en bestemming en vluchtdata, maar zij heeft – zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen – onvoldoende onderbouwd dat de kosten van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten zijn gedragen door Interparfums S.A. De enkele, in algemene bewoordingen gestelde, verklaring van de heer [naam 64] volstaat daartoe niet, omdat daarin niet wordt uitgelegd op grond waarvan het standpunt wordt ingenomen dat alle luchtvrachtvervoersdiensten in het Excel-overzicht, en meer in het bijzonder de door Equilib nader gespecificeerde, zijn betaald door Interparfums S.A. Zeker nu Equilib heeft erkend dat een groot deel van de door Interparfums verzonden luchtvracht werd betaald door klanten, had zij moeten uiteenzetten waarom, en op grond waarvan, dat voor deze transacties anders was.
Interpral-Ulysse
4.163. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een factuur en AWB (document Ulysse 1);
- een e-mail van Interpral-Ulysse SAS aan Claims Funding Europe (document Ulysse 2);
- een door Interpral-Ulysse SAS opgesteld Excel-bestand met transactiegegevens (document Ulysse 3);
- een screenshot uit dit Excel-bestand (document Ulysse 4).
4.164. Equilib stelt dat uit document Ulysse 1 volgt dat Interpral-Ulysse SAS met haar een bestand heeft gedeeld met details van door haar afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten voor de jaren 2001-2006. In document Ulysse 4 is een transactie uitgelicht met betrekking tot een vlucht van Cuba naar Parijs met Air France met vermelding van het AWB-nummer en de totale kosten, inclusief toeslagen. Verder is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database. De zoekterm “Interpral Ulysse”, die uitsluitend op deze cedent kan zien, komt veelvuldig voor in zowel het “shipper” veld als het “consignee” veld in de BRG Database.
4.165. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de AWB en de factuur dateren van na de relevante periode (2012) en dat overigens geen direct bronbewijs is overgelegd. Het overgelegde Excel-bestand en het screenshot alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database zijn onvoldoende. De documenten bevatten bovendien geen chargeable weight en daaruit kan niet worden afgeleid dat de transacties daadwerkelijk door Interpral-Ulysse SAS zijn verricht. Verder volgt uit de overgelegde e-mail slechts dat Interpral-Ulysse SAS een Excel-bestand aan Claims Funding Europe heeft toegezonden.
4.166. De rechtbank is van oordeel dat Interpral-Ulysse SAS moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een grote hoeveelheid geaggregeerde informatie in het geding gebracht en één concrete transactie ontleend aan die informatie nader omschreven, met vermelding van plaats van vertrek en bestemming van de vlucht, datum, AWB-nummer en kosten, maar zij heeft niet expliciet gesteld dat (en op grond waarvan) moet worden aangenomen dat die luchtvrachtvervoersdienst ook door Interpral-Ulysse SAS is betaald.
Procesverloop
Gelet op die omissie kunnen aan de betwisting van die stellingen door de luchtvaartmaatschappijen ook geen hoge eisen worden gesteld, zodat de in de aktes van de luchtvaartmaatschappijen vervatte algemene betwisting van (niet zozeer het bestaan van deze vlucht maar) de afname van de betreffende luchtvrachtvervoersdienst door deze achterliggende partij volstaat.
Jabil Circuit
4.167. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- twee overeenkomsten van Jabil Circuit Inc. met freight forwarders en een bijlage (documenten Jabil Circuit 1, 2 en 4);
- e-mails over de overeenkomsten (document Jabil Circuit 3);
- Excel-bestanden met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (documenten Jabil Circuit 5 en 6);
- screenshots van de Excel-bestanden (documenten Jabil Circuit 7 tot en met 21);
- screenshots van de bestanden waaruit de selecties van de transactiegegevens in documenten Jabil Circuit 6 tot en met 21 zijn gemaakt, met uitgelichte transacties van enige achterliggende partijen (producties 9 en 10 bij conclusie van repliek).
4.168. De volgende entiteiten uit deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen gecedeerd aan Equilib:
- Jabil Circuit Inc.;
- Celebit Technology Private Limited;
- Jabil Circuit Austria GmbH;
- Jabil Circuit Chihuahua LLC;
- Jabil Circuit de Chihuahua S de RL de CV;
- Jabil Circuit de Mexico S de RL de CV;
- Jabil Circuit de Reynosa S de R.L. de C.V.;
- Jabil Circuit GmbH;
- Jabil Circuit Guadalajare, LLC;
- Jabil Circuit Guangzhou Holding (BVI) Inc;
- Jabil Circuit Holdings Limited;
- Jabil Circuit Hungary Contract Manufacturing Services Ltd;
- Celetronix India Private Limited;
- Jabil Circuit India Private Limited;
- Jabil Circuit Limited;
- Jabil Circuit of Michigan Inc;
- Jabil Circuit Poland sp. Z. o.o.;
- Jabil Circuit Reynosa LLC;
- Jabil Circuit Sdn Bdh;
- Jabil Circuit ILK. Limited;
- Jabil Circuit Ukraine Limited;
- Jabil do Brasil Industria Eletroeletronica Ltda;
- Jabil Global Services Inc.
- Jabil Global Services de Mexico S.A. de C.V.;
- Celetetronix USA Inc.
- Jabil Global Services Limited Ireland;
- Jabil Global Services Poland sp. Z.o.o.;
- Jabil Global Services Inc;
- Jabil Japan Inc;
- Jabil Industrial do Brasil Ltda;
- Jabil Assembly Poland sp.z o.o.;
- Jabil Circuit (Guangzhou) Ltd;
- Jabil Circuit (Shanghai) Co Ltd;
- Jabil Circuit (Singapore) Re Ltd;
- Jabil Circuit (Suzhou) Ltd;
- Jabil Circuit (Wuxi) Co Ltd.
4.169. Equilib stelt dat Jabil Circuit niet rechtstreeks contracteerde met luchtvaarmaatschappijen maar luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen via een tweetal freight forwarders. In de overgelegde overeenkomsten is expliciet opgenomen dat de ‘fuel surcharges’ door de freight forwarders worden doorberekend. Documenten Jabil Circuit 5 en 6 zijn afkomstig van de freight forwarders en bevatten details over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten over de jaren 1999-2006 met vermelding van de totale bedragen. Equilib heeft voor veertien achterliggende partijen voorbeeldtransacties uitgewerkt in de documenten Jabil Circuit 7 tot en met 21. Verder is ten aanzien van negen achterliggende partijen sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.170. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd. Verder heeft Equilib voor twintig achterliggende partijen geen stellingen ingenomen of stukken overgelegd en is voor de overige vijftien alleen een selectie uit de Excel-bestanden in de documenten Jabil Circuit 5 of 6 ingebracht. Dit is echter, evenals een succesvolle koppeling met de BRG Database, onvoldoende. Bovendien blijkt uit de overgelegde overeenkomsten niet dat Jabil Circuit Inc. die mede ten behoeve van de overige achterliggende partijen heeft gesloten. Voorts blijkt uit documenten Jabil Circuit 1 en 4 niet dat ‘fuel surcharges’ zijn doorberekend door de freight forwarders aan de achterliggende partijen.
4.171. De rechtbank is van oordeel dat alle achterliggende partijen uit deze groep moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een grote hoeveelheid geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor iedere achterliggende partij van ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door de betreffende achterliggende partij. Zij heeft voor 14 achterliggende partijen verwezen naar screenshots waarin bepaalde selecties van transacties zijn uitgelicht, maar heeft geen van die transacties voldoende concreet beschreven in haar aktes. Het is niet aan de rechtbank om in de betreffende stukken op zoek te gaan naar concrete transacties en de benodigde gegevens bij elkaar te zoeken; Equilib heeft hier niet aan haar wegwijsverplichting voldaan. Dit is temeer een probleem nu geen verificatoire bescheiden (zoals AWB’s en/of facturen) zijn overgelegd met betrekking tot deze transacties, zodat van Equilib mocht worden verwacht dat zij dat gebrek zou compenseren door gedetailleerde stellingen in te nemen en te onderbouwen met voldoende specifieke feitelijke gegevens ten aanzien van zowel het bestaan en de kenmerken van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten als de gestelde afname daarvan door de betreffende achterliggende partijen (en in dat kader dus ook de betaling dan wel het dragen van de kosten). Ten aanzien van de overige achterliggende partijen heeft Equilib zelfs in het geheel geen nadere (voldoende specifieke) gegevens verstrekt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen met betrekking tot alle hiervoor genoemde achterliggende partijen niet meer mee mogen doen in het vervolg van deze procedures.
Jules
4.172. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Jules SAS 1);
- een screenshot van het Excel-bestand (document Jules SAS 2).
4.173. Equilib stelt dat Jules SAS in het overgelegde Excel-bestand details van afgenomen luchtvracht heeft verstrekt, en dat dit bestand gedetailleerde informatie bevat als de datum, de vertrekluchthaven, de aankomstluchthaven, het gewicht en de totale kosten. Het overgelegde screenshot omvat een luchtvrachtdienst voor een transport van Turkije naar Frankrijk in november 2005 met Air France en Jules SAS staat daarin als betalende partij genoemd. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.174. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn.
4.175. De rechtbank is van oordeel dat Jules SAS moet afvallen in het vervolg van deze procedures, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar allerlei geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door Jules SAS zelf (en bijvoorbeeld niet een derde, die geen cedent is).
Procesverloop
Zij heeft (in document Jules SAS 2) een transactie gemarkeerd die volgens haar een door Jules SAS afgenomen luchtvrachtvervoersdienst vertegenwoordigd, maar geeft daarbij te weinig specifieke details (zoals de datum van de vlucht, het gewicht en/of het AWB-nummer). Zij legt ook niet uit op grond waarvan ervan uit moet worden gegaan dat Jules SAS de kosten van deze dienst heeft gedragen. De enkele vermelding van Jules SAS als “nom du payeur” in een door Jules SAS zelf opgesteld overzicht, zonder enige nadere informatie over de achtergrond van die vermelding, volstaat niet als onderbouwing op dit punt.
Kiabi Europe
4.176. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- e-mailcorrespondentie (document Kiabi 1);
- een notitie van de heer [naam 65] (document Kiabi 2);
- een Excel-bestand (document Kiabi 3);
- een factuur voor een vlucht met Lufthansa van Chennai naar Lille (document Kiabi 4).
4.177. Partijen zijn het erover eens dat Kiabi Europe SAS mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Philips groep
4.178. Equilib heeft de volgende (nadere) documenten overgelegd, voor zover van belang:
- een notitie van 9 juli 2015 (document Philips 1);
- vier maandelijkse rapportages per freight forwarder, waarin de prestaties van iedere freight forwarder is afgezet tegen de Key Performance Indicators (KPI’s) (documenten Philips 2, 3, 4 en 5);
- een lijst met namen van de bijbehorende, in 2010 bestaande, juridische entiteiten (document Philips 6);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report over de maand april 2005 voor Philips Lighting B.V., met onder meer een vlucht van Amsterdam naar India (document Philips 7);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report over de maand april 2005 voor Philips Medical Systems Nederland B.V., met onder meer een vlucht van Eindhoven naar India (document Philips 8);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report over de maand april 2005 voor Philips Consumer Lifestyle B.V., met onder meer een vlucht met Singapore Airlines van Eindhoven naar Singapore (document Philips 9);
- twee notariële aktes (documenten Philips 10 en 11);
- een KvK-formulier (document Philips 12);
- een AWB voor een vlucht met Cathay Pacific van Hong Kong naar Brussel en een print van de betreffende transactie voor Philips Innovative Applications N.V. (documenten Philips 13 en 14);
- twee facturen (document Philips 15);
- een selectie van het Panalpina KPI Report over augustus 2005 voor Philips Austria GmbH (document Philips 16);
- een selectie van het Panalpina KPI Report over september 2005 voor Philips Austria GmbH (document Philips 17);
- twee facturen van Expeditors voor Philips Lighting Poland S.A. (document Philips 18);
- een selectie van het Panalpina Airfreight Performance Report KPI april 2005 voor Philips Medizin Systeme Böblingen GmbH (document Philips 19);
- Panalpina April 2005 Air KPI Report voor Philips GmbH, waaronder een voorbeeld transport voor een vlucht met Lufthansa van Duitsland naar Bulgarije (document Philips 20);
- een nadere toelichting en een onderliggend document (documenten Philips 21 en 22);
- een AWB voor een vlucht met Japan Airlines van Japan naar Duitsland voor Philips Medical Systems DMC GmbH (document Philips 23);
- een Menlo Air KPI Report over 2005 voor Philips Technologie GmbH (document Philips 24);
- een AWB voor een vlucht met KLM van Hong Kong naar Budapest voor Philips Kft (document Philips 25);
- een openbare aankondiging en een aandeelhoudersbesluit waarbij de belangrijkste activiteiten van Philips zijn ondergebracht in de entiteit Philips Electronique Grand Publique omgedoopt tot Philips France (documenten Philips 26 en 27);
- statuten in verband met de acquirering door Philips France van de entiteiten ADAC Laboratories, ATL Ultrasound en Philips Medical Systems en de overname activa van ATL Ultrasound (documenten Philips 28 en 29);
- een selectie van het Air KPI Report YTD april 2005 van DHL (document Philips 30);
- een Expeditors KPI Report over April 2005 voor Philips Medical Systems Corporation (document Philips 31);
- een Panalpina Air KPI Report April 2005 voor Philips Eletrõnica da Amazônia Ltda en Philips do Brasil Ltda (document Philips 32);
- een Panalpina Air KPI Report 2005 voor Philips Electronics Singapore Private Limited (document Philips 33);
- een Panalpina April 2005 Air KPI Report voor Philips Electronics Hong Kong Limited (document Philips 34);
- een Panalpina April 2005 Air KPI Report voor Philips Domestic Appliances and Personal care Co of Suzhou Ltd (document Philips 35).
4.179. De volgende entiteiten uit de Philips groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Philips Innovative Applications N.V.;
- Philips Austria GmbH;
- Philips Lighting Poland S.A.;
- Philips Medical Systems DMC GmbH;
- Philips Industries Hungary Electronical Mechanical Manufacturing and Training Limites Liability Company (“Philips Kft”);
- Philips Lighting B.V.;
- Philips Medical Systems Nederland B.V.;
- Philips Consumer Lifestyle B.V;
- Philips Medizin Systeme Böblingen GmbH;
- Philips GmbH;
- Philips Technologie GmbH;
- Philips Electronique Grand Publique;
- Philips Medical Systems Corporation;
- Philips Eletrõnica da Amazônia Ltda;
- Philips do Brasil Ltda;
- Philips Electronics Singapore Private Limited;
- Philips Electronics Hong Kong Limited;
- Philips Domestic Appliances and Personal Care of Suzhou Ltd.
4.180. Equilib stelt dat zij voor dertien achterliggende partijen Excel-bestanden heeft overgelegd met vlucht-specifieke gegevens, meer specifiek maandelijkse rapportages per freight forwarder, waarin de prestaties van iedere freight forwarder is afgezet tegen de Key Performance Indicators (KPI’s). De KPI-rapportages zijn ten tijde van het kartel opgesteld en bevatten gedetailleerde en (voor monitoringdoeleinden) gecontroleerde gegevens die als zeer betrouwbaar moet worden aangemerkt. Voor Philips Technologie GmbH is in document 24 een luchtvrachtvervoersdienst uitgelicht, die weliswaar aan ‘Philips Automotive Lighting’ in rekening is gebracht maar waarmee blijkens document 6 Philips Technologie GmbH is bedoeld. Document 34 heeft betrekking op Philips Electronics Hong Kong Limited en ziet op een vlucht vanuit Frankfurt, voor welke luchtvrachtvervoersdienst zij blijkens dat document ook heeft betaald. Voor twee achterliggende partijen was Equilib niet in staat een transactie uit de beschikbare informatie te koppelen. Deze achterliggende partijen zijn echter bewust geselecteerd en het is aannemelijk dat zij (althans hun rechtsvoorgangers) ook tenminste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.181. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat ten aanzien van dertien achterliggende partijen geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de (selecties uit de) overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Uit die bestanden blijkt bovendien dat de kosten van de voor drie achterliggende partijen uitgelichte luchtvrachtvervoersdiensten niet bij hen in rekening zijn gebracht.
Procesverloop
Verder beschrijft de overgelegde notitie slechts het proces van datavergaring en is de overgelegde lijst ongeautoriseerd en levert die lijst gezien de vage bewoordingen niet het door Equilib gestelde bewijs op.
4.182. Partijen zijn het erover eens dat Philips Innovative Applications N.V., Philips Austria GmbH, Philips Lighting Poland S.A., Philips Medical Systems DMC GmbH en Philips Kft mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode, althans nu de onderbouwing van deze achterliggende partijen in het licht van het door de luchtvaartmaatschappijen gevoerde verweer voldoende is te achten.
4.183. De rechtbank is van oordeel dat de overige 13 achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor het toetsingskader is overwogen. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank als volgt. Equilib heeft grote hoeveelheden geaggregeerde informatie overgelegd en voor de meeste van deze achterliggende partijen bovendien een of meer concrete luchtvrachtvervoersdiensten in haar aktes beschreven onder vermelding van gedetailleerde informatie, waaronder (M)AWB-nummers. Echter, zij heeft - in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen - haar stellingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd wat betreft het afnemen (en dus ook dragen van de kosten) van de betreffende luchtvrachtvervoersdiensten door deze specifieke entiteiten binnen de Philips groep. Het volgende is daartoe van belang.
Equilib heeft met betrekking tot deze achterliggende partijen geen brondocumenten (zoals AWB’s en/of facturen) overgelegd, maar verwijst uitsluitend naar de gegevens in de overgelegde KPI-rapporten en overige door Philips zelf en/of de door haar ingeschakelde freight forwarders opgestelde documenten en overzichten. Uit de combinatie van vermeldingen van de entiteit die als shipper, dan wel consignee, zou zijn opgetreden en vermeldingen wie (shipper of consignee) heeft betaald leidt Equilib af dat de betreffende entiteiten ook de kosten voor de relevante luchtvrachtvervoersdiensten zouden hebben betaald. De luchtvaartmaatschappijen hebben dat (met betrekking tot deze 13 achterliggende partijen) gemotiveerd betwist en er in dat kader onder meer op gewezen dat uit de overgelegde Excel-bestanden en selecties daaruit blijkt dat de voor Philips Technologie GmbH, Philips Eletrônica da Amazônia Ltda en Philips Electronics Hong Kong Limited uitgelichte luchtvrachtvervoersdiensten, anders dan Equilib stelt, niet bij deze achterliggende partijen in rekening zijn gebracht. In reactie daarop heeft Equilib het volgende gesteld. Het klopt dat de uitgelichte luchtvrachtvervoersdienst voor Philips Technologie GmbH volgens het betreffende bestand bij “Philips Automotive Lighting” in rekening is gebracht, maar zoals blijkt uit de als document Philips 6 overgelegde notitie van een betrokken jurist van Philips is met “Philips Automotive Lighting” Philips Technologie GmbH bedoeld. De luchtvaartmaatschappijen hebben gelijk dat de uitgelichte luchtvrachtvervoersdienst voor Philips Eletrônica da Amazônia Ltda (optredend als consignee) is betaald door shipper Philips Industria Activities NV; Equilib heeft bij de selectie een fout gemaakt, maar in hetzelfde document (Philips 32) zijn op pagina 2 reeds meerdere transacties aan te wijzen die aan de receiver in rekening zijn gebracht (Equilib laat echter na een of meer van die transacties te beschrijven in haar akte). De opmerking van de luchtvaartmaatschappijen dat de voor Philips Electronics Hong Kong gemarkeerde luchtvrachtvervoersdienst zou zijn betaald door Philips France is, gelet op de inhoud van document Philips 34, onjuist. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze reactie van Equilib geen voldoende weerlegging op van de door de luchtvaartmaatschappijen geconstateerde lacunes in de onderbouwing en is gebleken dat op de juistheid van de stellingen van Equilib ten aanzien van het dragen van de kosten niet zonder meer kan worden vertrouwd. Het feit dat met betrekking tot Philips Electronics Hong Kong kennelijk sprake was van een (lees)fout van de luchtvaartmaatschappijen maakt dit, ook wat betreft die entiteit, niet anders. Ook wat betreft Philips Electronics Hong Kong heeft Equilib in het licht van de betwisting door de luchtvaartmaatschappijen onvoldoende toegelicht op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat zij voor ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst heeft betaald/de kosten heeft gedragen. de kosten heeft gedragen. Daar komt bij dat Equilib volgens haar eigen stellingen met betrekking tot twee achterliggende partijen helemaal geen luchtvrachtvervoersdiensten uit de beschikbare informatie aan hen heeft kunnen koppelen. Als dat Equilib al niet lukt kan, anders dan Equilib bepleit, er niet op worden vertrouwd dat deze entiteiten (of hun rechtsvoorgangers) wel luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen in de relevante periode, uitsluitend omdat “deze cedenten bewust zijn geselecteerd”. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de onderbouwing door Equilib ten aanzien van de resterende 13 Philips-entiteiten in het licht van de gemotiveerde betwisting door de luchtvaartmaatschappijen onvoldoende is, mede omdat blijkt dat (gelet ook op de twee cedenten die helemaal niet blijken te kunnen worden “gekoppeld” aan concrete luchtvrachtvervoersdiensten) van de juistheid van de opgaves van Philips en haar freight forwarders niet zonder meer kan worden uitgegaan.
4.184. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de volgende achterliggende partijen moeten afvallen voor het vervolg van deze procedures:
- Philips Lighting B.V.;
- Philips Medical Systems Nederland B.V.;
- Philips Consumer Lifestyle B.V;
- Philips Medizin Systeme Böblingen GmbH;
- Philips GmbH;
- Philips Technologie GmbH;
- Philips Electronique Grand Publique;
- Philips Medical Systems Corporation;
- Philips Eletrõnica da Amazônia Ltda;
- Philips do Brasil Ltda;
- Philips Electronics Singapore Private Limited;
- Philips Electronics Hong Kong Limited;
- Philips Domestic Appliances and Personal Care of Suzhou Ltd.
Koppert
4.185. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een door een luchtvrachtagent Copex Air verstrekt Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Koppert 1);
- e-mails (documenten Koppert 2, 3 en 6);
- een door Koppert B.V. opgesteld Excel-bestand met gegevens over afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten (document Koppert 4);
- een AWB uit 2015 (document Koppert 5);
- een screenshot van een selectie uit document Koppert 1 (document Koppert 6).
4.186. Equilib stelt dat document 1 gedetailleerde data over in de periode 2000-2006 door Koppert afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten bevat als de datum, de luchtvaartmaatschappij, het AWB-nummer, plaats van vertrek en aankomst en het gewicht. In 2015 heeft Koppert B.V. haar luchtvrachtagent gevraagd ook data voor aanvullende jaren te verstrekken (document 2). De data, inclusief die voor de jaren 2007-2010 heeft Koppert B.V. verwerkt in een Excel-bestand dat begin september 2015 met Equilib is gedeeld. Document 3 betreft de e-mail van Koppert B.V. aan Equilib, waarin wordt bevestigd dat de plaats van vertrek steeds Berkel en Rodenrijs was en Schiphol de vertrekluchthaven.
Procesverloop
Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.187. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat de overgelegde AWB uit 2015 komt en dus buiten de relevante periode valt, dat overigens geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand alsmede een succesvolle koppeling met de BRG Database onvoldoende zijn. Verder bevat document 2 slechts de aanvraag van data aan Koppert B.V., wordt in document 3 de overgelegde data toegelicht en gaat document 4 slechts over wanneer een uitspraak van de Europese Commissie kan worden verwacht.
4.188. De rechtbank is van oordeel dat Koppert B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Equilib heeft namelijk wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende onderbouwd, en de luchtvaartmaatschappijen hebben die concrete onderbouwing onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zoals hiervoor onder het toetsingskader ook al is overwogen, hoeft Equilib niet voor iedere achterliggende partij direct bronbewijs bestaande uit een air waybill en/of factuur over te leggen. Equilib heeft in haar akte verstrekking gegevens een concrete luchtvrachtdienst omschreven, met vermelding van luchtvaartmaatschappij, plaats van vertrek en eindbestemming, datum en AWB-nummer. Zij heeft (door de luchtvaartmaatschappijen niet specifiek weersproken) gesteld dat op deze transactie de Incoterm CFR (“cost and freight”) van toepassing was en dat dit inhoudt dat de verkoper (Koppert) de kosten en vracht heeft moeten betalen om de goederen naar de bestemming te brengen. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat Koppert in een groep is verbonden met andere entiteiten die voor haar de luchtvrachtdienst kunnen hebben afgenomen dan wel de kosten daarvan kunnen hebben betaald. In dit licht is de algemene betwisting van de luchtvaartmaatschappijen, die feitelijk niet meer inhoudt dan dat er geen bronbewijs is overgelegd, niet toereikend.
Kyocera
4.189. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een kopie van de historie uit het Handelsregister van Kyocera Mita Europe B.V. (thans Kyocera Document Solutions Europe B.V. (document Kyocera 1);
- een e-mail (document Kyocera 2);
- een foto van een aantal stapels facturen, gesorteerd per freight forwarder (document Kyocera 3);
- een factuur en een AWB (documenten Kyocera 4 en 5);
- e-mails tussen Kyocera Document Solutions Europe B.V. en Claims Funding Europe
(document Kyocera 6);
- Excel-bestanden met vlucht-specifieke gegevens (documenten Kyocera 7 en 8).
4.190. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Kyocera Document Solutions Europe B.V.;
- Kyocera Mita France SAS;
- Kyocera Mita Italy S.p.A.;
- Kyocera Mita Belgium N.V.;
- Kyocera Mita Germany GmbH;
- Kyocera Mita UK Ltd;
- Kyocera Mila Austria GmbH;
- Kyocera Mita Spain S.A.;
- Kyocera Mita Portugal LDA;
- Kyocera Mita Finland Oy;
- Kyocera Mita Nederland B.V.;
- Kyocera Mita South Africa (PTY)Ltd.
4.191. Equilib stelt dat de overgelegde foto een aantal stapels facturen betreft die zijn gericht aan Kyocera Document Solutions Europe B.V. De overige achterliggende partijen hebben in veel mindere mate gebruik gemaakt van luchtvervoer. De overgelegde factuur en AWB betreffen een door Kyocera Mita Europe B.V. (de oude statutaire naam van Kyocera Document Solutions Europe B.V.) afgenomen luchtvrachtvervoersdienst. Document Kyocera 7 bevat 223 zendingen van Kyocera Mita France SAS in de periode december 1999 tot maart 2006 en document Kyocera 8 tien zendingen van Kyocera Mita Italy S.p.A. voor de periode april 2003 tot december 2004. Beide overzichten bevatten gedetailleerde informatie. De onderliggende stukken zijn echter niet voorhanden. Bovendien is sprake van een succesvolle koppeling met de BRG Database.
4.192. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat (met uitzondering van de documenten 4 en 5) geen direct bronbewijs is overgelegd en dat de overgelegde Excel-bestanden alsmede een succesvolle koppeling in de BRG Database onvoldoende zijn. Verder volgt uit de overgelegde e-mails slechts dat een Excel-bestand is verstrekt aan Claims Funding Europe Ltd, de litigation funder van Equilib. Bovendien stelt Equilib zelf dat behalve Kyocera Document Solutions Europe B.V. (voorheen Kyocera Mita Europe B.V.) de overige achterliggende partijen in veel mindere mate gebruikmaakten van luchtvervoer en staat in document 6 dat afgezien van Kyocera Document Solutions Europe B.V., Kyocera Mita France SAS en Kyocera Mita Italy S.p.A.: “The other SC didn’t have airfreight directly but only via Kyocera DS Europe or there was not enough airfreight justify the search for data”. Voorts kan uit de overgelegde foto geen informatie worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de overige achterliggende partijen (behalve Kyocera Document Solutions Europe B.V.) in de relevante periode luchtvrachtvervoersdiensten hebben afgenomen.
4.193. Partijen zijn het erover eens dat Kyocera Document Solutions Europe B.V. mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.194. De rechtbank is van oordeel dat de overige achterliggende partijen moeten afvallen, omdat Equilib er niet in is geslaagd om voor deze partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende te onderbouwen. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar hetgeen hiervoor onder het toetsingskader is overwogen. Equilib heeft weliswaar een grote hoeveelheid geaggregeerde informatie in het geding gebracht, maar zij heeft verzuimd voor ten minste één luchtvrachtvervoersdienst aan de hand van die stukken te concretiseren dat die is afgenomen in de betreffende periode door ieder van deze achterliggende partijen zelf (en bijvoorbeeld niet door een groepsmaatschappij of een derde, die geen cedent is). Met betrekking tot de twee luchtvrachtvervoersdiensten die Equilib beschrijft aan de hand van de documenten 7 en 8 (voor respectievelijk Kyocera France en Kyocera Italia) geldt dat zij daarbij met geen woord rept over de gronden waarop die luchtvrachtvervoersdiensten geacht moeten worden te zijn afgenomen (en de kosten gedragen) door de betreffende achterliggende partijen. In dat licht volstaat de algemene betwisting door de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van deze transacties. Wat betreft de overige achterliggende partijen heeft Equilib helemaal geen specifieke gegevens verstrekt en stelt zij zelfs dat ze in de relevante jaren weinig per luchtvracht hebben vervoerd en/of geen onderliggende stukken hebben kunnen traceren, en dat ze ook niet zijn opgenomen in de VOC voor Kyocera zoals gepresenteerd door Brattle.
Procesverloop
Waarom Equilib haar vorderingen ten aanzien van deze achterliggende partijen dan nog handhaaft is de rechtbank niet duidelijk.
4.195. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de volgende achterliggende partijen moeten afvallen voor het vervolg van deze procedures:
- Kyocera Mita France SAS;
- Kyocera Mita Italy S.p.A.;
- Kyocera Mita Belgium N.V.;
- Kyocera Mita Germany GmbH;
- Kyocera Mita UK Ltd;
- Kyocera Mila Austria GmbH;
- Kyocera Mita Spain S.A.;
- Kyocera Mita Portugal LDA;
- Kyocera Mita Finland Oy;
- Kyocera Mita Nederland B.V.;
- Kyocera Mita South Africa (PTY)Ltd.
Logitech
4.196. Equilib heeft het volgende document overgelegd:
- een factuur met bijbehorende AWB voor een vlucht met Air France van Shanghai naar Parijs (document Logitech 1).
4.197. Partijen zijn het erover eens dat Logitech Europe SA mee mag blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partij haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
Luxottica
4.198. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- facturen (documenten Luxottica 1, 2 en 4);
- een notariële akte van fusie tussen Killer Loop Eyewear SpA en Luxottica Srl (document Luxottica 3);
- twee facturen van freight forwarders (producties 11 en 12 bij repliek inzake een transactie per cedent).
4.199. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen gecedeerd aan Equilib:
- Luxottica S.r.l.;
- Luxottica Distribution Center S.r.l.;
- Oakley Inc.;
- OPSM Group Pty Ltd.;
- Luxottica Group S.A.;
- Luxottica Retail North America Distrubution Inc.;
- Luxottica North America Distribution Inc. en
- Luxottica USA Inc.
4.200. Equilib stelt dat Luxottica haar in 2014 duizenden scans van facturen van freight forwarders uit de kartelperiode (van 2003 tot 2006) ter beschikking heeft gesteld en daarnaast vanuit haar eigen administratie gedetailleerde transactieoverzichten beschikbaar had uit 2001 en 2002 van uitgaven aan luchtvracht. Die gegevens zijn toegevoegd aan het Equilib Transactieoverzicht en aan de hand van die data, aangevuld met schattingen, is een berekening gemaakt van de totale uitgaven aan luchtvracht van Luxottica. De huidige schatting van de VOC ziet op de entiteiten Luxottica Distribution Center Srl, Luxottica Srl en Killer Loop Eyewear Spa en van alle drie die entiteiten wordt een voorbeeld gegeven van een afgenomen luchtvrachtvervoersdienst. Van Oakley Inc. en van OPSM Group Pty Ltd. is geen administratie meer beschikbaar, maar dat gezien de gelijkenissen tussen de productieketen van Oakley Inc. – (sport)brillen, kleding en accessoires – en de andere Luxottica entiteiten dan wel de locaties van de OPSM winkels en de productielocaties van de door haar verkochte goederen is aannemelijk dat zij geraakt zijn door het kartel, aldus steeds Equilib.
4.201. De luchtvaartmaatschappijen zetten hier, met betrekking tot alle achterliggende partijen, behalve de twee in de volgende rechtsoverweging genoemde, tegenover dat geen direct bronbewijs is overgelegd waaruit blijkt dat de betreffende achterliggende partijen ieder ten minste één luchtvrachtvervoersdienst hebben afgenomen in de relevante periode. Voor Killer Loop Eyewear (die geen cedent is en wiens naam voor het eerst opduikt in deze procedure) is wel een factuur overgelegd, maar die ziet op invoerrechten en niet op de luchtvrachtvervoersdienst zelf en gaat slechts vergezeld van een douaneformulier dat geen AWB-nummer bevat en ook overigens niet de minimaal vereiste informatie. Dat Equilib niet meer facturen van freight forwarders overlegt is des te opmerkelijker omdat zij stelt er duizenden te hebben ontvangen van Luxottica, aldus de luchtvaartmaatschappijen.
4.202. Partijen zijn het erover eens dat Luxottica S.r.l. en Luxottica Distribution Center S.r.l. mee mogen blijven doen in het vervolg van deze procedures. Ook de rechtbank is van oordeel dat Equilib wat betreft deze achterliggende partijen haar vordering conform de opdracht van de rechtbank voor dit moment voldoende heeft onderbouwd, nu zij met betrekking tot ten minste één specifieke luchtvrachtvervoersdienst concrete verifieerbare informatie heeft verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat die is afgenomen in de relevante periode.
4.203. Met de luchtvaartmaatschappijen is de rechtbank is van oordeel dat Oakley Inc., OPSM Group Pty Ltd., Luxottica Group S.A., Luxottica Retail North America Distrubution Inc., Luxottica North America Distribution Inc. en Luxottica USA Inc. moeten afvallen, omdat een algemene beschrijving van de activiteiten en/of de locaties van de winkels van deze entiteiten niet volstaat en onweersproken geen specifieke stellingen ten aanzien van hen zijn ingenomen of stukken zijn overgelegd.
Mavuno Group
4.204. Equilib heeft de volgende documenten overgelegd:
- een krantenartikel (document Mavuno Group 1);
- e-mails tussen de Mavuno Group en Claims Funding Europe (documenten Mavuno Group 2 en 3);
- een maandoverzicht van vervoerde luchtvracht uit januari 2004 (document Mavuno Group 4);
- een maandoverzicht van luchtvracht uit maart 2004 (document Mavuno Group 5);
- een Excel-bestand met gegevens over vluchten vanuit Nairobi naar Amsterdam en Londen (document Mavuno Group 6);
- screenshots uit bovengenoemd Excel-bestand (documenten Mavuno Group 7 en 8).
4.205. De volgende entiteiten binnen deze groep hebben hun (gestelde) vorderingen aan Equilib gecedeerd:
- Oserian Development Company Ltd;
- Bloom B.V.;
- World Flowers Ltd;
- Fast Track Flowers Ltd;
- World Flowers LLC.
4.206. Equilib stelt dat de activiteiten van de Mavuno Groep zowel het kweken van bloemen in Kenia als de logistiek en de verhandeling van deze bloemen in Nederland en het Verenigd Koninkrijk omvatten. Dat de groep luchtvrachtvervoersdiensten heeft afgenomen in de relevante periode kan in rechte worden vastgesteld gezien de noodzaak van gebruik van dit type transport voor het verhandelde product. De directe afnemer was (destijds) dochtermaatschappij Airflo. De kosten heeft Airflo doorberekend aan Bloom B.V. en aan Fast Track Flowers Ltd en World Flowers Ltd, andere entiteiten binnen de groep. Dit blijkt uit de overgelegde e-mails uit 2013 met betrekking tot het inzichtelijk krijgen van details van afgenomen luchtvrachtvervoersdiensten in de jaren 1999-2006. Hardcopy AWB’s waren niet meer aanwezig. Documenten Mavuno Group 4 en 5 zijn interne overzichten uit januari en maart 2004, waarin staat hoeveel vrachten, dozen en kilogrammen per luchtvaartmaatschappij zijn vervoerd. Aan de hand van die overzichten en de administratie van Airflo is een Excel-bestand opgesteld met zoveel mogelijk details. Documenten Mavuno Groep 7 en 8 bevatten databestanden met details van facturen uit 2006 en 2007 voor vluchten met Martinair van Kenia naar Amsterdam respectievelijk Londen, zonder AWB-nummers maar wel met vluchtnummers en datum. Verder is in de BRG Database ten onrechte alleen gezocht op de term ‘Mavuno’.
4.207. De luchtvaartmaatschappijen voeren aan dat geen direct bronbewijs is overgelegd en dat het overgelegde (screenshot van het) Excel-bestand onvoldoende is.