Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-05-24
ECLI:NL:RBAMS:2023:3268
Civiel recht
Tussenuitspraak
12,034 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/713418 / HA ZA 22-120
Vonnis van 24 mei 2023
in de zaak van
1DE ERFGENAAM VAN [eiser 1] 2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [plaats] ,
eisers,
advocaat: mr. B.J. Mekkelholt te Den Helder.
tegen
1de heer [gedaagde 1] , 2. de heer [gedaagde 2] , 3. de heer [gedaagde 3] , 4. de heer [gedaagde 4] ,
allen wonende te [plaats] ,
gedaagden,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijssens te Den Haag,5. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [gedaagde 5],
tot haar overlijden wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. M. Bonefaas te Hoorn,
Eisers worden hierna afzonderlijk (de erfgenaam van) [eiser 1] (1) en [eiser 2] genoemd.
Gedaagden worden hierna afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] , [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] en (de erfgenamen van) [gedaagde 5] (5) genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incidenten 3 augustus 2022 en de daarin genoemde stukken,
- het vonnis in incident van 7 september 2022 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ,
- het tussenvonnis van 23 november 2022 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 maart 2023 en de daarin genoemde stukken,
- de brief van mr. Bonefaas van 31 maart 2023 waarin hij – samengevat – namens (de erfgenamen van) [gedaagde 5] de volgende vier opmerkingen op het proces-verbaal heeft gemaakt:
Bladzijde 3, laatste alinea: het begrip ‘betrokkenen’ is niet juist of niet volledig. Het gaat om de beperkte betrokkenen bij die grondtransactie, de familieleden die de transactie zijn aangegaan.
Bladzijde 3, laatste alinea: mr. Mekkelholt heeft niet aangegeven dat de fiscus akkoord is gegaan met de onderlinge overdrachten. Het ging om de waarde die naar verwachting door de fiscus nog geaccepteerd zou kunnen worden.
Bladzijde 4, eerste alinea: het begrip ‘partijen’ is niet juist. Het gaat hier om de bij die transactie betrokkenen, de familieleden die de transactie zijn aangegaan.
Bladzijde 6, laatste alinea: (de erfgenamen van) [gedaagde 5] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het antwoord op de vraag of sprake is van genot of van economische inbreng van de landerijen in de maatschap.
- de brief van mr. Mekkelholt van 4 april 2023 waarin hij opmerkt dat (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] zich kunnen verenigen met de door mr. Bonefaas in zijn brief van 31 maart 2023 gemaakte opmerkingen op het proces-verbaal.
1.2.
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
Feiten
2.1.
In de jaren tachtig is [naam 1] (wijlen vader van eisers in de hoofdzaak) gaan samenwerken met [gedaagde 1] . In dat verband hebben zij sindsdien in de loop der jaren gezamenlijk, te weten ieder voor de helft, in totaal ongeveer 140 hectare aan landerijen gekocht. Aan deze samenwerking ligt geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag en ook nadien zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt.
2.2.
In de loop der tijd heeft de samenwerking vorm gekregen in vier maatschappen. De maatschappen verpachten de landerijen aan derden.
2.3.
[gedaagde 1] en later ook [gedaagde 2] exploiteren een loonbedrijf dat in opdracht de landerijen bewerkt.
2.4.
[gedaagde 3] exploiteert een bloembollenbedrijf op een deel van de landerijen.
2.5.
[naam 1] is in 2010 overleden, waarna de tweede generatie, [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde 3] , de familiebelangen heeft overgenomen.
2.6.
De vier maatschappen zijn – schematisch weergegeven – als volgt ingericht en in ieder geval de volgende arealen aan landerijen zijn daarin ingebracht:
Maatschap
Areaal
Deelgenoten
Percentage
1. [maatschap 1]
77.81.52 ha
[gedaagde 1]
[gedaagde 4]
[gedaagde 5]
[eiser 1]
[eiser 2]
50,00
16,67
16,67
8,33
8,33
2. [maatschap 2]
41.70.32 ha
[gedaagde 1]
[eiser 1]
[eiser 2]
[gedaagde 3]
50,00
16,67
16,67
16,67
3. [maatschap 3]
19.23.20 ha
[gedaagde 2]
[eiser 1]
[eiser 2]
[gedaagde 3]
50,00
16,67
16,67
16,67
4. [maatschap 4]
3.86.90 ha
[gedaagde 1]
Rooijakkers Lelie B.V.
50,00
50,00
Alleen de als tweede en vierde genoemde maatschappen zijn ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.De als vierde genoemde maatschap speelt in deze procedure geen rol.
2.7.
Partijen hebben tussen 2008 en 2021 meermaals gepoogd de samenwerking te beëindigen, ook met behulp van een mediator. Deze pogingen hebben nog niet tot overeenstemming geleid.
2.8.
Intussen heeft [eiser 2] op 24 juni 2020 onder meer het volgende aan [eiser 1] en [gedaagde 3] gemaild:
“ [naam 2] heeft mij gisteren gebeld inz. [gedaagde 1] (…)
(…)
Ik heb hem nogmaals meegedeeld dat de samenwerking voor ons uiteindelijk wel eindig is, dit heeft hij ook tegen [gedaagde 1] gezegd.
Dit desnoods in een stappenplan die [gedaagde 1] al een paar jaar geleden van ons heeft gehad.”
2.9.
Op 22 september 2020 heeft [eiser 2] onder meer het volgende aan [eiser 1] en [gedaagde 3] gemaild:
“Zoals vrijdag al besproken hierbij de mail die ik morgen naar [gedaagde 1] ga sturen, de inhoud is duidelijk denk ik.
Door een pachtcontract voor 6 jaar aan te gaan krijgt [gedaagde 1] nog de tijd om een paar jaar door te draaien en weten wij als [gedaagden 3 en 4] dat deze samenwerking eindig is. Wij hoeven dan geen maatschappen met derden over te laten die onze kinderen uiteindelijk over moeten nemen. Voor [gedaagde 3] zou het mooi zijn omdat hij met het vrijkomen over 6 jaar van land en/of geld de financiering van het land van [eiser 1] en [eiser 2] (over 10 jaar) makkelijker rond kan krijgen.”
2.10.
[gedaagde 3] heeft op 17 april 2021 onder meer het volgende aan [eiser 2] gemaild:
“(…) Jullie willen de maatschappen ontbinden ik niet ! (…) Afgesproken is dat alles wat we in beheer hebben, daar de tijd voor hebben. (10 tot 15 jaar). Vervolgens wil je alles zsm opgelost hebben.”
2.11.
In reactie daarop heeft [eiser 2] diezelfde dag het volgende aan [gedaagde 3] gemaild:
“We zijn vanaf 2010 bezig om te splitsen met [gedaagde 1] , dat is dus al 11 jaar geleden. In 2012 heb je zelf nog een mail gestuurd naar [gedaagde 1] , (met een cc naar je vader) dus de verschillende families zijn al jaren op de hoogte wat de wensen/plannen van ons waren. In 2015 heb je actief meegeholpen met voorstellen om te ontbinden met [gedaagde 1] wat uiteindelijk heeft geleid tot een splitsing van de kosten/baten per maatschap (…). Door de uittreding van [eiser 1] en mij hebben we toen de splitsing met [gedaagde 1] even op de lange baan gezet. Vanaf 2016 hebben we verschillende gesprekken en mailverkeer gehad met Leegwater, helaas zonder resultaat.”
2.12.
[gedaagde 5] , echtgenote van wijlen [naam 1] , is op 5 februari 2021 overleden.
2.13.
Bij brieven van 11 juni 2021 heeft (de voormalig advocaat van) (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] de maatschappen 1 tot en met 3 per 1 januari 2022 opgezegd.
2.14.
[eiser 1] is op 30 september 2022 overleden.
Geschil
3.1. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. ten aanzien van de economische eigendom en de maatschappen:
- benoeming van deskundigen ter:
waardering van de in de maatschappen 1 tot en met 3 in economisch eigendom ingebrachte landerijen naar de waarde in het economisch verkeer in zowel verpachte als in niet verpachte staat, waarbij in de waardering van het land [het land] de aanwezigheid van een spoorwegovergang, een recht van overpad en een schuur wordt betrokken,
opstelling van de jaarrekening van 2021 van de maatschappen 1 tot en met 3,
bepaling van de waardeverandering van de in 3.1 onder 1 bedoelde getaxeerde landerijen ten opzichte van de waarde bij inbreng,
bepaling van de vermogenspositie van elke vennoot in de maatschappen 1 tot en met 3, met inachtneming van het advies van de deskundige ten aanzien van de in 3.1 onder 3 bedoelde waardeverandering,
bepaling van de vermogenspositie van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] in de maatschappen 1 tot en met 3, met inachtneming van de door de te benoemen deskundigen uitgebrachte adviezen,
opstelling van de slotbalans en winst- en verliesrekening van de maatschappen 1 tot en met 3 per 31 december 2021 tot aan de datum van de verdeling,
- veroordeling van:
7. [gedaagde 1] , [gedaagde 4] en de erfgenamen van [gedaagde 5] tot (verlenen van medewerking aan) uitkering aan (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] van hun vermogensposities in de maatschap 1, zoals door de rechtbank bepaald,
8. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot (verlenen van medewerking aan) uitkering aan (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] van hun vermogensposities in de maatschap 2, zoals door de rechtbank bepaald,
9. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot (verlenen van medewerking aan) uitkering aan (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] van hun vermogensposities in de maatschap 3, zoals door de rechtbank bepaald,
- bepaling dat zowel de definitieve kosten als het te verstrekken voorschot op de kosten van de te benoemen deskundigen ten laste komen van de maatschappen 1 tot en met 3,
II. ten aanzien van de juridische eigendom van landerijen:
- de wijze van verdeling te bepalen en te gelasten van het gezamenlijke eigendom van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] met hierna te noemen deelgenoten ten aanzien van de volgende landerijen:
[adres 1] met [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en de erfgenamen van [gedaagde 5] ,
[adres 2] met [gedaagde 2] ,
[adres 3] met [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en de erfgenamen van [gedaagde 5] ,
[adres 4] met [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en de erfgenamen van [gedaagde 5] ,
[adres 5] met [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
[adres 6] met [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
- bepaling dat het vonnis in plaats van de akte zal treden indien een deelgenoot weigert mee te werken aan de verdeling,
III. ten aanzien van maatschap [maatschap 1] (voorwaardelijk):
- de (wijze van) verdeling te bepalen of vast te stellen respectievelijk te gelasten van het aandeel in het vermogen van de maatschap [maatschap 1] in maatschap 1, met inachtneming van hetgeen wordt geoordeeld over de in 3.1 onder I. genoemde vordering,
ten aanzien van maatschap [maatschap 2] (voorwaardelijk):
- de (wijze van) verdeling te bepalen of vast te stellen respectievelijk te gelasten van het aandeel in het vermogen van de maatschap [maatschap 2] in de maatschap 2 respectievelijk maatschap 3, met inachtneming van hetgeen wordt geoordeeld over de in 3.1 onder I genoemde vordering,
IV. ten aanzien van de kosten:
- hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en de erfgenamen van [gedaagde 5] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
De in 3.1 onder III genoemde vorderingen zijn voorwaardelijk indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat de maatschap [maatschap 1] respectievelijk [maatschap 2] kwalificeren als maatschappen als bedoeld in artikel 7A:1665 e.v. BW.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren verweer en concluderen niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen.
3.4.
De erfgenamen van [gedaagde 5] voeren verweer en concluderen daarbij – samengevat – tot afwijzing van enkele vorderingen en refereren zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Beoordeling
Inleiding
4.1. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] vorderen – kort gezegd – verdeling van ongeveer 140 hectare aan landerijen die zij in gemeenschappelijk eigendom hebben met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en (de erfgenamen van) [gedaagde 5] . Daarnaast vorderen (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] verdeling en vereffening van de maatschappen waarin die landerijen zijn ingebracht. Samengevat verzetten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zich tegen de gevorderde verdeling. (De erfgenamen van) [gedaagde 5] refereren zich grotendeels aan het oordeel van de rechtbank over de vorderingen van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] .
4.2.
In deze procedure hebben partijen aan de rechtbank verschillende vragen voorgelegd die hen verdeeld houden. De rechtbank zal hierna de volgende vragen behandelen:
Kunnen (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] worden ontvangen in hun vorderingen?
Voortzetting van de samenwerking tot 2027 althans 2032?
Opzegtermijn te kort?
Kan nu worden verdeeld?
Economisch eigendom of genot van de landerijen ingebracht in de maatschappen?
Tegen welke waarde moeten de landerijen worden gewaardeerd?
Hoe nu verder?
Kunnen (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] worden ontvangen in hun vorderingen?
4.3.
De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is of (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. (De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] hebben tijdens de zitting toegelicht dat naast de in deze procedure betrokken partijen, er nog drie personen zijn die ieder voor 1/30ste deel eigenaar zijn van een tweetal kleine landerijen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben daarop tijdens de zitting betoogd dat (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] nietontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat niet alle deelgenoten van de gemeenschap in deze procedure zijn betrokken.
4.4.
De rechtbank volgt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet in hun betoog. Deze omstandigheid kan er mogelijk wel toe leiden dat de betreffende percelen in het kader van deze procedure buiten de vaststelling van de (wijze van) verdeling moeten blijven.
Daarbij kan relevant zijn dat mr. Mekkelholt tijdens de zitting onbestreden heeft toegelicht dat de drie deelgenoten die niet in deze procedure zijn betrokken, schriftelijk hebben verklaard in te stemmen met verkoop van de landerijen waarvan zij (gedeeltelijk) eigenaar zijn en bereid zijn mee te werken aan de verdeling.
4.5.
Dit alles betekent dat (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] kunnen worden ontvangen in hun vorderingen.
Voortzetting van de samenwerking tot 2027 althans 2032?
4.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] stellen dat de maatschappen zijn aangegaan en voortgezet voor bepaalde tijd. Volgens hen hebben [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds eind 2017 afgesproken dat de samenwerking nog 10 tot 15 jaar zou worden voortgezet. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] verbinden hieraan de conclusie dat tot 2027 althans 2032 niet kan worden verdeeld.
4.7. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] betwisten dat zij eind 2017 met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben afgesproken dat de samenwerking nog 10 tot 15 jaar zou worden voortgezet. Zij hebben tijdens de zitting verklaard dat toen slechts is besproken dat een verdeling op termijn mogelijk was, maar dat die termijn nooit is geconcretiseerd. Daarnaast hebben zij toegelicht dat het [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op dat moment duidelijk was dat de samenwerking – wat [eiser 1] en [eiser 2] betrof – eindig was.
4.8.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben in dit verband verwezen naar e-mailcorrespondentie tussen ( [eiser 1] en) [eiser 2] en [gedaagde 3] in de periode tussen 24 juni 2020 en 17 april 2021 (zie hiervoor onder 2.8 tot en met 2.11). Uit die correspondentie volgt echter niet dat eind 2017 is afgesproken dat de samenwerking nog 10 tot 15 jaar zou worden voortgezet. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.9.
[eiser 2] doet in zijn e-mail van 24 juni 2020 (zie hiervoor onder 2.8) aan [eiser 1] en [gedaagde 3] verslag van een gesprek dat hij met [naam 2] heeft gevoerd. Daarin wordt alleen verwezen naar een stappenplan dat Leegwater een aantal jaren daarvoor van hen had gekregen, maar hieruit volgt niet de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gestelde afspraak.
4.10.
In zijn e-mail van 22 september 2020 (zie hiervoor onder 2.9) heeft [eiser 2] een concepttekst voor een e-mail aan [gedaagde 1] met [eiser 1] en [gedaagde 3] gedeeld. In zijn concepttekst heeft [eiser 2] – samengevat – geschreven dat [gedaagde 1] met een pachtcontract nog zes jaar de tijd krijgt om door te gaan met de exploitatie van het land. [eiser 2] vervolgt dat dit voor [gedaagde 3] mooi zou zijn, omdat met het vrijkomen van het land over zes jaar het voor hem makkelijker is de financiering rond te krijgen voor de overname van het land van [eiser 1] en [eiser 2] over tien jaar. Deze e-mail betreft dus een voorstel dat [eiser 2] aan [gedaagde 1] wilde doen. Dat [gedaagde 1] vervolgens met dat voorstel akkoord is gegaan, blijkt nergens uit. Hieruit kan de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gestelde afspraak dan ook niet worden afgeleid.
4.11.
Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] verwezen naar de e-mail van [gedaagde 3] van 17 april 2021 (zie hiervoor onder 2.10). De rechtbank begrijpt deze e-mail aldus dat [gedaagde 3] niet wil dat de maatschappen worden ontbonden en dat hij meent dat is afgesproken dat de samenwerking nog 10 tot 15 jaar zou worden voortgezet. Uit de reactie van [eiser 2] diezelfde dag (zie hiervoor onder 2.11) blijkt echter niet dat hij het daarmee eens is. Integendeel, daarin schrijft [eiser 2] juist dat de families [maatschap 2] en [gedaagden 1 en 2] al jarenlang op de hoogte zijn van het plan om de samenwerking te beëindigen en dat [gedaagde 3] zelf ook uitvoering heeft gegeven aan dat plan. Uit de enkele passage dat de splitsing met [gedaagde 1] in 2015 even op de lange baan is gezet, kan ook niet worden afgeleid dat eind 2017 is afgesproken dat de samenwerking nog 10 tot 15 jaar zou worden voortgezet.
4.12.
Verder blijkt uit iedere e-mail van [eiser 2] in de periode tussen 24 juni 2020 en 17 april 2021 dat de samenwerking wat hem – en [eiser 1] – betrof eindig was. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat partijen al vanaf 2008 meermaals hebben geprobeerd de samenwerking te beëindigen. Gelet op dit alles ligt het ook niet voor de hand dat [eiser 1] en [eiser 2] akkoord zouden zijn gegaan met een voortzetting van de samenwerking voor nog 10 tot 15 jaar.
4.13.
Naast de e-mailcorrespondentie in de periode tussen 24 juni 2020 en 17 april 2021 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] geen andere omstandigheden naar voren gebracht waaruit de door hen gestelde afspraak blijkt.
Dictum
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 juni 2023 voor het nemen van een akte door alle partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage (zie hiervoor onder 4.49),
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023.
Beoordeling
4.14.
Bij deze stand van zaken hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] onvoldoende gemotiveerd dat [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds eind 2017 hebben afgesproken dat de samenwerking nog 10 tot 15 jaar – dus tot 2027 althans 2032 – zou worden voortgezet. Om die reden worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ook niet tot het bewijs hiervan toegelaten.
Opzegtermijn te kort?
4.15.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bepleiten verder dat de door [eiser 1] en [eiser 2] gehanteerde opzegtermijn voor de maatschappen van zes maanden te kort is. Daarin worden zij niet gevolgd. Daartoe is het volgende redengevend.
4.16.
Partijen hebben vanaf 2008 meermaals geprobeerd de samenwerking te beëindigen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] wisten dus dat het einde van de maatschappen eraan zat te komen. Verder heeft de opzegging van de maatschappen door [eiser 1] en [eiser 2] per 1 januari 2022 feitelijk geen gevolg gehad, omdat de maatschappen nog steeds voortduren zolang deze niet zijn vereffend. De landerijen worden dan ook geëxploiteerd en bewerkt op dezelfde wijze als voor de opzegging. Dat [eiser 1] en [eiser 2] zich gerealiseerd moeten hebben dat opzegging van de maatschappen voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] grote ingrijpende financiële gevolgen kon hebben, betekent niet dat zij daarom een langere opzegtermijn in acht moesten nemen. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] daadwerkelijk (financieel) zijn benadeeld door deze opzegging, blijkt bovendien nergens uit.
4.17.
Gelet op dit alles valt niet in te zien dat de door [eiser 1] en [eiser 2] gehanteerde opzegtermijn van zes maanden te kort is.
Kan nu worden verdeeld?
4.18. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] willen dat nu wordt verdeeld. (De erfgenamen van) [gedaagde 5] verzetten zich niet tegen een verdeling op dit moment.
4.19.
Daartegenover betogen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen een verdeling op dit moment. Daarnaast verzoeken zij de rechtbank de vordering tot verdeling van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] voor drie jaar uit te sluiten.
4.20.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Het uitgangspunt is dat niemand kan worden verplicht om in onverdeeldheid te blijven. Dat wil zeggen dat als iemand vraagt om een gezamenlijk goed te verdelen, de rechter dit ook zal moeten doen. Alleen in bijzondere gevallen kan worden bepaald dat er nog niet verdeeld hoeft te worden. Dat is namelijk alleen als de belangen van degene die niet tot verdeling wil overgaan aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van degene die wel wil verdelen. In dat geval kan de rechter op verlangen van een deelgenoot één of meerdere keren, telkens voor maximaal drie jaar, een vordering tot verdeling uitsluiten (artikel 3:178 lid 3 BW).
4.21.
Voor de beantwoording van de vraag of hier op dit moment kan worden verdeeld, komt het dus aan op een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank wegen in dit geval de belangen van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] en (de erfgenamen van) [gedaagde 5] zwaarder dan de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en kan daarom nu worden verdeeld. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.22. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] hebben toegelicht dat zij belang hebben bij een verdeling op dit moment, omdat zij al lang van de samenwerking af willen. Zij hebben erop gewezen dat partijen vanaf 2008 meermaals hebben geprobeerd de samenwerking te beëindigen, maar zonder succes. Daarnaast hebben [eiser 1] en [eiser 2] reeds in de dagvaarding toegelicht dat zij (de afwikkeling van) deze samenwerking niet willen doorgeven aan hun kinderen. [eiser 1] is tijdens deze procedure overleden, waardoor dit belang wordt onderstreept. Zijn erfgenaam heeft bovendien toegelicht dat zij als gevolg van zijn overlijden, rekening moet houden met een belastingclaim van tenminste € 798.000,00, maar dat zij niet genoeg geld heeft om die belastingclaim te kunnen betalen.
4.23. (
De erfgenamen van) [gedaagde 5] hebben tijdens de zitting gesteld dat er geen grond is voor verder uitstel van de verdeling en gewezen op het feit dat partijen vanaf 2008 meermaals hebben geprobeerd de samenwerking te beëindigen. Verder hebben (de erfgenamen van) [gedaagde 5] toegelicht dat zij reeds in 2013 – na een conflictsituatie – uit de samenwerking zijn gestapt, maar dat zij door het overlijden van hun moeder opnieuw met deze samenwerking worden geconfronteerd. Zij willen dat op dit moment wordt verdeeld, om zo verdere conflictsituaties te voorkomen en om te voorkomen dat de complexiteit van de samenwerking verder toeneemt.
4.24.
Tegenover dit alles hebben – met name – [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onder meer toegelicht dat zij de landerijen wel zouden willen overnemen, maar dat op dit moment niet kunnen betalen. Zij hebben verklaard dat zij in het (recente) verleden landerijen hebben overgenomen en daarom nu eerst in staat gesteld moeten worden financieel ‘vet op de botten te krijgen.’ [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben echter geen inzicht gegeven in hun financiële posities op dit moment. Dit had wel op hun weg gelegen, gelet op de betwisting van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] . Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op dit moment de overname van de landerijen niet zouden kunnen betalen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden om de verdeling verder uit te stellen.
4.25.
Daarnaast stellen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dat een verdeling de exploitatie van hun loonbedrijf en bloembollenbedrijf verstoort en zij daardoor belemmerd worden die bedrijven uiteindelijk aan hun kinderen over te dragen. Deze omstandigheden staan op zichzelf echter niet in de weg aan een verdeling op dit moment. Het pleit wel voor een toedeling aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De rechtbank ziet daarin ook geen aanleiding om de verdeling verder uit te stellen.
4.26.
Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] tijdens de zitting opgemerkt dat de erfgenaam van [eiser 1] aan het einde van dit jaar een bedrag van ongeveer € 4,5 ton ontvangt en op termijn van enkele jaren nog meer dan € 1 miljoen uit andere grondposities of bedrijven ontvangt. De rechtbank begrijpt deze opmerking als nuancering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op het door de erfgenaam van [eiser 1] gestelde financiële belang bij een verdeling op dit moment. Daarin worden zij niet gevolgd. De erfgenaam van [eiser 1] heeft namelijk een brief van 6 februari 2023 van haar fiscaal adviseur overgelegd. Daaruit blijkt dat zij binnen enkele maanden na laatstgenoemde datum rekening moet houden met een belastingclaim van € 798.000,00. Als het al juist is dat de erfgenaam van [eiser 1] aan het einde van dit jaar € 4,5 ton ontvangt en zij dit bedrag zou gebruiken om de belastingclaim te betalen, dan hangt haar op korte termijn nog steeds belastingclaim van € 348.000,00 boven het hoofd. De erfgenaam van [eiser 1] heeft dus ook in dat geval een groot financieel belang bij een verdeling op dit moment. De enkele stelling dat de erfgenaam van [eiser 1] binnen enkele jaren nog meer dan € 1 miljoen ontvangt, maakt dat niet anders.
Beoordeling
4.27.
Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in dit verband nog betogen dat in 2017 is afgesproken dat niet zou worden verdeeld tot tenminste 2027, wordt dat betoog – gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 tot en met 4.14 is overwogen – verworpen.
4.28.
Dit alles leidt tot het oordeel dat de belangen van (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] en (de erfgenamen van) [gedaagde 5] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Dit betekent dat nu kan worden verdeeld.
Economisch eigendom of genot van de landerijen ingebracht in de maatschappen?
4.29.
Verder twisten partijen over de vraag of de landerijen in de maatschappen zijn ingebracht door de inbreng van het economisch eigendom of door de inbreng van het genot daarvan. (De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] stellen – samengevat – dat het economisch eigendom van de landerijen is ingebracht in de maatschappen. Daartegenover betogen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] – samengevat – dat het genot van de landerijen is ingebracht in de maatschappen. (De erfgenamen van) [gedaagde 5] refereren zich aan het oordeel van de rechtbank over het antwoord op de vraag of het economisch eigendom of het genot van de landerijen is ingebracht in de maatschappen.
4.30.
De rechtbank stelt voorop dat partijen zich niet expliciet hebben uitgelaten over wat zij nu precies verstaan onder de ‘inbreng van economisch eigendom.’ Het begrip ‘economisch eigendom’ is geen wettelijk begrip. Het is een verzamelterm voor verschillende rechtsverschijnselen waarbij de economische waarde van een zaak toekomt aan een ander dan de juridisch rechthebbende.
4.31.
Daarnaast neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat een zaak – kort gezegd – op de volgende manieren kan worden ingebracht:
de zaak wordt mede-eigendom van de maten,
de zaak blijft eigendom van de inbrenger, maar de waarde daarvan gaat deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van de maatschap, zodat bij vereffening waardevermeerdering en -vermindering met hem moet worden verrekend,
de zaak blijft eigendom van de inbrenger en de maatschap krijgt enkel het genot van de zaak.
Het antwoord op de vraag op welke manier een zaak is ingebracht, is dus van belang om te kunnen bepalen of waardeveranderingen van die zaak voor rekening van de maatschappen of voor rekening van de afzonderlijke eigenaren van die zaak komen. Aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval zal moeten worden bepaald op welke manier een zaak is ingebracht. De rechtbank wijst in dit verband ook op artikel 7A:1655 BW. Daaruit volgt dat het doel van de maatschap is om het daaruit ontstaande voordeel met elkaar te delen.
4.32. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het economisch eigendom van de landerijen is ingebracht in de maatschappen. Ter onderbouwing van die stelling hebben zij drie afzonderlijke pagina’s van conceptaccountantsrapporten van verschillende maatschappen uit 2019 overgelegd. Tijdens de zitting hebben (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] op vraag van de rechtbank echter verklaard dat hen niet duidelijk is wat partijen en de boekhouder met de vermelding van de landerijen in de jaarstukken hebben bedoeld en dat zij vermoeden dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de kosten van die landerijen bij de maatschappen in rekening worden gebracht en dat de opbrengsten via de maatschappen verlopen.
4.33.
Verder hebben (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] tijdens de zitting verklaard dat zij niet weten hoe de door hen gestelde creditering van de inbrengende vennoten voor (hun aandeel in) de inbrengwaarde van de landerijen heeft plaatsgevonden en dat [eiser 1] en [eiser 2] daarbij ook niet betrokken waren.
4.34.
Tegenover dit alles hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aangevoerd dat het genot van de landerijen is ingebracht in de maatschappen. Zij hebben toegelicht dat de landerijen privé-eigendommen waren en dat het inbrengen van het genot van de landerijen in de maatschappen – fiscaal gezien – de gunstigste optie was. Daarnaast is volgens hen voor de inbreng van het economisch eigendom van de landerijen in de maatschappen onder meer van belang is dat de actuele waarde van de landerijen steeds wordt opgenomen op de balans van de maatschappen, maar is dat in dit geval nooit gebeurd. (De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] hebben deze standpunten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet afzonderlijk weersproken.
4.35.
Daarnaast heeft van mevrouw [naam 3] – de boekhouder van de onderneming van [gedaagde 3] – tijdens de zitting verklaard dat de maatschappen een administratief vehikel vormen. Volgens haar was het inbrengen van de landerijen in de maatschappen ingegeven door praktische overwegingen, namelijk voor het openen van bankrekeningen en het ten laste brengen van bepaalde kosten aan de maatschappen, zoals kosten voor de verbetering van de landerijen. Deze door mevrouw [naam 3] gestelde gang van zaken, hebben (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] evenmin betwist.
4.36.
Bovendien hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] tijdens de zitting toegelicht dat (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] voor de inbreng van het genot van de landerijen jaarlijks € 65.000,00 uit de maatschappen ontvangen. Ook hiertegen hebben (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] niets ingebracht.
4.37.
Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit dat het genot van de landerijen is ingebracht in de maatschappen. Dit betekent dat waardeveranderingen van de landerijen niet voor rekening van de maatschappen, maar voor rekening van de afzonderlijke eigenaren van de landerijen komen.
Tegen welke waarde moeten de landerijen worden gewaardeerd?
4.38.
Verder zijn partijen het oneens over de vraag tegen welke waarde de landerijen moeten worden gewaardeerd. (De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] stellen – samengevat – dat de landerijen moeten worden gewaardeerd tegen de marktwaarde. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] willen de landerijen wel overnemen, maar bepleiten dat die moeten gewaardeerd tegen de agrarische waarde en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de onverdeelde en verpachte staat van de landerijen.
4.39.
Voor de beantwoording van de vraag tegen welke waarde de landerijen moeten worden gewaardeerd, is in beginsel bepalend welke afspraken partijen daarover hebben gemaakt. Bij het aangaan van de onderhavige samenwerking is niets afgesproken over de waardebepaling van de landerijen in geval van overdracht. Ook daarna zijn hier geen afspraken over gemaakt. Destijds is wel afgesproken dat de verworven landerijen binnen de families [gedaagden 3 en 4] en [gedaagden 1 en 2] zouden blijven. [naam 1] fungeerde toen als makelaar die de landerijen inbracht en vervolgens bewerkte [gedaagde 1] die landerijen met zijn loonbedrijf. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij en [naam 1] er bewust voor hebben gekozen om de landerijen in gedeeld eigendom te hebben, om te voorkomen dat hijzelf te snel uit de samenwerking zou stappen.
4.40.
Hoe de rechtsbetrekking tussen partijen moet worden uitgelegd moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
Beoordeling
Kort gezegd, is volgens die maatstaf bepalend wat partijen over en weer redelijkerwijs hebben mogen begrijpen en verwachten. Hierbij zijn van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding beheersen, meebrengen. Dat wat tussen hen heeft te gelden, wordt ook bepaald door hetgeen hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. Het feitelijk handelen van partijen na het sluiten van de overeenkomst is ook van belang voor de vaststelling van de afspraken en de uitleg daarvan.
4.41.
Op basis van rechtspraak van de Hoge Raad moet mede in aanmerking worden genomen dat:
de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die de voorzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt, en
het steeds de bedoeling van de maten is geweest dat één van hen het bedrijf na de ontbinding zou kunnen voortzetten tegen voldoening van een vergoeding waarbij de exploitatie van het bedrijf nog juist lonend is.
Daarnaast moet de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten worden meegewogen (HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172).
4.42.
In dit geval staan de redelijkheid en billijkheid en hetgeen partijen op basis van verklaringen en gedragingen uit het verleden van elkaar mogen verwachten eraan in de weg dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de landerijen tegen de marktwaarde zouden moeten overnemen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de onderhavige rechtsbetrekking een samenwerking tussen twee families betreft. Die twee families hebben vanaf de jaren tachtig samen een gemeenschap aan landerijen opgebouwd en gezamenlijk activiteiten ontplooid. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gebruiken die landerijen nu voor de exploitatie van hun bedrijven. Zij willen die bedrijven graag voortzetten en – uiteindelijk – doorgeven aan hun kinderen. Als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de landerijen tegen een zeer hoge waarde moeten overnemen, zou dit in de weg kunnen staan aan een (lonende) exploitatie van hun bedrijven door henzelf en hun kinderen. Juist gelet op die onderlinge verhoudingen binnen de gemeenschap, moet men rekening houden met elkaar.
4.43.
Verder hebben partijen toegelicht dat in de loop der jaren tussen de deelgenoten verschillende onderlinge overdrachten van aandelen in landerijen hebben plaatsgevonden. Anders dan (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] stellen, is ter zitting gebleken dat die onderlinge overdrachten van aandelen in landerijen niet alleen binnen het gezin [gedaagden 3 en 4] hebben plaatsgevonden, maar ook daarbuiten, zij het steeds binnen de families [gedaagden 3 en 4] en [gedaagden 1 en 2] . Bij die onderlinge overdrachten zijn de landerijen steeds laag – tegen de agrarische waarde – gewaardeerd. Dat de landerijen nu, in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken, tegen de marktwaarde zouden moeten worden gewaardeerd – zoals (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] willen – valt niet in te zien. De gestelde omstandigheid dat de lagere waardering van de landerijen bij eerdere overdrachten was ingegeven door fiscale overwegingen, maakt op zichzelf nog niet dat de landerijen nu tegen de marktwaarde moeten worden gewaardeerd. Ook de omstandigheden dat de grondprijs in die eerdere overdrachten slechts een klein onderdeel daarvan uitmaakte en daarbij nog andere activa betrokken waren, maken op zichzelf evenmin dat nu van de marktwaarde van de landerijen moet worden uitgegaan.
4.44. (
De erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] betogen nog dat het niet de bedoeling kan zijn dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] na verkrijging van alle landerijen tegen de agrarische waarde, die landerijen daarna tegen een hogere waarde aan één of meer derden te verkopen en zo een superwinst behalen. Ook daarin is geen reden gelegen de landerijen nu te waarderen op marktwaarde, waarmee feitelijk aan (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] de bedoelde superwinst zou toekomen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben namelijk – onbetwist – toegelicht dat zij de landerijen juist willen behouden, zodat zij hun bedrijven kunnen voortzetten en uiteindelijk kunnen doorgeven aan hun kinderen. Bovendien zouden partijen hierover afspraken kunnen maken zoals een meerwaardeclausule om de door (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] gevreesde situatie te ondervangen.
4.45.
Dit alles leidt tot het oordeel dat de landerijen moeten worden gewaardeerd tegen de agrarische waarde. Dit betekent dat niet kan worden uitgegaan van het door (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] ingebrachte deskundigenrapport van Berbee Vastgoed Advies, omdat daarin de landerijen tegen de marktwaarde zijn gewaardeerd.
4.46.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen die de landerijen waardeert tegen de agrarische waarde. De deskundige dient daarbij rekening te houden met de verpachte staat van de landerijen. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de verpachte staat van de landerijen wel enige invloed heeft op de waarde daarvan, maar zij zijn het oneens over de vraag hoe groot die invloed is.
4.47.
Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] tijdens de zitting onbestreden toegelicht dat de (on)verdeeldheid van de landerijen invloed heeft op de waarde daarvan. De deskundige dient zich dan ook uit te laten over de vraag wat de waarde van die landerijen is in enerzijds onverdeelde staat en anderzijds verdeelde staat. Voor de bepaling van de waarde van de landerijen in verdeelde staat, dient de deskundige de eigendomsverhoudingen in acht te nemen zoals die blijken uit de openbare registers van het Kadaster.
Hoe nu verder?
4.48.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.46 en 4.47 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van de taxatie van agrarisch onroerend goed en dat de navolgende vragen moeten worden voorgelegd:
1. Wat is de agrarische waarde van de landerijen in verpachte staat:
a. enerzijds in onverdeelde staat?
b. anderzijds in verdeelde staat, met inachtneming van de eigendomsverhoudingen zoals die blijken uit de openbare registers van het Kadaster?
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.49.
Voordat de rechtbank een deskundigenbericht zal bevelen, worden partijen bij akte in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de voorgenomen vraagstelling en de persoon van de deskundige. Indien partijen het in overleg eens worden over een deskundige kunnen zij die gezamenlijk voordragen. Als zij het niet eens worden, kunnen zij elk maximaal drie namen noemen van deskundigen die naar hun mening in aanmerking komen, waarna de rechtbank een deskundige zal benoemen. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol van 21 juni 2023 verwijzen.
4.50.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij(en) moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door (de erfgenaam van) [eiser 1] en [eiser 2] moeten worden betaald.
4.51.
In dit tussenvonnis zijn de contouren van de beoordeling van het geschil vastgelegd. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, hebben partijen er belang bij invloed te kunnen uitoefenen op de uiteindelijke oplossing van hun geschil.