Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-04-24
ECLI:NL:RBAMS:2023:3003
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,879 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/1438
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. B.E.J. Torny),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H.M. Buijs).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 8 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd om de uitoefening van het horecabedrijf snackbar [verzoekster] binnen drie dagen te staken en gestaakt te houden.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot 6 weken na de beslissing op het bezwaar.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoekster is gevestigd in het pand op het [adres] in Amsterdam. Het pand is gelegen binnen het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] en heeft de enkelbestemming ‘Gemengd 3’.
3. De burgemeester heeft met het bestreden besluit aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd om de uitoefening van het horecabedrijf te staken en gestaakt te houden. Verzoekster exploiteert sinds [medio 1] november 2022 zonder een exploitatievergunning een horecabedrijf, namelijk een snackbar. Zij heeft hiermee in strijd gehandeld met het eerste lid van artikel 3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het horecabedrijf is op grond van artikel 3.9 van de APV in het pand niet uitgezonderd van een exploitatievergunning en daarnaast is er geen mogelijkheid tot ontheffing van de vergunningplicht. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van [medio 2] februari 2023 blijkt dat op [medio 3] januari 2023 een ernstig (gewelds)incident heeft plaatsgevonden waarbij beide eigenaren van verzoekster betrokken waren. De burgemeester heeft daarom verzoekster niet in de gelegenheid gesteld om een zienswijze of een aanvraag voor een exploitatievergunning in te dienen. Standpunt van verzoekster
4. Verzoekster voert aan dat zij een exploitatievergunning heeft aangevraagd. Dit betekent dat er zicht is op legalisatie en zij als snackbar ook werkt met afhalen en bezorgen. Voor een snackbar die werkt met afhalen en bezorgen, geldt geen vergunningsplicht wanneer geen dranken of etenswaren voor directe consumptie worden verstrekt. In de last onder dwangsom wordt echter uitdrukkelijk gesteld dat het niet is toegestaan om activiteiten vanuit het pand te ondernemen. Het is daarom voor verzoekster niet langer mogelijk om inkomen te verwerven met enkel afhalen en bezorgen, terwijl daar geen vergunning of bestemming als detailhandel voor is vereist. Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 november 2020 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 oktober 2020. Daarnaast voert verzoekster met betrekking tot het incident op [medio 3] januari 2023 aan dat de eigenaren zijn aangevallen en zij zichzelf hiertegen alleen maar hebben verdedigd. Er was dan ook sprake van een noodweersituatie. Verzoekster is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om een zienswijze of een aanvraag om een exploitatievergunning in te dienen. Van een spoedeisend belang of zwaarwegende feiten en omstandigheden is niet gebleken. De bestuurlijke rapportage is van [medio 2] februari 2023 en het bestreden besluit van 8 maart 2023. Dit is in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht en Handhavingsstrategie. Het besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen, onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de evenredigheid.
Beoordeling
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester met onmiddellijke ingang een last onder bestuursdwang aan verzoekster mogen opleggen. Voor het exploiteren van een horecabedrijf is op grond van artikel 3.8 van de APV een exploitatievergunning vereist. Verzoekster exploiteert het horecabedrijf al sinds november 2022 zonder exploitatievergunning en heeft in die tijd ook geen exploitatievergunning aangevraagd. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie van [medio 2] februari 2023 dat in het pand van verzoekster op [medio 3] januari 2023 een zware mishandeling is gepleegd (het slachtoffer heeft een dubbele beenbreuk opgelopen) en beide eigenaren van verzoekster als verdachte zijn meegenomen. Ondanks dat verzoekster inmiddels een exploitatievergunning heeft aangevraagd, is er geen zicht op legalisatie omdat niet beide eigenaren de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt.
7. De opgelegde last strekt niet alleen tot het staken en gestaakt houden van het horecabedrijf, maar ook tot het staken van het laten afhalen en bezorgen van eten. Tussen partijen is niet in geschil dat voor een afhaal- of bezorgrestaurant geen exploitatievergunning vereist is, omdat geen sprake is van directe consumptie ter plaatste en het dan ook niet valt onder de omschrijving van een horecabedrijf. De exploitatie van een bezorg- of afhaalrestaurant is een vorm van detailhandel, omdat bedrijfsmatig maaltijden te koop worden aangeboden. Zoals de burgemeester heeft gesteld, is het gebruik voor detailhandel ter plaatse in strijd met de bestemmingsplan. Het beroep van verzoekster op de uitspraak van de Afdeling kan haar niet baten, omdat het gebruik was aan te merken als horeca waarvoor een exploitatievergunning is vereist en daarom geen sprake was van detailhandel.
8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de gedeeltelijke schorsing van het bestreden besluit er niet toe kan leiden dat ter plaatse exploitatie van een afhaal- en bezorgrestaurant alsnog is toegestaan.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster de uitoefening van de snackbar moet staken en gestaakt moet houden.
10. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2023.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBZWB:2020:5546.
ECLI:NL:RVS:2020:2430.
Handhavingsstrategie Horeca en slijterijen (inclusief winkels) Drank- en Horecawet, Amsterdam 2013.
Artikel 3.10 en 3.11 van de APV.
Artikel 1.27 van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] .