Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2023-01-03
ECLI:NL:RBAMS:2023:30
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/737080-13 RK nummer: 22/4581 Datum uitspraak: 3 januari 2023 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 december 2010 door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1 Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y. Nieboer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een beslissing van (A) the District Court in Piła van 18 maart 2009 ordering that [opgeëiste persoon] be remanded in custody for a period of 14 days starting with the day of his apprehension , met kenmerk II Kp 175/09. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. In het EAB wordt tevens melding gemaakt van een drietal veroordelingen: B.I. Vonnis van the District Court in Piła van 15 juni 2004 (VII K 177/04), waarbij een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van 5 maanden. B.II. Vonnis van the District Court in Piła van 12 mei 2006 (II K 79/06) waarbij een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van 6 maanden. B.III. Vonnis van the District Court in Piła van 20 maart 2007 (VII K 138/07) waarbij een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van 1 jaar. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot deze drie veroordelingen hebben geleid. De opgeëiste persoon dient deze vrijheidsstraffen volgens het EAB nog volledig te ondergaan. Het aanhoudingsbevel (A) en de vonnissen (B.I., BII. en B.III.) betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten, omschreven in onderdeel e) van het EAB onder A en B.II, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. 4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De rechtbank begrijpt het EAB aldus dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten omschreven in onderdeel e) van het EAB onder B.I en B.III – de feiten die zien op rijden onder invloed – niet onder voornoemd lijstfeit heeft willen brengen. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitc Nu sprake is van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, verjaart het recht op strafvervolging na zes jaar (artikel 70, eerste lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht). Artikel 6:1:22, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de tenuitvoerleggingstermijn een derde langer is dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering, zodat de tenuitvoerleggingstermijn voor beide vonnissen naar Nederlands recht acht jaar is. De tenuitvoerlegging van de vonnissen onder B.I en B.III is bevolen op respectievelijk 18 september 2007 en 2 juni 2009. Gelet daarop is het recht tot uitvoering van die straffen naar Nederlands recht verjaard in 2015 respectievelijk 2017. 5.6 Gelet op de facultatieve weigeringsgrond genoemd in artikel 6a, tweede lid onder a, OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, kan de rechtbank de overlevering voor deze vonnissen daarom weigeren. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding af te zien van toepassing van de weigeringsgrond inzake verjaring. De rechtbank verwijst hierbij naar de door de raadsvrouw aangehaalde argumenten (punt 5.3) en overweegt voorts dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard dat hij zich realiseert wat de consequenties zijn van deze gedeeltelijke weigering. De rechtbank zal de overlevering dus weigeren voor zover het verzoek ziet op de vonnissen onder B.I en B.III. 5.7 Ten aanzien van het vonnis onder B.II geldt dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden niet in de weg staan aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: oplichting . De opgelegde vrijheidsstraf overstijgt het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum niet. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. 5.8 De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf onder B.II (zes maanden) kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. 5.9 De rechtbank zal daarom voor het vonnis onder B.II de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6 Overige verweren, verjaring (naar Pools recht) De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat nadere informatie moet worden opgevraagd om te kunnen beoordelen of de in het EAB genoemde Poolse verjaringstermijnen correct zijn. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat alleen verjaring naar het recht van de uitvoerende lidstaat een weigeringsgrond is. Overigens dient er in beginsel vertrouwd te worden op de juistheid van de informatie in het EAB. Gelet op de informatie in onderdeel f) van het EAB gaat de rechtbank er vanuit dat van verjaring naar Pools recht geen sprake is, zowel wat het recht tot vervolging betreft als het recht tot tenuitvoerlegging van opgelegde straffen. Het verweer van de raadsvrouw geeft geen aanleiding aan deze informatie te twijfelen. Het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. De rechtbank merkt ten aanzien van het vervolgings-deel van het EAB (A) nog op dat het recht op strafvervolging naar Nederlands recht niet verjaard is, gelet op de stuiting van die termijn als gevolg van het uitvaardigen van het EAB in 2010 en het bevel tot inverzekeringstelling van de officier van justitie op 25 oktober 2022. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is hierop dus niet van toepassing. 7 Ar