Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2023:2022
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,254 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/239561-20
Datum uitspraak: 31 maart 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969 ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres] .
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 maart 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. van Weers naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij, door haar advocaat mr. A. Leigh, naar voren is gebracht.
2Inleiding en beschuldiging
[aangeefster] (hierna: aangeefster) heeft stage gelopen bij verdachte in zijn kleermakerij. Zij heeft aangifte tegen verdachte gedaan en verklaard dat hij haar onder andere heeft geprobeerd te (tong)zoenen toen zij aan het werk was tijdens haar stage.
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 1 februari 2020 tot en met 13 februari 2020 als stagebegeleider ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pupil, aangeefster, door haar te kussen op haar mond en zijn tong tussen haar lippen te doen (primair). Als dat niet tot een veroordeling leidt wordt hij ervan beschuldigd dat hij aangeefster heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen (subsidiair).
De tenlastelegging staat in bijlage I.
3Vrijspraak
3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de ontucht (het primair ten laste gelegde feit) bewezen. Dit baseert hij op de aangifte, die volgens hem betrouwbaar is. Aangeefster is consistent en gedetailleerd in wat zij verklaart, zowel in de aangifte als tijdens het informatief gesprek en bij de rechter-commissaris. Volgens de officier van justitie lijkt het er niet op dat aangeefster de feiten heeft verzonnen of aangedikt, wat haar verklaring authentiek en geloofwaardig maakt.
De officier van justitie is van mening dat de verklaring van aangeefster steun vindt in de verklaring van verdachte waarin hij heeft bevestigd dat hij eten en oordopjes voor haar heeft gekocht, dat hij haar op de wang kuste en dat hij haar na 13 februari 2020 meermaals heeft gebeld. De verklaring van aangeefster vindt ook steun in de verklaring van mevrouw [moeder aangeefster] (de moeder van aangeefster) die verklaart dat ze emoties heeft gezien bij haar dochter. De verklaring van aangeefster wordt verder ondersteund door de verklaring van de heer [ex-vriend van aangeefster] (de ex-vriend van aangeefster), de verklaringen van [klasgenoot aangeefster 2] en [klasgenoot aangeefster] , de Whatsapp-gesprekken die zich in het dossier bevinden en de camerabeelden van aangeefster en verdachte (in de kleermakerij van verdachte) van kort na de ten laste gelegde feiten op 13 februari 2020 (hierna: de camerabeelden).
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van aangeefster niet duidelijk en consistent zijn en dat er geen steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. De verklaringen van de moeder van aangeefster en van de ex-vriend van aangeefster komen uit dezelfde bron. [klasgenoot aangeefster 2] en [klasgenoot aangeefster] verklaren dat zij nooit iets hebben meegemaakt zoals aangeefster in haar verklaring beschrijft. Verder komen de camerabeelden volgens de raadsman niet overeen met de verklaringen van aangeefster bij de rechter-commissaris. Aangeefster lijkt niet onder de indruk te zijn van wat er kort daarvoor is gebeurd en ze zit niet op de wc zoals verklaard. Ze is in gesprek met verdachte en volgt hem twee keer het kantoor in terwijl dat een onveilige plek is. Vervolgens loopt ze de deur uit met een lach op haar gezicht. De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat sprake is van voldoende wettig bewijs, dit bewijs niet tot de overtuiging kan leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht.
De raadsman heeft ook vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde feit bepleit omdat er geen sprake is van opzet of dwang.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt het feit niet bewezen en overweegt hierover het volgende.
Kenmerkend voor zedenzaken is dat het gaat om het woord van - hier - aangeefster tegen dat van verdachte. Dat maakt zedenzaken vaak bewijstechnisch lastige zaken. Op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Volgens de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel niet dat vereist is dat de tenlastegelegde gedragingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan de verklaring van aangeefster, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. (vgl. ECLI:NL:HR:2014:1354).
Die context vindt de rechtbank terug in de verklaring van verdachte zelf over hoe amicaal hij met stagiaires omging (onder andere dat hij ze wel eens kuste op de wang), de verklaring van mevrouw [moeder aangeefster] (de moeder van aangeefster) die verklaart dat haar dochter zenuwachtig, nerveus, verslagen en beduusd was en de ter zitting bekeken camerabeelden, waarop te zien lijkt te zijn - zoals verdachte ter zitting ook heeft bevestigd - dat hij aangeefster een handkus geeft, althans haar hand vast heeft en richting zijn mond beweegt. Aan het bewijsminimum is dan ook voldaan.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan wat hem wordt verweten, met andere woorden of zij uit de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat het feit is bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het dossier te veel grond biedt voor twijfel en zal verdachte daarom vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De verklaring van aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat haar stage goed verliep, maar dat het contact met verdachte eind januari 2020 omsloeg. Het begon met een kus op haar wang. Volgens aangeefster heeft verdachte haar twee à drie weken voor 13 februari 2020 vastgepakt en gezegd dat hij een kus op zijn mond wilde. Ook heeft hij haar een paar keer een klap op haar kont gegeven. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar op 13 februari 2020 het kantoortje in heeft getrokken en haar daar heeft vastgepakt, haar naar zich toe heeft getrokken en haar heel heftig begon te zoenen, ook met zijn tong. Hij speelde heel ruig met zijn handen op haar billen en heeft haar borst gezoend op haar kleding. Het kantoor van de kleermakerij bevond zich buiten het zicht van de camera.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
vrijspraak
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
schadevergoeding
Verklaart [aangeefster] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
beslag
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
- 2 STK Papier (omschrijving: 5882917)
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.J. Mees-Bolle, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en A.C.J. Klaver, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2023.
[....]