Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-09-14
ECLI:NL:RBAMS:2022:8856
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,398 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/707429 / HA ZA 21-835
Vonnis van 14 september 2022
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWBEDRIJF DE LANGE-VAN DER PLAS B.V.,
gevestigd te Katwijk,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
UITZENDBUREAU MEN AT WORK B.V.,
gevestigd te Katwijk,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat mr. D.A. Beck te Leiden,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIETÀ PER AZIONI (SPA)(ITALIË) RIZZANI DE ECCHER,
gevestigd te Udine (Italië),
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. H.J. Roozekrans te Amsterdam.
Partijen zullen hierna De Lange en MaW en gezamenlijk De Lange c.s. en Rizzani genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het vonnis in incident van 2 februari 2022, en de daarin genoemde processtukken;
het tussenvonnis van 1 juni 2022, en de daarin genoemde processtukken;
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 juli 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Rizzani is hoofdaannemer van het bouwproject Y-Towers Project Amsterdam (hierna: project Y-Towers), een groot vastgoedproject aan het IJ.
2.2.
Op 23 april 2020 hebben Rizzani en Holland Steiger Verhuur B.V. (hierna: HSV) een Subcontract Agreement gesloten met betrekking tot de betonwerkzaamheden voor het project Y-Towers. De door HSV uit te voeren betonwerkzaamheden waren opgedeeld in drie fases.
2.3.
Op 24 april 2020 hebben Rizzani en HSV een Supply Agreement gesloten met betrekking tot de bekistings- en steigermaterialen (door partijen ook aangeduid als formworks) die nodig waren voor de uitvoering van project Y-Towers. De overeengekomen prijs voor de materialen voor de eerste fase (Basement) is € 729.021,20. In de Supply Agreement is voorts opgenomen dat het eigendom van de materialen overgaat op Rizzani op het moment van ontvangst van de materialen op de bouwplaats.
2.4.
Daarnaast hebben Rizzani en HSV, ook op 24 april 2020, een Side Letter getekend. Daarin is, voor zover relevant, opgenomen:
“1. The amounts paid by the Contractor [Rizzani, rb] under the Supply Agreement are a payment for the formworks listed in the Supply Agreement as received at Site and are an advance payment for the Subcontract Works to be carried out by the Subcontractor [HSV, rb] under the Subcontract. The advance payment guarantee customarily required to cover an advance payment will be replaced by the transfer of ownership of the formworks listed in the Supply Agreement;
2. Ownership of the formworks listed in the Supply Agreement as received at Site will be of the Contractor until completion of the Works or unless the Contractor exercises its right to demand a buy-back to the Subcontractor as better defined below;
(…)
4. The value of the formworks under the Supply Agreement is as follow:
a. The formworks for the BASEMENT are worth 729.021,20 EUR (…)
(…)
5. We hereby confirm and agree that the Contractor, for the entire duration of the Subcontract Works and for a period of 1 (one) year thereafter, shall have an absolute right at its discretion to demand to the Subcontractor that the Subcontractor purchases back the Formworks bought by the Contractor under the Supply Agreement, in whole or in part, for the same value as the Formworks have been sold to the Contractor by the Subcontractor under the Supply Agreement, and the Subcontractor is obliged to buy them back and shall have no right to refuse or raise any objection in any case whatsoever (the “Buy Back”).
6. For the sake of clarity and in consideration that the purchase of the Formworks under the Supply Agreement is an advance payment for the purposes of the Subcontract Works, the Buy Back shall be of the same value of the amount paid by the Contractor under the Supply Agreement for the Formworks notwithstanding any wear and tear, usage, handling, damage and/or state of the Formworks at the time the Buy Back is exercised by the Contractor. (…)
(…)
10. Notwithstanding anything to the contrary in the Agreements and/or the Side Letter, or the fact that the Formworks will become property of the Contractor once they reach the Site, the Formworks shall always be under the full responsibility of the Subcontractor in terms of care, loading, unloading, storing, handling, transport, assembly, disassembly, installation, testing, inspection, maintenance and cleaning in accordance with the best practice. (…)
11. The Subcontractor represents and warrants to the Contractor that the Formworks are bought by the Contractor under the Supply Agreement only as a guarantee of the advance payment in lieu of an advance payment guarantee. (…)”
2.5.
Op 12 oktober 2020 hebben De Lange c.s. en HSV twee overeenkomsten van geldlening gesloten: een overeenkomst waarbij De Lange een bedrag van € 150.000,- aan HSV heeft geleend en een overeenkomst waarbij MaW een bedrag van € 177.771,18 aan HSV heeft geleend.
2.6.
Tot zekerheid voor de terugbetaling van deze leningen heeft HSV, door middel van drie onderhandse geregistreerde pandaktes van 12 oktober 2020, aan De Lange c.s. pandrechten verstrekt op alle bekistings- en steigermaterialen van HSV die aanwezig zijn op de locatie van project Y-Towers.
2.7.
Bij brief van 25 maart 2021 heeft De Lange HSV bericht dat de door De Lange aan HSV verstrekte geldlening, als gevolg van de opzegging van de Subcontract Agreement door Rizzani, direct opeisbaar is. Ook heeft De Lange aangekondigd dat zij, op grond van artikel 3:237 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW), zal overgaan tot het in haar macht brengen van de bekistings- en steigermaterialen die aanwezig zijn op de locatie van project Y-Towers.
2.8.
In de brief van 30 maart 2021 heeft De Lange c.s. Rizzani geïnformeerd dat zij een pandrecht heeft op de bekistings- en steigermaterialen en aangekondigd dat zij voornemens is om de verpande zaken in vuistpand te nemen.
2.9.
Rizzani heeft hierop gereageerd bij brief van 2 april 2021. In deze brief schrijft Rizzani aan De Lange c.s. dat zij eigenaar is van de bekistings- en steigermaterialen die aanwezig zijn op de bouwplaats.
2.10.
Op 4 juni 2021 hebben HSV en De Lange c.s. nogmaals, maar nu bij notariële aktes, pandrechten gevestigd op de bekistings- en steigermaterialen van HSV die aanwezig zijn op de locatie van project Y-Towers.
2.11.
Vervolgens heeft De Lange c.s. op 25 juni 2021 – nadat eerst door de deurwaarder was geprobeerd om de verpande zaken in vuistpand te nemen – executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van HSV onder Rizzani. Het beslag is gelegd op alle gelden, geldswaarden, vorderingen en/of goederen van HSV die Rizzani onder zich heeft en/of uit een bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, meer in het bijzonder (maar niet uitsluitend) de (verpande) steigers, steigeronderdelen en het bekistingsmateriaal dat aanwezig is op de locatie van de constructie van project Y-Towers.
2.12.
Bij e-mail van 30 juni 2021 heeft de advocaat van Rizzani aan de advocaten van De Lange c.s. geschreven dat de bekistings- en steigermaterialen door HSV aan Rizzani zijn verkocht en overgedragen, voordat de pandrechten ten gunste van De Lange c.s. zijn gevestigd.
2.13.
In de verklaringen derdenbeslag van 5 juli 2021 heeft Rizzani verklaard dat zij nu of in de toekomst niets aan HSV verschuldigd is op grond van een nu bestaande overeenkomst of andere verplichting.
2.14.
In de brief van 26 juli 2021 van de advocaat van De Lange c.s. aan de advocaat van Rizzani heeft De Lange c.s. zich op het standpunt gesteld dat er geen geldige eigendomsoverdracht van de bekistings- en steigermaterialen aan Rizzani heeft plaatsgevonden.
Geschil
in conventie
3.1.
De Lange c.s. vordert (samengevat, voor het geval Rizzani in het geding verschijnt):
I. voor recht te verklaren dat de door Rizzani afgelegde derdenverklaringen op juiste gronden door De Lange c.s. zijn betwist;
II. Rizzani in de gelegenheid te stellen alsnog in rechte verklaringen af te leggen van hetgeen zij van HSV onder zich heeft of aan HSV verschuldigd is of zal zijn vanaf de datum van het beslag, en
a. primair, indien Rizzani verklaringen heeft afgelegd en deze door De Lange c.s. zijn goedgekeurd, of indien door de rechter is bepaald wat Rizzani onder zich heeft of verschuldigd is aan HSV, Rizzani bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om zodanige gelden, geldswaarden en/of goederen binnen een maand na betekening van het vonnis aan de deurwaarder af te geven, met, indien van toepassing, veroordeling van Rizzani in de kosten van de verbetering van de verklaring;
b. subsidiair, indien Rizzani in gebreke blijft verklaringen te doen, Rizzani bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot voldoening van het bedrag van de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd, met rente en kosten, als ware zij daarvan zuiver schuldenaar;
III. veroordeling van Rizzani in de proceskosten.
3.2.
De Lange c.s. legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. De door Rizzani afgelegde verklaringen derdenbeslag voldoen niet aan de in de artikelen 476a lid 2 en 476b lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) gestelde eisen. Rizzani heeft bij haar verklaringen immers geen toelichting gegeven, en de verklaringen zijn niet onderbouwd met bescheiden. Bovendien zijn de door Rizzani afgelegde verklaringen onjuist. Rizzani heeft namelijk bekistings- en steigermaterialen onder zich waarvan HSV eigenaar is. De gestelde overdracht van de materialen aan Rizzani is in strijd met artikel 3:84 lid 3 BW, en daarmee ongeldig.
3.3.
Rizzani voert verweer. In de eerste plaats voert zij als verweer aan dat De Lange c.s. niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat de vervaltermijn uit artikel 477a lid 2 Rv is overschreden. Verder betwist Rizzani dat de verklaringen derdenbeslag niet aan de wettelijke eisen voldoen en dat de verklaringen onjuist zijn. Ook betwist zij dat de overdracht van de bekistings- en steigermaterialen in strijd is met artikel 3:84 lid 3 BW. Indien de overdracht toch ongeldig was, dan beroept Rizzani zich op haar retentierecht.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Rizzani vordert (samengevat):
I. het ten laste van Rizzani gelegde derdenbeslag met onmiddellijke ingang op te heffen;
II. De Lange c.s. te verbieden om nieuwe beslagen op de formworks en/of ten laste van Rizzani te leggen van welke aard dan ook, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor elke overtreding van dit verbod en € 10.000,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt;
III. hoofdelijke veroordeling van De Lange c.s. in de proceskosten, met de wettelijke rente hierover.
3.6.
De Lange c.s. voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
ontvankelijkheid
4.1.
Rizzani voert aan dat De Lange c.s. niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat de vervaltermijn van twee maanden uit artikel 477a lid 2 Rv is overschreden. De door Rizzani afgelegde verklaringen derdenbeslag dateren namelijk van 5 juli 2021, terwijl de verklaringsprocedure door De Lange c.s. pas aanhangig is gemaakt op 14 september 2021.
4.2.
De rechtbank verwerpt dit verweer. De Lange c.s. heeft een e-mail overgelegd waaruit volgt dat de verklaringen derdenbeslag pas op 16 juli 2021 door Rizzani aan de deurwaarder zijn gestuurd. Een afgelegde verklaring derdenbeslag kan door de executant worden betwist binnen twee maanden na ontvangst van de verklaring (artikel 477a Rv in samenhang met artikel 3:37 lid 3 BW). De verklaringsprocedure is door De Lange c.s. dus tijdig aanhangig gemaakt.
artikel 3:84 lid 3 BW
4.3.
De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of de overdracht van de bekistings- en steigermaterialen van HSV aan Rizzani ongeldig was, omdat deze overdracht in strijd is met het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW (ook wel het fiduciaverbod genoemd).
4.4.
Artikel 3:84 lid 3 BW bepaalt dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel van overdracht van dat goed is.
4.5.
In het arrest Keereweer q.q./Sogeleaseheeft de Hoge Raad artikel 3:84 lid 3 BW beperkt uitgelegd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de maatstaf van artikel 3:84 lid 3 BW, voor wat betreft het element 'die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid', moet worden gezocht in het antwoord op de vraag of de rechtshandeling ertoe strekt de wederpartij een zodanig zekerheidsrecht op het goed te verschaffen dat deze in zijn belangen als schuldeiser ten opzichte van andere schuldeisers wordt beschermd. De kern van een deze bescherming ligt naar haar aard in de bevoegdheid om zich met voorrang boven andere schuldeisers op het goed te verhalen (ofwel: het goed te gelde te maken om uit de opbrengst daarvan de eigen vordering op de wederpartij te voldoen), wat de bevoegdheid tot toe-eigening uitsluit. Strekt daarentegen de rechtshandeling van partijen tot 'werkelijke overdracht' (in geval van een zaak: tot eigendomsoverdracht) en heeft zij derhalve de strekking het goed zonder beperking op de verkrijger te doen overgaan – en deze aldus meer te verschaffen dan enkel een recht op het goed dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt – dan staat artikel 3:84 lid 3 BW daaraan niet in de weg. Dit geldt ook als een overeenkomst is gesloten in verband met de verstrekking van een vorm van krediet aan de overdrager. Daarnaast staat een beding, op grond waarvan onderhoud en risico voor rekening van de overdrager blijven, er niet aan in de weg dat sprake is van een ‘werkelijke overdracht’, aldus de Hoge Raad.
4.6.
In het arrest BTL Lease/Van Summerenheeft de Hoge Raad hieraan toegevoegd dat bij de uitleg van de overeenkomst die aan de overdracht ten grondslag ligt de Haviltex-maatstaf moet worden toegepast. Voorts heeft hij beslist dat in het kader van het onderzoek of sprake is van een 'werkelijke overdracht' betekenis mag worden toegekend aan de waarde van de beweerdelijk overgedragen zaken. Een wanverhouding tussen de hoogte van de vordering en de waarde van het overgedragen object kan dan bijdragen tot het oordeel dat partijen niet een 'werkelijke overdracht' hebben beoogd.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de overdracht van de bekistings- en steigermaterialen van HSV aan Rizzani, die zij met de Supply Agreement en de Side Letter hebben beoogd, geen ongeldige overdracht op in de zin van artikel 3:84 lid 3 BW. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.8.
De overdracht van de bekistings- en steigermaterialen door HSV aan Rizzani bevat zonder twijfel verschillende zekerheidselementen. In de Side Letter, onder nummer 11 (hiervoor onder 2.4 geciteerd), is zelfs expliciet opgenomen dat de overdracht van de materialen dient als zekerheid voor het door Rizzani aan HSV betaalde voorschot, in plaats van een door HSV af te geven garantie. Ook is in de Side Letter, onder nummer 10, opgenomen dat het risico met betrekking tot de bekistings- en steigermaterialen bij HSV blijft rusten. Uit de Side Letter en de verklaringen van partijen ter zitting volgt bovendien dat het de bedoeling van partijen was dat de materialen, nadat HSV (een gedeelte van) de overeengekomen werkzaamheden had uitgevoerd, terug zouden worden overgedragen aan HSV. Dit is ook gebeurd voor ongeveer 60% van de overgedragen materialen voor de eerste fase. Deze materialen bevinden zich niet meer op de bouwplaats van project Y-Towers en worden door HSV elders gebruikt.
4.9.
Deze zekerheidselementen zijn, op grond van de uitleg door de Hoge Raad, echter niet voldoende om strijdigheid met artikel 3:84 lid 3 BW aan te nemen. Het gaat om de vraag of de overeenkomst ertoe strekt om de schuldeiser, bij een tekortkoming van de schuldenaar, slechts een verhaalsrecht op het overgedragen goed te geven, of dat de overeenkomt strekt tot meer dan dat (meer weg heeft van een ‘werkelijke overdracht’, in die zin dat de eigendom van het goed zonder beperking op de schuldeiser overgaat). Uit de Supply Agreement en de Side Letter volgt niet dat Rizzani, bij een tekortkoming door HSV, slechts een verhaalsrecht op de overgedragen bekistings- en steigermaterialen heeft, in die zin dat Rizzani de materialen moet verkopen waarna zij zich op de opbrengst daarvan kan verhalen en een eventueel overschot aan HSV moet afdragen. Dit is door De Lange c.s. ook niet gesteld. Wel heeft de bestuurder van HSV, ter zitting aanwezig, verklaard dat de nieuwwaarde van de overgedragen materialen aanzienlijk hoger was dan het daarvoor door Rizzani betaalde bedrag (€ 729.021,20). Dit bedrag was gekoppeld aan het voorschot voor de eerste fase. Rizzani heeft daartegenover gesteld dat de waarde van de materialen ten tijde van de overdracht niet meer gelijk was aan de nieuwwaarde, zodat van een wanhouding tussen de hoogte van de vordering van Rizzani en de waarde van de overgedragen materialen geen sprake was. Deze uitleg van Rizzani ligt voor de hand en De Lange c.s. heeft daar geen steekhoudend argument tegenover gesteld. Overigens is dit slechts één van de relevante omstandigheden bij het onderzoek of partijen een ‘werkelijke overdracht’ hebben beoogd.
4.10.
De rechtbank heeft zich nog de vraag gesteld of de bijzondere kenmerken van deze zaak, waarbij HSV en Rizzani hebben vastgelegd dat de overdracht dient tot zekerheid, reden is om af te wijken van de door de Hoge Raad gegeven, beperkte, uitleg van artikel 3:84 lid 3 BW. Daarvan is geen sprake. Hetgeen De Lange c.s. daartoe heeft aangevoerd is niet voldoende en ook overigens is niet gebleken van een belang van De Lange c.s. (of HSV) dat een afwijking noodzakelijk maakt.
verklaringen derdenbeslag
4.11.
Aangezien de overdracht van de bekistings- en steigermaterialen door HSV aan Rizzani geldig was, is Rizzani eigenaar van deze materialen geworden vanaf het moment dat de materialen op de bouwplaats van het project Y-Towers zijn afgeleverd. De bestuurder van HSV heeft verklaard dat alle bekistings- en steigermaterialen voor de eerste fase binnen drie maanden na de start van de werkzaamheden in juni 2020 op de bouwplaats zijn gearriveerd. Ten tijde van de vestiging van de pandrechten ten gunste van De Lange c.s. op 12 oktober 2020 was Rizzani dus al eigenaar van deze materialen.
Conclusie
4.14.
De conclusie is dat de vorderingen van De Lange c.s. worden afgewezen.
4.15.
De Lange c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij (zoals gevorderd) hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rizzani worden begroot op:
- griffierecht € 667,00
- salaris advocaat € 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)
Totaal € 1.793,00
4.16.
De nakosten zullen worden begroot en toegewezen op de wijze als hierna in de beslissing is vermeld. De over de proces- en nakosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
in reconventie
4.17.
Rizzani vordert in de eerste plaats opheffing van het onder haar gelegde beslag ten laste van HSV. Aangezien Rizzani heeft verklaard dat zij – kort gezegd – niets van HSV te vorderen heeft, en de rechtbank in conventie heeft geoordeeld dat deze verklaring niet onjuist is, heeft het onder Rizzani gelegde derdenbeslag geen doel getroffen. Dit betekent dat Rizzani geen belang meer heeft bij de vordering tot opheffing van het beslag. Bovendien heeft Rizzani onvoldoende onderbouwd op welke wijze en in hoeverre zij door het (executoriale) beslag in haar belangen wordt geschaad. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
4.18.
Verder vordert Rizzani een verbod voor De Lange c.s. om opnieuw beslag op de bekistings- en steigermaterialen en/of ten laste van Rizzani te leggen. Door Rizzani is echter niet toegelicht waarom een dergelijk verstrekkend verbod in dit geval gerechtvaardigd zou zijn. Ook deze vordering zal de rechtbank daarom afwijzen.
4.19.
Rizzani zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Lange c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat 563,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 563,00)
Totaal € 563,00
4.20.
De nakosten zullen worden begroot en toegewezen op de wijze als hierna in de beslissing is vermeld. De over de proces- en nakosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt De Lange c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Rizzani tot op heden begroot op € 1.793,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.3.
veroordeelt De Lange c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat De Lange c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.4.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen af,
5.6.
veroordeelt Rizzani in de proceskosten, aan de zijde van De Lange c.s. tot op heden begroot op € 563,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.7.
veroordeelt Rizzani in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rizzani niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.8.
verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. A.M. Bekkering, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022.
De griffier is buiten staat
dit vonnis te ondertekenen.
HR 19 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1735, NJ 1996/119 (Keereweer q.q./Sogelease).
HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8241, NJ 2006/151 (BTL Lease/Van Summeren).
type:
coll: