Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2022-12-15
ECLI:NL:RBAMS:2022:7600
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 19/3693 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats 1] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en de burgemeester van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. H.H.L. Krans en mr. M.I. Houben). Procesverloop Met het besluit van 1 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) eisers recht op betoging beperkt door voorschriften te verbinden aan zijn periodieke demonstraties op de [plaats 2] . Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende het primaire besluit te vernietigen. Met de uitspraak van 7 maart 2019 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. Met het besluit van 6 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 10 juni 2021 heeft een zitting van de enkelvoudige kamer plaatsgevonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om te bepalen of het bestreden besluit wordt ingetrokken. Vervolgens is de zaak, na de schriftelijke reacties van partijen, voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 3 november 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Feiten en omstandigheden Sinds 2015 vinden er op de [plaats 2] regelmatig demonstraties plaats door pro-Palestina- en pro-Israël demonstranten. Sinds 2016 leiden deze demonstraties vaak tot onderlinge spanningen, confrontaties en overlast, waarbij de politie moet optreden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 8 juli 2016 aan de demonstraties het voorschrift verbonden dat tussen de tegengestelde kampen op de [plaats 2] een afstand van ten minste 25 meter blijft (het afstandscriterium). Omdat het afstandscriterium na verloop van tijd niet meer goed werd nageleefd en dit in toenemende mate gepaard ging met geweldsincidenten, heeft verweerder op 28 april 2017 besloten om op grond van artikel 5 van de Wom verdergaande voorschriften aan de demonstraties te verbinden. Deze voorschriften waren opgenomen in de zogenoemde “Wom-brieven” en golden voor verschillende organisatoren van zowel pro-Israël als pro-Palestinademonstraties. Besluitvorming door verweerder 3. Naar aanleiding van eisers kennisgeving aan verweerder in september 2018 als organisator van een pro-Palestinademonstratie op de [plaats 2] , heeft verweerder met het primaire besluit voorschriften verbonden aan deze demonstraties. Eiser mag uitsluitend op de zondagen in de even weken aldaar demonstreren in een afgebakend gebied, voor ten hoogste drie uur per dag. 4. Verweerder heeft eisers bezwaren hiertegen in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens verweerder zijn de voorschriften noodzakelijk en opgelegd in het belang van het verkeer en ter voorkoming van (verdere) wanordelijkheden en dienen zij een dringende maatschappelijke behoefte om wanordelijkheden op de [plaats 2] tegen te gaan. Aangezien geen integraal demonstratieverbod geldt, de voorschriften gelijkelijk gelden voor demonstranten van beide partijen en het afstandscriterium in het verleden onvoldoende effect heeft gesorteerd, wordt volgens verweerder ook voldaan aan het subsidiariteit- en proportionaliteitsvereiste. 5. Naar aanleiding van eisers kennisgeving aan verweerder op 4 december 2020 voor een demonstratie op de [plaats 2] op 8 december 2020 heeft verweerder eiser met de brief van 8 december 2020 bericht dat hij heeft besloten deze demonstratie zonder beperkingen toe te staan op basis van recente informatie van de politie. 6. Bij brief van 11 juni 2022 , dus daag Volgens de verbalisanten waren in de genoemde periode intimidatie, bedreigingen en beledigingen aan de orde van de dag. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de rapportages en voor zover eiser stelt dat de agressie vooral komt vanuit de andere groep, doet dit niet af aan het feit dat op de [plaats 2] wanordelijkheden plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verweerder, gelet op de belangen genoemd in artikel 2 van de Wom, aanleiding heeft kunnen zien tot het verbinden van voorschriften aan de demonstraties van eiser op de [plaats 2] . Subsidiariteit en proportionaliteit 12. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de voorschriften in de Wom-brieven voldeden aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Uit het dossier blijkt dat verweerder naar aanleiding van de wanordelijkheden in de periode van juli 2016 tot april 2017 minder vergaande beperkingen heeft getroffen, namelijk dat partijen 25 meter afstand tot elkaar houden op de [plaats 2] . Ook is verweerder meerdere keren in gesprek gegaan met de demonstranten om de wanordelijkheden aan te kaarten en te bespreken om zo gezamenlijk tot een oplossing te komen. Deze maatregelen, waarbij tevens politiecapaciteit op de [plaats 2] werd ingezet, hebben enige tijd gewerkt, maar blijkens de politierapportages is sinds 2017 weer sprake van toenemende agressie en geweld over en weer waarbij de politie daadwerkelijk moet optreden. 13. Gelet op het voorgaande was verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoodzaakt om verdergaande beperkingen en voorschriften te stellen aan de demonstraties die op de [plaats 2] georganiseerd worden, waaronder de demonstraties van eiser. Verweerder kon, gelet op de belangen van openbare orde, de ontstane situatie op de [plaats 2] niet voort laten duren. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder meer had moeten inzetten op (politie)handhaving om de wanordelijkheden te bestrijden. Uit het dossier blijkt dat de politie veelvuldig heeft opgetreden op de [plaats 2] om beide kampen uit elkaar te halen en te houden en wanordelijkheden te voorkomen. Dit heeft echter de gespannen situatie en wanordelijkheden in die periode niet doen verminderen en er bleven ernstige (gewelds)incidenten plaatsvinden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de frequentie van eisers demonstraties (elke zaterdag en zondag), de locatie waar de demonstaties worden gehouden (de druk bezochte [plaats 2] , waar veel toeristen komen en elk weekend ook andere demonstraties moeten worden begeleid), alsmede de noodzaak van constante politiebegeleiding, een dermate onevenredige belasting op de politiecapaciteit legden, dat verdergaande maatregelen op zijn plaats waren. Daarbij is ook geen sprake geweest van het verbieden van demonstraties. Eiser mocht nog steeds om de week op de [plaats 2] demonstraties organiseren en mocht zo vaak hij zou willen ook op andere plaatsen in de stad demonstreren. Aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is daarmee voldaan. 14. De omstandigheid dat het momenteel met inachtneming van het afstandscriterium wel weer goed gaat op de [plaats 2] , doet aan het voorgaande niet af. De burgemeester heeft de bescherming van de vrijheden en (grond)rechten van andere gebruikers en bezoekers van de [plaats 2] tot december 2020 zwaarder kunnen laten wegen dan het individuele belang van eiser dat hij heeft bij het onbeperkt gebruik kunnen maken van zijn recht tot betoging op de [plaats 2] . Hierbij wegen het beschermingsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de frequentie van de demonstraties en de bijzondere omstandigheden van de [plaats 2] als locatie zwaar mee. 15. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het beperken van eisers recht op betoging gebruik heeft kunnen maken door daaraan de onderhavige voorschriften te verbinden. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoed