Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2022-02-09
ECLI:NL:RBAMS:2022:668
Strafrecht
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752336-21 RK nummer: 21/6573 Datum uitspraak: 9 februari 2022 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 december 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2019 door het Landelijk Parket Dimitrovgrad (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1977, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieadres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 januari 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding – is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam – aanwezig via een telefonische verbinding – en door een tolk in de Bulgaarse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Regionale rechtbank van Dimitrovgrad (nr. 91/11.11.2014, strafzaak nr. 90/2014), bevestigd bij beschikking door de Arrondissementsrechtbank van Haskovo (nr. 16/03.02.2015, strafzaak nr. 704/2014), in kracht van gewijsde gegaan op 3 februari 2015. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beschikking. Deze beschikking betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit het EAB, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie ontvangen van Prosecutor Palhutev op 20 januari 2022, blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beschikking van de Arrondissementsrechtbank van Haskovo heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 20 januari 2022 blijkt echter dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Regionale rechtbank van Dimitrovgrad en dat hij tijdens de procedure in hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. Aldus heeft de omstandigheid zoals genoemd in artikel 12, onder b OLW zich voorgedaan. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is niet van toepassing. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f OLW Standpunt van de raadsman De verjaringstermijn voor tenuitvoerlegging van de straf is verstreken op 3 februari 2020, te weten vijf jaren na de datum waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 20 januari 2022 aangegeven dat de verjaringstermijn afloopt op 3 augustus 2022. Dit betekent dat de verjaringstermijn zou moeten zijn gestuit, maar uit het EAB blijkt niet waaruit die stuitingshandeling zou hebben bestaan. Omdat op basis van het EAB niet kan worden vastgesteld dat er een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, heeft de raadsman de rechtbank primair verzocht de overlevering te weigeren. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om aanvullende informatie te vragen inzake de stuiting van de verjaring. Standpunt van de officier van justitie Artikel 9, eerste lid, onder f OLW is niet van toepassing omdat geen sprake is van een feit terzake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond. De rechtbank dient erop te vertrouwen dat het feit waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht nog niet is verjaard. In het EAB en in de aanvullende informatie van 20 januari 2022 is aangegeven dat het feit verjaart op 3 augustus 2022. Waaruit de stuitingshandeling precies heeft bestaan hoeft niet nader onderzocht te worden. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan. Oordeel van de rechtbank Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond. Het toesturen van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit impliceert dat deze autoriteit bij haar beoordeling of de overlevering nog steeds gewenst is ook de verjaring naar het recht van haar lidstaat heeft beoordeeld. Niettemin moet overlevering achterwege blijven, indien na de uitvaardiging van het EAB de aan dat EAB ten grondslag liggende nationale rechterlijke beslissing niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is vanwege verjaring. De rechtbank gaat er op grond van het vertrouwensbeginsel vanuit dat de verjaringsdatum die de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB en de aanvullende informatie heeft vermeld, te weten 3 augustus 2022, juist is. Er is geen grond om daar aan te twijfelen en de rechtbank is er niet toe gehouden de wijze waarop deze datum door de uitvaardigende justitiële autoriteiten is vastgesteld nader te onderzoeken. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opvragen van nadere informatie hieromtrent. 6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden De rechtbank heeft op grond van het Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landelijk Parket Dimitrovgrad (Bulgarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Aldus gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en J.A.A.G. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2022. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7307 Zie het arrest Aranyosi en Căldăraru, HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90, en o.a. Rechtbank Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269. Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 9 — Instelling commissie vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
- Artikel 11 — Instelling commissie vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
- Artikel 304 — Wetboek van Strafrecht
- Artikel 12 — Instelling commissie vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
- Artikel 5 — Instelling commissie vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
- Artikel 4 — Goedkeuringswet Europees Handvest inzake lokale autonomie
- Artikel 2 — Instelling commissie vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
- Artikel 7 — Instelling commissie vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
- Artikel 300 — Wetboek van Strafrecht