Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-07-13
ECLI:NL:RBAMS:2022:5402
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,684 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/086050-22
RK nummer: 22/2618
Datum uitspraak: 13 juli 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 mei 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2022 door Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim II Wydział Karny (Circuit Court in Gorzów WIkp. 2nd Criminal Division), Polen en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
verblijvend op het adres:
[adres], [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaat, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aggregate judgement in force by the Circuit Court in Gorzów Wielkopolski as of 20 August 2020 (II K 95/20).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis, waarin drie eerdere veroordelingen zijn samengevoegd tot één straf. Nu de duur van de totale straf is gewijzigd en de bevoegde rechterlijke autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt, dient de rechtbank te beoordelen of artikel 12 OLW op dit vonnis van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het verzamelvonnis van 20 augustus 2020 heeft geleid, en dat dit vonnis - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden en verwijst hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank van 6 mei 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:3255).
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van de bevoegdheid de overlevering te weigeren. De oproep voor het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd. Voorts blijkt uit de aanvullende informatie van 2 juni 2022 dat voor de drie onderliggende vonnissen is voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW of kan worden afgezien van weigeren omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de adresinstructie en/of in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daarnaast is het doorgaans zo dat een opgeëiste persoon bij een verzamelvonnis een lagere straf krijgt. Er is dus geen nadeel voor de opgeëiste persoon. Om deze redenen kan worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLW.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB blijkt niet dat de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte was van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Het verzamelvonnis is niet op zijn verzoek gewezen maar op verzoek van de reclassering. Weliswaar staat in het EAB dat er twee oproepen aan de opgeëiste persoon zijn gestuurd, maar niet blijkt dat deze oproepen hem ook daadwerkelijk hebben bereikt. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte was van het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid, zodat niet is gebleken dat hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Evenmin kan worden geconcludeerd dat hij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich voordoet en de rechtbank geen aanleiding ziet om hiervan af te zien, dient de overlevering te worden geweigerd.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy w Gorzowie Wielkopolskim II Wydział Karny (Circuit Court in Gorzów WIkp. 2nd Criminal Division), Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.