Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-07-12
ECLI:NL:RBAMS:2022:4832
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,323 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/706025 / FA RK 21-5086 (LH / MG)
Beschikking van 12 juli 2022 betreffende wijziging van de akte van de burgerlijke stand als bedoeld in artikel 1:24 van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: ‘ [verzoeker] ’,
advocaat mr. K.S.M. Smienk te Utrecht,
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam,
zetelende te Amsterdam,
hierna te noemen: ‘de abs’ en
2het openbaar ministerie te Amsterdam,
hierna te noemen: ‘de officier van justitie’.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 16 februari 2022 en de daarop volgende herstelbeschikking van 9 maart 2022 heeft deze rechtbank de voornamen van [verzoeker] gewijzigd van ‘ [voornamen 1] ’ in ‘ [voornamen 2] ’. De beslissing ten aanzien van de wijziging van de geboorteakte heeft de rechtbank aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak bij deze rechtbank aanhangige zaak onder zaak- en rekestnummer C/09/607560 / FA RK 21-1082.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
brief van de abs van 7 juni 2022, ingekomen op 8 juni 2022;
het F9-formulier met bijlage van [verzoeker] , ingekomen op 29 juni 2022.
1.3.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juli 2022.
Gehoord zijn:
- [verzoeker] (telefonisch) en diens advocaat.
1.4.
De rechtbank heeft ter mondelinge behandeling uitspraak gedaan. Deze beschikking vormt daarvan de weerslag.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van 16 februari 2022 heeft deze rechtbank het verzoek tot voornaamswijziging toegewezen en de beslissing op het verzoek tot geslachtswijziging aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak.
2.2.
De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 4 maart 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:131) afgezien van beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen. De Hoge Raad verwijst naar de huidige stand van zaken en voert aan dat de mogelijkheid van een genderneutrale registratie in een geboorteakte recent hernieuwede aandacht heeft gekregen van de wetgever. De Hoge Raad stelt dat de wetgeving met betrekking tot een gender neutrale aanduiding in voorbereiding is en in de nabije toekomst te verwachten valt. De Hoge Raad oordeelt dan ook dat beantwoording van de prejudiciële vragen op dit moment de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten gaat. De Hoge Raad oordeelt voorts dat zolang er geen wettelijke regeling is, het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en de inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen, met inbegrip van de mogelijkheid om de beslissing op het verzoek aan te houden.
2.3.
Uit de gang van zaken blijkt dat de wetgeving in voorbereiding is op dit onderwerp, maar dat het wetsvoorstel nog niet is aangenomen. Van [verzoeker] kan niet worden verwacht dat die wacht op het wetgevingsproces. De rechtbank zal dan ook onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad onderhavige zaak beoordelen aan de hand van de aard en de inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden.
2.4.
[verzoeker] legt aan het verzoek ten grondslag dat het wijzigen van een ‘V’ als geslacht in een ‘X’ ervoor zorgt dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met diens sociale en dagelijkse werkelijkheid. Voor [verzoeker] was het al vanaf jongs af aan duidelijk dat die zich niet in de hokjes ‘man’ of ‘vrouw’ thuis voelt. [verzoeker] gebruikt hormonen om meer non-binaire kenmerken te krijgen en heeft in juni 2021 een dubbele mastectomie ondergaan. [verzoeker] is in behandeling bij Psychotherapiepraktijk [naam praktijk] . [verzoeker] heeft een brief van de behandelend psychiater Els Noorlander en psychotherapeut Alwin O. Man overgelegd waaruit blijkt dat [verzoeker] genderdysforie heeft en sprake is van een non-binaire genderidentiteit. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] nader toegelicht dat een wijziging van diens gender ervoor zorgt dat die diens ID-kaart kan laten zien zonder het gevoel te hebben dat de geslachtsaanduiding niet klopt. Voorts heeft [verzoeker] aangegeven hard aan diens presentatie te hebben gewerkt en dat een wijziging van de geslachtsaanduiding op de geboorteakte – en daardoor ook op officiële documenten (zoals een ID kaart) – ervoor zorgt dat het laatste officiële stuk ook bij hen past.
2.5.
De abs refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De abs heeft bij brief van 7 juni 2022 opgemerkt dat er inmiddels veel jurisprudentie is over de wijziging van de gender van personen die zich noch man, noch vrouw voelen. De ambtenaar maakt daaruit op dat er consensus is in de rechtspraak dat deze non-binaire groep erkenning verdient en dat het verzoek om wijziging van de geboorteakte daarom kan worden toegewezen. De ambtenaar verwijst naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 2022, waarin is beslist dat wetgeving in de maak is sinds november 2021 en dat de rechtbanken totdat de wetgeving in werking treedt handelen naar bevind van zaken, inclusief de mogelijkheid om de beslissing op het verzoek aan te houden. De ambtenaar heeft geen bezwaar tegen het wijzigen van het geslacht van [verzoeker] in ‘X’ op de geboorteakte zoals door [verzoeker] is verzocht, maar merkt wel op dat er geen ‘X’ kan worden vermeld in de basisregistratie personen. Daar kan enkel de gender ‘O’ worden geregistreerd. Tot slot merkt de ambtenaar op dat het huidige paspoort van [verzoeker] als gevolg van een genderwijziging direct vervalt en dat [verzoeker] daarom direct een nieuw identiteitsbewijs dient aan te vragen na wijziging van de geslachtsaanduiding op de geboorteakte.
2.6.
De rechtbank deelt de overwegingen van de door [verzoeker] aangehaalde uitspraken van de rechtbanken Limburg, Noord-Nederland en Utrecht voor zover daarin een maatschappelijke en (internationaal) juridische erkenning van een neutrale geslachtelijke identiteit wordt aangenomen. Vervolgens wordt overwogen dat het aan de wetgever is om te voorzien in regelgeving omtrent neutrale (of non-binaire) geslachtsaanduiding. Ten slotte wordt in die uitspraken ervoor gekozen om (in een latere vermelding) in de geboorteakte op te nemen dat ‘het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld’ onder verwijzing naar artikel 1:19d van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). De rechtbank kan zich niet verenigen met deze oplossing. Artikel 1:19d BW ziet immers op het geval dat na de geboorte het (fysieke) geslacht van een kind twijfelachtig is en blijft, terwijl in de onderhavige geval sprake is van een non-binaire genderidentiteit van [verzoeker] .
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding op dezelfde wijze dient te worden benaderd als die welke is omschreven in de artikelen 1:28a-c BW, voor mensen van zestien jaar en ouder die de – door een deskundige getoetste en onderschreven – overtuiging hebben tot ‘het andere geslacht’ te behoren.
Dictum
De rechtbank:
- gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam aan de akte van geboorte onder nummer [nummer] van het jaar 1999 de latere vermelding toe te voegen van de wijziging:
van het geslacht, in de zin dat het geslacht zal zijn ‘X’;
- draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.T.W. Gerritsen, griffier, op 12 juli 2022.
Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 27 juli 2022.
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.