Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-04-06
ECLI:NL:RBAMS:2022:4814
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,929 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/4639
uitspraak van de enkelvoudige kamer 6 april 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
( [gemachtigde] ),
en
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. N. Diamant).
Procesverloop
Met een besluit van 6 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om kinderbijslag afgewezen.
Met een besluit van 23 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2021. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiser was getrouwd met [naam] (hierna: de moeder). Bij gelegenheid van de echtscheiding is een convenant en ook een omgangsregeling opgesteld. Op 25 augustus 2020 heeft eiser kinderbijslag aangevraagd voor zijn zoon. Hierbij heeft eiser aangegeven dat zijn zoon sinds 16 maart 2016 bij hem woont. Verweerder heeft zijn aanvraag afgewezen omdat volgens de omgangsregeling blijkt dat de zoon van eiser 4 tot 7 nachten per week niet bij eiser slaapt maar bij de moeder.
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Volgens eiser is de situatie veranderd en is sprake van co-ouderschap. Eiser heeft hierbij een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2019 (hierna: de beschikking) overgelegd. Verweerder heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens verweerder blijkt uit het convenant en de beschikking niet dat sprake is van co-ouderschap tussen eiser en de moeder. Verder is ook geen afspraak gemaakt over de verdeling van de kinderbijslag. Van co-ouderschap is sprake als de ouders allebei evenveel bijdragen in de verzorging en het onderhoud van het kind. Vaststaat dat het verblijf van de zoon van eiser voor de helft is verdeeld tussen eiser en de moeder. De bijdrage in de kosten van onderhoud zijn van de moeder hoger dan de bijdrage van eiser. Daarmee worden de onderhoudskosten van de zoon niet gelijkelijk verdeeld en daarom is volgens verweerder geen sprake van co-ouderschap. Verweerder betaalt de kinderbijslag uit aan de ouder die de hoogste bijdrage in het onderhoud levert, in dit geval de moeder.
3. Bij brief van 13 april 2021 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de helft van de kinderbijslag aan hem kan worden betaald, indien hij met de moeder afspraken maakt over de gelijke verdeling van de kosten in onderhoud van de zoon.
Standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de verblijfsoverstijgende kosten van onderhoud niet gelijkelijk tussen beide ouders worden verdeeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een kostenoverzicht meegestuurd. Volgens eiser is hij de verzorgende ouder en volgt uit artikel 7.1 van het convenant dat de kinderbijslag aan de verzorgende ouder wordt uitgekeerd. De verdeling van de zorgtaken is volgens eiser bevestigd in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2019. Volgens eiser gaat verweerder onterecht voorbij aan het feit dat eiser geen afspraken kan maken met de moeder over de gelijke verdeling van kosten.
Beoordeling
5. De rechtbank moet in deze zaak de vraag beantwoorden of verweerder de aanvraag van eiser om kinderbijslag op goede gronden heeft afgewezen.
6. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage welke onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
7. Op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) bestaat het recht op kinderbijslag indien het kind behoort tot het huishouden van de verzekerde en het kind door de verzekerde wordt onderhouden. Op grond van artikel 18 van de AKW geldt dat als twee verzekerden over dezelfde periode recht hebben op kinderbijslag voor een kind dat tot het huishouden van een van die verzekerden hoort, als hoofdregel geldt dat de kinderbijslag wordt betaald aan de verzekerde tot wiens huishouden het kind hoort. Hierbij wordt gekeken naar de feitelijke situatie op de eerste dag van een kalenderkwartaal. De peildatum in deze zaak is 1 januari 2020. Matteo stond op de peildatum ingeschreven bij zijn moeder. In artikel 18, lid 7 van de AKW is echter ook bepaald dat nadere en aanvullende regels kunnen worden gesteld, waarbij bepaald kan worden dat aan een ander persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald.
8. Volgens artikel 10 van het Besluit kan de kinderbijslag gelijk uitbetaald worden aan beide ouders indien zij het kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren. Dit is anders als in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking iets anders is bepaald. Verweerder heeft ter uitvoering van deze bepaling een beleidsregel vastgesteld. Het gaat hier om beleidsregel SB 1096. Volgens de beleidsregel wordt aangenomen dat de verzorging en het onderhoud zijn verdeeld zoals is vastgelegd in de overeenkomst of rechterlijke uitspraak indien het kind in overwegend gelijke mate de nachtrust doorbrengt bij beide ouders. Verweerder gaat alleen uit van de feitelijke situatie indien blijkt dat niet-naleving van deze afspraken een bestendig karakter heeft. Hiervan is in het algemeen sprake als de ouders de afspraken langer dan zes maanden niet naleven. In gevallen waarin het niet mogelijk is om de feitelijke situatie vast te stellen, gaat verweerder alsnog uit van de overeenkomst of rechterlijke uitspraak. De rechtbank acht deze beleidsregel niet onredelijk.
9. De rechtbank stelt het volgende vast. De peildatum in onderhavige is 1 juli 2020 en de periode waar het om gaat is het derde kwartaal van 2020. Eiser heeft op 25 augustus 2020 kinderbijslag aangevraagd voor zijn zoon. Omdat eiser de aanvrager is, ligt de bewijslast bij eiser. Op de peildatum van 1 juli 2020 is geen sprake geweest van co-ouderschap tussen eiser en de moeder. Daarvoor is volgens SB 1096 vereist een overeenkomst of rechterlijke uitspraak op grond waarvan beide ouders het kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden. Van een dergelijke overeenkomst of rechterlijke uitspraak is echter geen sprake. De enkele stelling van eiser dat hij en de moeder co-ouderschap voeren is onvoldoende om te kunnen concluderen dat daarvan sprake is. Ter zitting is ook gebleken dat een onderhandse overeenkomst ook volstaat, maar ook daarvan is niet gebleken.
10. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat feitelijk beide ouders evenveel bijdragen aan de kosten van onderhoud. Eiser onderbouwt deze stelling echter niet nader met verifieerbare gegevens voor zover het zijn eigen uitgaven betreft. Het kostenoverzicht dat eiser heeft meegestuurd ziet niet op de periode in geding, maar op een andere periode in het jaar 2021. Daarmee heeft hij dus niet aannemelijk gemaakt dat hij meer kosten heeft gemaakt dan de €195,- waarvan verweerder van uitgaat.
Conclusie
11. De aanvraag om kinderbijslag is op goede gronden afgewezen. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Bissumbhar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Bijlage
Wettelijk kader
Artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet
1. De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:
a. tot zijn huishouden behoort, of
b. door hem wordt onderhouden.
2. De verzekerde heeft voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag indien:
a. de verzekerde heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel daarvan op grond van die wet is vrijgesteld;
b. het kind als leerling, vavo-student of student als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een met een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt, dan wel met overeenkomstige toepassing van de vrijstellingsgronden van die wet van die verplichting is vrijgesteld;
c. het kind een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 heeft behaald; of
d. het kind een school of instelling als bedoeld in onderdeel b heeft afgerond op vergelijkbare wijze als bedoeld in onderdeel c.
3. Het niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, blijkt uit een daartoe strekkende mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind woont.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede en derde lid.
5. [ Red: Vervallen.]
6. Het bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid, wordt verdubbeld indien de verzekerde per kalenderkwartaal een bijdrage levert aan het onderhoud van het kind die meer bedraagt dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en het kind, bedoeld in het eerste lid, niet tot het huishouden van de verzekerde noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort:
a. in verband met ziekte of gebreken van het kind; of
b. in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding aan een school of instelling in de zin van artikel 1, onder b of c, van de Leerplichtwet 1969 waar het kind staat ingeschreven of in verband met het volgen van onderwijs, genoemd in artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 waar het kind overeenkomstig artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 staat ingeschreven of in verband met het volgen van onderwijs aan een vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland waar het kind staat ingeschreven, waarbij:
1°. de verzekerde aantoont dat het kind een bij ministeriële regeling te bepalen beroepsopleiding volgt of als toptalent op het gebied van dans en muziek dan wel als topsporter op tenminste toptalentniveau een bij ministeriële regeling te bepalen school bezoekt voor het volgen van voortgezet onderwijs of een opleiding volgt in het voorbereidend beroepsonderwijs of in het beroepsonderwijs en als topsporter op tenminste toptalentniveau een opleiding bij een bij ministeriële regeling te bepalen centrum voor topsport volgt waardoor de afstand tussen het woonadres van de verzekerde of het woonadres van de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde en de dichtstbijzijnde instelling of school waar de beroepsopleiding of het voortgezet onderwijs wordt aangeboden meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen aantal kilometers; of
2°. de verzekerde een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen beroep uitoefent; of
3°. de verzekerde of de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde in een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van Nederland woont, of de verzekerde aantoont dat hij of die ander in een gebied buiten Nederland woont waarbij niet verwacht kan worden dat het kind op basis van openbaar of eigen vervoer dagelijks heen en weer reist tussen school en het adres van de verzekerde of die ander; of
4°. het het kind betreft van de verzekerde, bedoeld in artikel 7b, vierde lid, onderdelen a en b; of
5°. de verzekerde aantoont dat het kind een bij ministeriële regeling te bepalen school bezoekt waarbij de afstand tussen het woonadres van de verzekerde of het woonadres van de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde en de dichtstbijzijnde school waar het onderwijs wordt aangeboden meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen aantal kilometers, met dien verstande dat de afstandseis niet geldt als het kind verplicht is gedurende het schooljaar meer dan drie nachten per kalenderweek op een aan de school gelieerde locatie te overnachten.
7. Indien de beroepsopleiding of de school, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, niet langer is opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, dan wel indien gedurende de beroepsopleiding of het voortgezet onderwijs, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, een gelijke opleiding of school in die ministeriële regeling wordt opgenomen die valt binnen de afstand, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, blijft de verdubbeling van de kinderbijslag, bedoeld in het zesde lid, van toepassing tot de dag waarop het kind de opleiding of het onderwijs, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, onder 1°, niet langer volgt.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, en het zesde lid.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt het kind geacht het onderwijs of de beroepsopleiding eerst na de vakantie te hebben beëindigd, indien:
a. het onderwijs of de beroepsopleiding wordt beëindigd tijdens een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de school of instelling vastgestelde vakantie, dan wel
b. het onderwijs of de beroepsopleiding wordt afgesloten met een eindexamen, dat kort voor het begin van de laatste door de Minister van Cultuur, Onderwijs en Wetenschap, de school of instelling vastgestelde vakantie van het desbetreffende schooljaar wordt afgelegd.
10. In afwijking van het zesde lid, onderdeel b, sub 1°, is het woord «dichtstbijzijnde» niet van toepassing wanneer:
a. het kind een beroepsopleiding volgt aan een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of
b. het kind een beroepsopleiding volgt aan een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de dichtstbijzijnde instelling een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling is als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet
1. De Sociale verzekeringsbank betaalt de kinderbijslag en het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarover recht op kinderbijslag bestaat, respectievelijk binnen drie maanden na indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 14, eerste lid, tweede zin.
2.