Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-07-14
ECLI:NL:RBAMS:2022:4213
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,447 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751807-21
RK nummer: 21/5834
Datum uitspraak: 14 juli 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 oktober 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juli 2021 door the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft op grond van artikel 22, derde lid, OLW, de beslistermijn met 30 dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen en voorts op grond van art 22, vierde lid, OLW met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De rechtbank heeft het onderzoek op 30 november 2021 geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van 14 september 2021 met kenmerk: ECLI:NL:RBAMS:2021:5052.
Op 29 maart 2022 is de opgeëiste persoon in vrijheid gesteld, aangezien de (verlengde) beslistermijn op 23 maart 2022 is verstreken en niet tijdig is verlengd, zodat ook de overleveringsdetentie niet is verlengd.
De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 30 juni 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de (verlengde) termijn waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor overleveringsdetentie.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een:
(1) decision of the district court in Tuchola dated May 10, 2019, files reference number II Kp 115/19, on application of a temporary arrest for the period of 14 days from the date of detention with reference to [opgeëiste persoon], to the case of the District Public Prosecutor’s Office in Tuchola files reference number PR Ds. 149.2019.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Tevens wordt in het EAB melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis:
(2) judgement of the district court in Świecie of the VII local criminal division based in Tuchola dated June 4, 2014, files reference number VII K 116/14.
In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat het EAB ongenoegzaam is. Hij heeft erop gewezen dat gesproken wordt, ook door de opgeëiste persoon, over één jaar vrijheidsstraf. Zowel in het EAB als in het A-formulier staat echter bij de resterende straf vermeld: “1 jaar en 4”. Dat zou een schrijffout kunnen zijn, maar het is van belang dat duidelijk is waarvoor de overlevering wordt gevraagd, zodat hierover vragen moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, aldus de raadsman.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB leidend is en dat een vermoedelijke fout in het A-formulier daar niet aan kan afdoen.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat zowel in het (vertaalde) EAB als in het (Engelstalige) A-Formulier bij de opgelegde straf een vrijheidsstraf van één jaar is vermeld, en bij de resterende straf melding wordt gemaakt van: “1 year 4”. Omdat de resterende straf uiteraard niet hoger kan zijn dan de opgelegde straf heeft de rechtbank in raadkamer het originele Poolstalige EAB geraadpleegd en geconstateerd dat zowel bij de opgelegde straf als bij de resterende straf melding wordt gemaakt van een vrijheidsstraf van één jaar (respectievelijk 1 roku en 1 rok). Kennelijk betreft “1 year 4” dus een verschrijving. Nadere informatie daarover acht de rechtbank niet noodzakelijk.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Voor zover het EAB strekt tot vervolging kan overlevering in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
Voor zover het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf kan overlevering in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
(1) diefstal door twee of meer verenigde personen;
(2) mishandeling.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Voor zover het EAB strekt tot vervolging overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu namens de opgeëiste persoon geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 300 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen).
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en W.B. van Bockel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).