Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-06-02
ECLI:NL:RBAMS:2022:2946
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,160 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/898
uitspraak van 2 juni 2022 van de enkelvoudig kamer in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna: [eiser] )
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: mr. D. Ahmed).
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2020 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van [eiser] om bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand afgewezen.
Met het besluit 30 december 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2022. [eiser] is verschenen. Gemachtigde van het college is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. [eiser] heeft op 7 juli 2020 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een Duitse advocaat voor het voeren van een juridische procedure in Duitsland. Het college heeft de aanvraag op 28 september 2020 afgewezen. De reden daarvoor was dat [eiser] geen volledige inlichtingen heeft gegeven.
2. In de beslissing op bezwaar van 30 december 2020 heeft het college de afwijzing gehandhaafd onder gewijzigde motivering. Het college legt aan de afwijzing ten grondslag dat de kosten waarvoor [eiser] bijzondere bijstand vraagt in het buitenland opkomen.
3. [eiser] voert aan dat de politie met medewerking van het college valse informatie over hem heeft gedeeld met de Bundeskriminalamt in Wiesbaden. [eiser] probeert deze gegevens gewist te krijgen in Duitsland. Een deel van zijn rechtsbijstandskosten voor deze procedure worden door Duitsland vergoed. Voor de eigen bijdrage in deze kosten heeft [eiser] bijzondere bijstand aangevraagd. [eiser] vindt het logisch dat het college deze kosten op zich neemt, omdat het college volgens hem verantwoordelijk is voor het ontstaan van de procedure.
4. Het college stelt dat het territorialiteitsbeginsel zich verzet tegen het verstrekken van bijzondere bijstand voor kosten die in het buitenland worden gemaakt. Het college verwijst hiervoor naar artikel 11 van de Participatiewet (PW). Verder is volgens het college niet gebleken dat er sprake is van zeer dringende redenen om daar van af te wijken.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep sluit het aan de PW ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandsverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het territorialiteitsbeginsel aan verlening van bijzondere bijstand voor de in geding zijnde kosten in de weg staat, omdat deze kosten in het buitenland zijn opgekomen.
6. Voor zover [eiser] stelt dat een Nederlandse instantie de bron is van de procedure die hij voert in Duitsland, en er in zoverre sprake is van een connectie met Nederland, is de rechtbank van oordeel dat dit gegeven onvoldoende is om het territorialiteitsbeginsel te doorbereken. De rechtbank overweegt daarbij dat [eiser] een verzoek om rectificatie van gedeelde gegevens kan indienen in Nederland.
7. De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om te oordelen dat er sprake is van zeer dringende reden, zoals volgt uit artikel 16 PW. Dringende redenen in de zin van artikel 16 PW zijn namelijk gesteld noch gebleken.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
zie de uitspraken van 3 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4011) en van 15 november 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU4675).