Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-05-19
ECLI:NL:RBAMS:2022:2778
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,868 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/3964
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: C.D.H. Helder).
Procesverloop
Op 23 januari 2016 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2016 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de naheffingsaanslag vernietigd.
Eiser heeft op 14 juli 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft met de buitenzittingsuitspraak van 5 februari 2021 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft op 6 februari 2021 verzet ingesteld.
Met de uitspraak van 23 december 2021 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2022.
Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door A. Husseini.
Overwegingen
1. Op 20 januari 2016 om 13:07 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat de auto van eiser met kenteken [nummer] ter hoogte van het [adres] stond, terwijl geen parkeergeld was betaald. Verweerder heeft daarom aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd.
2. Met de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Verweerder heeft geen proceskostenvergoeding toegekend.
3. Eiser heeft op 14 juli 2020 een beroepschrift ingediend. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij de bestreden uitspraak van 13 februari 2016 niet heeft ontvangen. Eiser heeft pas op 13 juli 2020 voor het eerst kennisgenomen van de bestreden uitspraak. Volgens eiser is ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend. Verder verzoekt eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep onredelijk laat is ingediend. Gemachtigde heeft ruim 4 jaar nadat hij bezwaar heeft gemaakt gevraagd naar een afschrift van de uitspraak op bezwaar. De reden dat gemachtigde zo lang heeft gewacht met het opvragen is verweerder onbekend. Gezien de duur van de termijnoverschrijding stelt verweerder dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de uitspraak op bezwaar bij eiser bekend was. Verweerder stelt verder dat het ten onrechte opleggen van de naheffingsaanslag te wijten is aan eiser die een verkeerd kenteken heeft ingevoerd bij de aangifte parkeerbelasting. Voor een proceskostenvergoeding is in dat geval geen aanleiding.
5. De rechtbank heeft met de buitenzittingsuitspraak van 5 februari 2021 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend. Eiser heeft tegen de uitspraak verzet ingesteld. Met de uitspraak van 23 december 2021 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard, omdat niet zonder enige twijfel het beroep niet-ontvankelijk was.
Beoordeling
6. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij bevoegd is om zich ambtshalve te buigen over de vraag of in voorkomende gevallen misbruik is van recht, omdat die kwestie raakt aan de toegang tot de rechter.
7. Naar het oordeel van de rechtbank moet het beroep van eiser niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de gemachtigde van eiser bij het doen van het beroep misbruik maakt van het recht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 13 februari 2016 een juiste adressering vermeldt. Hoewel verweerder het besluit van 13 februari 2016 niet aangetekend heeft verzonden en geen verzendadministratie heeft overgelegd acht de rechtbank in dit geval voldoende aannemelijk dat het besluit is verzonden. Gebleken is dat uit het procesgedrag van de gemachtigde van eiser een patroon is waar te nemen waarin hij ontkent besluiten te hebben ontvangen en vervolgens meerdere jaren – in dit geval ruim 4 jaar - later een beroepschrift indient. De rechtbank wijst daarbij onder meer op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2021 en de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2022 en 8 maart 2022. Verder blijkt uit deze uitspraken en onderhavige zaak dat het enkele oogmerk van de gemachtigde van eiser is het verkrijgen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding voor schending van de redelijke termijn. Dat de gemachtigde van eiser al op 6 februari 2021 – wat nog geen 8 maanden na het indienen van het beroepschrift is - verzoekt om een vergoeding voor schending van de redelijke termijn ziet de rechtbank als een verdere indicatie dat zijn oogmerk hierop is gericht. De naheffingsaanslagen zijn daarnaast in al deze zaken reeds geruime tijd vernietigd. Hiermee is de gemachtigde van eiser ook mee bekend voor het indienen van het beroepschrift. De enkele stelling van de gemachtigde van eiser dat vanwege werkdruk en veelheid van zaken een zaak in de vergetelheid kan raken, verklaart naar het oordeel van de rechtbank niet het procesgedrag van de gemachtigde en het feit dat dit in een korte periode meermaals is gebeurd.
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het ontkennen van de ontvangst van besluiten met het enkele oogmerk om na 4 jaar een eventuele vergoeding van proceskosten of een vergoeding van de redelijke termijn te verkrijgen, is aan te merken als misbruik van recht.
Conclusie
9. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
10. Gelet op wat onder overweging 7. is overwogen wijst de rechtbank het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn af omdat sprake is van misbruik van recht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van N.J.A. van Eck, griffier, 19 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1636 en 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4185.
Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6537.
Uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:332.
Uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:675.