Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-05-12
ECLI:NL:RBAMS:2022:2590
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,133 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/2477 V
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
12 mei 2022 op het verzet van
[opposante] , te Amsterdam, opposante
(gemachtigde: mr. N.G.A Voorbach),
en van de mondelinge uitspraak in de beroepszaak van
opposante
en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Opposante heeft tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 29 maart 2021 (de
bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld. Op 23 augustus 2021 heeft opposante het
beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Bij uitspraak van 28 oktober 2021 heeft de rechtbank het verzoek kennelijk gegrond
verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022.
Opposante heeft zich laten vertegenwoordigen door [de persoon] als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposante tot een bedrag van
€ 1.407,50;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van wettelijke rente over een bedrag van € 1.407,50, te berekenen over de periode vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank tot de algehele voldoening.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten en de hoogte daarvan vastgesteld op € 748,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Opposante heeft aangevoerd dat ook de proceskosten in bezwaar hadden moeten worden vergoed. Verder heeft opposante verzocht om te bepalen dat verweerder over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd. Uit wat opposante heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat opposante recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 748,-.
Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
3. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die opposante in bezwaar, beroep en verzet redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.407,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 269,- en een wegingsfactor 0,5, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1, 0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is niet bevoegd verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden in geval van intrekking van het beroep. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich conform artikel 8:41, zevende lid, van de Awb bereid heeft verklaard het griffierecht aan opposante te vergoeden. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, dient verweerder over het totale bedrag van € 1.407,50 wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Vergelijk ook de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:144.
ECLI:NL:HR:2018:2358.