Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-04-07
ECLI:NL:RBAMS:2022:2558
Strafrecht
Uitspraak na prejudiciële beslissing
2,780 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752204-21
RK nummer: 21/6146
Datum uitspraak: 7 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 november 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2021 door de Circuit Court of Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
Zitting 16 december 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 december 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y. Nieboer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van 14 september 2021.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd. Ook heeft zij de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor 60 dagen verlengd omdat zij in afwachting is van de uitspraak van het HvJ EU over de prejudiciële vragen die zijn gesteld bij voornoemde verwijzingsbeslissing en zij daarom nog niet over de verzochte overlevering kan beslissen.
Zitting 29 maart 2022
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 29 maart 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding - is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y. Nieboer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de District Court of Żary van 11 mei 2020 (II K 222/20) en van een daarop volgend arrest van de Circuit Court of Zielona Góra van 2 maart 2021 (VI Ka 698/20).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis in eerste aanleg heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaren, 2 maanden en 9 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij het proces in hoger beroep dat heeft geleid tot het arrest van 2 maart 2021. Bij dit arrest is de kwalificatie van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in eerste aanleg was veroordeeld aangepast, door daaraan de recidiveregeling toe te voegen. Door deze toevoeging had de straf in hoger beroep verzwaard kunnen worden. Het arrest in hoger beroep betreft dus een onherroepelijke laatste beslissing in de zin van het arrest Tupikas. Nu de opgeëiste persoon hierbij niet aanwezig is geweest en het hem niet kan worden verweten dat hij niet op de hoogte is geraakt van de behandeling in hoger beroep, is de weigeringsgrond van toepassing. De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de overlevering te weigeren. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht de Poolse autoriteiten om een verzetgarantie te vragen.
De officier van justitie heeft gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is. De uitvaardigende autoriteit heeft aangegeven dat in hoger beroep niet is geoordeeld over de schuld of de straf. Dit betekent dat het vonnis in eerste aanleg dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij het proces dat tot het vonnis in eerste aanleg heeft geleid zodat er geen weigeringsgrond is als bedoeld in artikel 12 OLW. De overlevering kan worden toegestaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis van de District Court of Żary van 11 mei 2020. Tegen dit vonnis heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. In de aanvullende informatie van de Circuit Court of Zielona Góra van 1 maart 2022 is aangegeven dat er in hoger beroep niet is beslist over de schuld en de straf van de opgeëiste persoon, maar dat slechts de beschrijving en de kwalificatie van één van de feiten is verbeterd. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat alleen het vonnis in eerste aanleg dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Omdat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces in eerste aanleg is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de Poolse autoriteiten te vragen om een verzetgarantie en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan ten aanzien van feit 2 is voldaan.
Dit feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van feit 1 niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Het overtreden van een contactverbod is naar Nederlands recht geen strafbaar feit.
Met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet op 1 april 2021 is echter ook artikel 7 OLW gewijzigd.
Voor zover deze bepaling uitvoering geeft aan artikel 4, punt 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ brengt een kaderbesluitconforme uitleg van deze gewijzigde bepaling mee dat lid 1 een facultatieve weigeringsgrond bevat met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet in deze situatie aanleiding om van weigering af te zien. Het feit heeft geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde nu het is begaan in Polen, door een onderdaan van die lidstaat tegen en andere onderdaan van die lidstaat. Daarnaast is de overlevering al toelaatbaar voor de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf voor feit 2, welk feit samenhangt met feit 1, en zien deze feiten op hetzelfde slachtoffer en zijn de feiten in Polen gelijktijdig berecht.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van dat grondrecht.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court of Zielona Góra (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rechtbank Amsterdam 14 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5052.
HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)
. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, parketnummer 13/751539/21 (nog te publiceren), r.o. 4.4.
. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, parketnummer 13/751539-21 (nog te publiceren), onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).