Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-12-27
ECLI:NL:RBAMS:2021:7922
Bestuursrecht
Bodemzaak
3,075 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/4547
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(hierna: de burgemeester)
(gemachtigden: mr. R. Nomden en mr. M. Kappelhof).
Conclusie
1. De rechtbank stelt [eiser] (eiser) niet in het gelijk. De burgemeester mocht aan eiser een verblijfsverbod voor de duur van één maand opleggen. De rechtbank legt hieronder uit waar deze zaak over gaat en hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
De aanleiding voor deze rechtszaak
2.1.
Met het besluit van 30 december 2019 (het primaire besluit) heeft de burgemeester aan eiser, toen 16 jaar oud, een verblijfsverbod voor de duur van één maand opgelegd. Eiser mocht daardoor van 31 december 2019 tot en met 30 januari 2020 niet in overlastgebied Centrum komen. De burgemeester heeft het verblijfsverbod in stand gelaten in het besluit op bezwaar van 31 juli 2020 (het bestreden besluit). Wel heeft de burgemeester in de bezwaarfase, op 20 januari 2020, een ‘corridor’ verleend, zodat eiser in het overlastgebied naar school kon gaan. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom deze procedure bij de rechtbank gestart.
2.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling
Verzoek om vrijstelling van het griffierecht
3. Eiser heeft om vrijstelling van het griffierecht verzocht. Hij heeft een verklaring ingevuld dat hij geen inkomsten of vermogen heeft. Dit formulier is ondertekend door zijn moeder (zijn wettelijk vertegenwoordiger). De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft voor het beroep daarom geen griffierecht te betalen.
Het verblijfsverbod
4.1.
De burgemeester heeft eiser met het primaire besluit een bevel gegeven om zich onmiddellijk uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden, voor de duur van één maand. Op grond van artikel 2.9, tweede lid, aanhef en onder a van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: Apv) kan een verblijfsverbod voor de duur van één maand pas worden gegeven, als de betrokkene binnen een periode van één jaar tweemaal een kortdurend verblijfsverbod is opgelegd. Een kortdurend verblijfsverbod is het bevel om zich onmiddellijk uit het overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van 24 uur niet meer te bevinden. De rechtbank stelt vast dat aan dit vereiste is voldaan. Eiser heeft namelijk op 20 september 2019 en op 17 november 2019 een kortdurend verblijfsverbod opgelegd gekregen.
4.2.
Eiser heeft de feiten op grond waarvan de verblijfsverboden zijn opgelegd niet bestreden. Wel heeft eiser aangevoerd dat de burgemeester het besluit niet behoorlijk heeft voorbereid en dat de burgemeester ten onrechte is overgegaan tot het opleggen van de zwaarste maatregel.
Procesbelang
5. Voordat de rechtbank over kan gaan tot de beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser, moet de rechtbank beoordelen of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het verblijfsverbod is immers inmiddels verstreken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over huisverboden en verblijfsverboden impliceren dergelijke verboden, gelet op de gronden waarop deze worden opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de betrokkene. Daarom is tot op zekere hoogte aannemelijk dat degene aan wie een dergelijk verbod is opgelegd als gevolg van het besluit in zijn eer en goede naam is geschaad. Naar het oordeel van de Afdeling kan het resultaat dat diegene nastreeft, te weten vernietiging van dat besluit, om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser procesbelang heeft en zijn beroep inhoudelijk moet worden behandeld.
De voorbereiding van het besluit
6.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en genomen. Eiser was ten tijde van het incident minderjarig en niet handelingsbekwaam. Volgens eiser heeft hij onvoldoende, en zijn ouders in het geheel niet, de gelegenheid gehad om zich uit te laten over het voorgenomen besluit. Eiser heeft weliswaar na het laatste incident een paar korte vragen moeten beantwoorden, maar hij realiseerde zich niet dat deze vragen ook betrekking hadden op een langdurige verblijfsverbod en welke gevolgen een dergelijk verbod zou hebben. Eiser en zijn ouders hadden moeten worden gehoord voorafgaande aan het nemen van het besluit. Het is niet op voorhand uitgesloten dat dit horen tot het niet opleggen van het verbod, of tot een minder vergaand verbod zou hebben geleid. Zo heeft de burgemeester bij het primaire besluit de schoolgang van eiser niet betrokken, terwijl hij nog leerplichtig is. De ‘corridor’ is pas naar aanleiding van het bezwaarschrift verleend.
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van 17 november 2019 blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, zodat is voldaan aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. De moeder van eiser is in de bezwaarfase, tijdens de hoorzitting, door de burgemeester gehoord. Eiser stelt dat zijn ouders ook hadden moeten worden gehoord voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit, omdat hij minderjarig was ten tijde van het incident. De rechtbank overweegt hierover dat – anders dan in het strafrecht – in het bestuursrecht geen verplichting bestaat om de ouders van een minderjarige te horen. De rechtbank ziet in deze bestuursrechtelijke procedure wel een spanningsveld tussen enerzijds het belang van de minderjarige bij betrokkenheid van de ouders bij de procedure en anderzijds het recht van eiser op privacy ten opzichte van zijn ouders. De rechtbank stelt voorop dat als een maatregel wordt opgelegd aan een minderjarige, aan het handelen van het bestuursorgaan hogere eisen worden gesteld aan de vereiste zorgvuldigheid dan bij volwassen betrokkenen. De burgemeester zal daarbij rekenschap moeten afleggen over de gemaakte keuzes ten aanzien van de betreffende minderjarige. Hoe in een specifiek geval door het bestuursorgaan gehandeld moet worden, hangt evenwel af van de omstandigheden van het geval. De leeftijd speelt hierbij een rol, maar zeker ook de kwetsbaarheid van de betreffende minderjarige. In dit geval naderde eiser de meerderjarige leeftijd; hij was immers ten tijde van het incident 16 jaar oud. Eiser is bij herhaling betrokken geweest bij orde verstorende gedragingen, ook ’s nachts rond 02:00 uur. Eiser bewoog zich dus rond dat nachtelijke tijdstip zelfstandig over straat in het centrum van Amsterdam. Op de rechtbank komt eiser daarom geenszins over als een kwetsbare minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester in de belangenafweging in dit geval dan ook meer waarde mogen hechten aan het waarborgen van het recht van eiser op privacy. Daarbij heeft de burgemeester het primaire besluit verzonden naar het adres van eiser, waar hij samen met zijn ouders woont. Als eiser zijn ouders bij de opgelegde maatregel had willen betrekken, had hij hiertoe de gelegenheid toen hij het besluit ontving. Op deze wijze zouden zijn ouders ook op de hoogte zijn gesteld. De burgemeester heeft dus naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig gehandeld.
6.3.
De burgemeester heeft de ‘corridor’ weliswaar niet uit eigen beweging verleend, maar op verzoek van de gemachtigde van eiser. Omdat de burgemeester dit nog in de bezwaarfase heeft hersteld, ziet de rechtbank geen reden hier gevolgen aan te verbinden.
De omvang van het gebied en de duur van het verbod
7.1
Eiser heeft aangevoerd dat het besluit disproportioneel is, gelet op de grote gevolgen die het voor eiser heeft. Het besluit is genomen op grond van twee lichte overtredingen, waarvoor doorgaans een geringe boete wordt opgelegd en waarvoor per overtreding naast die boete al een verblijfsverbod van 24 uur was opgelegd. De burgemeester heeft ten onrechte gegrepen naar de zwaarste maatregel. Het feit dat eiser minderjarig was heeft op het besluit geen enkele invloed gehad, evenals het feit dat hij aan de rand van het centrum woont, zijn oma bij wie hij vaak op bezoek gaat in het centrum woont, en hij om naar school te gaan per openbaar vervoer door dat centrumgebied heen moet. Ook vormt het verbod een belangrijke inbreuk op het grondrecht van elke burger om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom de beperking van de vrijheid van beweging noodzakelijk was. Het verblijfsverbod kon enerzijds ook weinig effectief zijn, omdat het pas na zes weken werd opgelegd en een op zichzelf beperkte periode betrof. Anderzijds was het verbod onnodig ruim in tijd en plaats, omdat het zag op het gehele centrum op alle dagen en uren.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de burgemeester in de besluitvorming heeft getoetst of de genomen maatregel passend en noodzakelijk is, gegeven de situatie.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. den Toom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
27 december 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
BIJLAGE
Artikel 2.8 van de APV 2008 luidt:
Aanwijzing overlastgebied
1. De burgemeester kan een overlastgebied aanwijzen als naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. Hij bepaalt daarbij of artikel 2.9, of artikel 2.9A van toepassing is.
2. Het is verboden zich in een overlastgebied op te houden in een groep van meer dan vier personen als dit leidt tot verstoring van de openbare orde.
3. De burgemeester trekt de aanwijzing in zodra de openbare orde in het overlastgebied naar zijn oordeel voldoende is hersteld.
Artikel 2.9 van de APV 2008 luidt:
Verblijfsverbod
1. De burgemeester kan degene die in een op grond van artikel 2.8, eerste lid aangewezen overlastgebied een van de volgende artikelen overtreedt of feiten of handelingen begaat, bevelen om zich daar voor de duur van 24 uur niet meer te bevinden:
a. artikel 2.2, eerste lid;
(…)
c. artikel 2.7, eerste of tweede lid;
(…)
2. De burgemeester kan degene die in een overlastgebied een van de in het eerste lid genoemde overtredingen pleegt, bevelen om zich uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden:
a. voor de duur van één maand als hem binnen een periode van één jaar tweemaal een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven;
(…)
Zie de bijlage voor de regelgeving.
Zie de uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1524.
Eiser verwijst naar artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), tot het waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het eerste Protocol daarbij zijn opgenomen.
Zie de artikelen 2.8 en 2.9 van de Apv.