Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-08-04
ECLI:NL:RBAMS:2021:6879
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Bodemzaak
3,583 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/1017
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
en
het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. Wevers).
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser ontslag verleend, met ingang van 1 september 2019.
Bij besluit van 3 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2021. Eiser was aanwezig, vergezeld door zijn vertrouwenspersoon, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren ook aanwezig mrs. J.L. Dijkstra en S. Voortman.
Overwegingen
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren – 1 januari 2020 – hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat vóór 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2020.
Wat aan de procedure is voorafgegaan
1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1962, is begin 2008 bij de Universiteit van Amsterdam op basis van een tijdelijk contract aangesteld als beleidsmedewerker op het Maagdenhuis. Vanaf 1 februari 2009 werkte eiser op basis van een vaste aanstelling.
2. In 2018 hebben partijen getracht tot overeenstemming te komen over de beëindiging van eisers aanstelling. Daarbij werd eiser vertegenwoordigd door een advocaat. In december 2018 heeft verweerder eisers advocaat in concept een vaststellingsovereenkomst doen toekomen. In de artikelen 1.1 en 1.2 van de conceptovereenkomst is opgenomen dat aan eiser met ingang van 1 september 2019 ontslag zal worden verleend en dat hem tot die dag bijzonder verlof wordt verleend met de vrijheid een andere werkkring te zoeken. In artikel 12.1 van de conceptovereenkomst is neergelegd dat voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst eiser een besluit van verweerder op zijn bezwaar van 6 juni 2018 zal ontvangen.
3. Eisers advocaat heeft verweerder bij e-mail van 20 december 2018 meegedeeld dat eiser akkoord is met alle onderdelen van de tussen verweerder en hem getroffen regeling zoals die in het concept van de vaststellingsovereenkomst en de correspondentie tussen advocaten van partijen is vastgelegd. Eisers advocaat heeft namens hem toegezegd dat hij de vaststellingsovereenkomst zal ondertekenen na ontvangst van de beslissing op bezwaar.
4. Vervolgens heeft verweerder twee door zijn secretaris ondertekende exemplaren van de vaststellingsovereenkomst aan eisers advocaat verzonden en verzocht een door eiser ondertekend exemplaar retour te sturen.
5. Verweerder heeft op 21 december 2018 het bezwaar van eiser van 6 juni 2018, tegen het besluit van de directeur AC (Administratief Centrum) tot voorwaardelijk ontslag vanwege onrechtmatige inzage in personeelsdossiers, gegrond verklaard.
6. Met een e-mail van 31 december 2018 heeft eiser zijn advocaat laten weten de ontvangen vaststellingsovereenkomst niet te ondertekenen, omdat verweerder zijn bezwaar van 6 juni 2018 gegrond heeft verklaard.
7. Verweerder staat op het standpunt dat met het primaire besluit uitvoering is gegeven aan de vaststellingsovereenkomst. Dat geldt ook voor het bijzonder verlof dat eiser is verleend en voor de hersteldmelding van eiser.
8. Met het bestreden besluit heeft verweerder het ontslagbesluit gehandhaafd en de bezwaren tegen alle connexe besluiten ongegrond verklaard.
9. Eiser heeft op 21 november 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op meerdere ingediende bezwaren. Ook heeft eiser de rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing in zijn uitspraak van 28 september 2020 gegrond verklaard en verweerder daarbij onder meer opgedragen om binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak werd verzonden alsnog op eisers bezwaren te beslissen.
Beoordeling
Vooraf: omvang van het geding
10. De rechtbank stelt vast dat met het bestreden ontslagbesluit materieel gezien is beslist op de bezwaren van eiser tegen vijf connexe besluiten:
een besluit van 28 september 2018 waarmee eisers ICT-toegangsrechten tot de gezamenlijke schijf van verweerder zijn ingetrokken;
een besluit van 1 oktober 2018 waarmee verweerder eiser bijzonder verlof heeft verleend;
het besluit van 10 januari 2019 waarmee aan eiser met ingang van 1 september 2019 ontslag is verleend;
een besluit van 3 oktober 2019 waarmee verweerder eiser heeft meegedeeld dat hij met ingang van 30 augustus 2019 hersteld is gemeld; en
een besluit van 12 september 2019 waarmee eiser is verzocht zijn laptop in te leveren.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser met zijn beroepschrift van 16 februari 2021 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden ontslagbesluit. Tegen het connexe besluit 2 om bijzonder verlof te verlenen heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beroep hiertegen. Tegen de andere connexe besluiten 1, 4 en 5 heeft eiser bij later aan de rechtbank gezonden brieven wel beroepsgronden geformuleerd, maar deze brieven zijn niet binnen de beroepstermijn door de rechtbank ontvangen. Dat betekent dat eiser tegen de beslissing van verweerder op zijn bezwaren tegen deze besluiten niet tijdig beroep heeft ingesteld, zodat hij ook ten aanzien daarvan niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Ter beoordeling resteert het bestreden ontslagbesluit.
12. In geschil is de vraag of de wel door de secretaris van verweerder maar niet door eiser ondertekende vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is, nu eiser nadrukkelijk geweigerd heeft die mede te ondertekenen. Meer in het bijzonder ligt de vraag voor of het besluit waarbij eiser met ingang van 1 september 2019 ontslag is verleend, zijn grondslag kan vinden in de vaststellingsovereenkomst zoals die namens eiser door zijn advocaat op
20 december 2018 is aanvaard en of het ontslagbesluit hiermee in rechte houdbaar is.
De rechtsgeldigheid van het bestreden ontslagbesluit
13.1.
Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de door de rechtbank bij de uitspraak van 28 september 2020 bepaalde beslistermijn van zes weken is overschreden. Verweerder heeft namelijk pas na 17 weken beslist, waardoor de beslistermijn met 11 weken is overschreden. Eiser verzoekt de rechtbank om een dwangsom toe te kennen.
13.2.
Als een besluit niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat het in gebreke is en voor ten hoogste 42 dagen. Voorwaarde is dat het bestuursorgaan in gebreke wordt gesteld. Pas vanaf de vijftiende dag na die ingebrekestelling is een dwangsom verschuldigd.
13.3.
Met de uitspraak van 28 september 2020 heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak werd verzonden alsnog een besluit op eisers bezwaren te nemen. Het bestreden besluit is op 3 februari 2021 – en daarmee dus na de termijn van zes weken – aan eiser verzonden. Verweerder had namelijk tot 9 november 2020 de tijd om te beslissen op de bezwaren van eiser. Niet gesteld – en ook anderszins niet gebleken – is dat eiser verweerder na de beslistermijn van zes weken in gebreke heeft gesteld. Het gemis van een ingebrekestelling staat, zoals verweerder terecht heeft betoogd, aan toekenning van een dwangsom in de weg. Het verzoek om een dwangsom wordt daarom afgewezen.
14.1.
Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat het bestreden ontslagbesluit niet door een objectieve, onpartijdige en onafhankelijke instantie genomen.
14.2.
Dat het bestreden ontslagbesluit niet door een objectieve, onpartijdige en onafhankelijke instantie is genomen is niet een eis die uit enige bestuursrechtelijke bepaling volgt. Voor zover eiser heeft willen stellen dat het bestreden ontslagbesluit onbevoegd is genomen wordt, heeft hij geen gelijk. Op grond van artikel 10:3, derde lid, van de Awb wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt krachtens mandaat heeft genomen. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat prof. dr. G.T.M. ten Dam niet bevoegd was om namens verweerder het bestreden ontslagbesluit te nemen. Het primaire ontslagbesluit is door een andere persoon, te weten [naam 2] , genomen. Het is daarnaast aan verweerder door wie hij zich laat vertegenwoordigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
15.1.
Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat geen sprake is van een besluit, nu de beslissing op bezwaar niet van een rechtsmiddelenclausule is voorzien en daarmee in strijd is met artikel 3:45 van de Awb.
15.2.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden ontslagbesluit niet is voorzien van een rechtsmiddelenclausule. Dat in het bestreden ontslagbesluit geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen, maakt echter niet dat het geen besluit is waartegen bezwaar heeft open gestaan. Het gevolg van nalaten van enige vermelding over de mogelijkheid om een besluit aan te tasten kan zijn dat de belanghebbende een beroep kan doen op de verschoonbare termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, leidt het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing bij een besluit of uitspraak in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Het bestreden ontslagbesluit dateert van
3 februari 2021. Eiser heeft op 16 februari 2021 – en daarmee tijdig – beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij is door het ontbrekende rechtsmiddelenclausule niet in zijn belangen geschaad en dus slaagt de beroepsgrond niet.
De grondslag van het ontslagbesluit
16.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de primaire ontslaggrond is gelegen in de vaststellingsovereenkomst en het daaruit voortvloeiende ontslag op grond van artikel
8.4, eerste lid, van de CAO NU. Het ontslagbesluit van 10 januari 2019 is daarvan een uitvloeisel.
16.2.
De subsidiaire ontslaggrond is gelegen in de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aan een beoordeling van wat verweerder ter onderbouwing van de gestelde verstoring heeft aangevoerd, komt de rechtbank pas toe als de primaire ontslaggrond geen stand houdt.
16.3.
Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat uit de vaststellingovereenkomst een redelijke grond voor ontslag volgt. Er is namelijk, doordat hij de vaststellingsovereenkomst niet heeft ondertekend, geen rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Daarmee ontbreekt de grondslag van het ontslagbesluit. Hij is als gevolg daarvan op en na 1 september 2019 in vaste dienst gebleven bij verweerder.
16.4.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat in het algemeen het uitgangspunt geldt dat een op schrift gestelde overeenkomst tot stand komt door ondertekening daarvan door alle partijen. Er kunnen zich echter bijzondere omstandigheden voordoen die leiden tot de conclusie dat, hoewel maar één van de bij de overeenkomst betrokken partijen de overeenkomst heeft getekend, de overeenkomst toch tot stand is gekomen.
Conclusie
18. Het beroep tegen de connexe besluiten 1, 2, 4 en 5 is niet-ontvankelijk.
19. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
20. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 28 september 2018, 1 oktober 2018, 3 oktober 2019 en 12 september 2019 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 10 januari 2019.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzitter, en mr. M. Greebe en mr. J.A.C.M. Nielen, leden,in aanwezigheid van mr. L.N. Linzey, griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Onder meer de uitspraak van 21 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2131.
CAO Nederlandse Universiteiten 1 juli 2017 tot en met 31 december 2019.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2151.