ECLI:NL:RBAMS:2021:6511
r.c.nummer : 20/198
parketnummer : 13/845156-17
De rechter-commissaris heeft van de raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof op 5 november 2021 een verzoek ontvangen in de zaak van
Naam: [achternaam van verdachte]
Voornamen : [voornamen van verdachte]
Geboren op : [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats]
Woonplaats : [woonplaats]
Adres : [adres 1]
Het verzoek strekt tot het horen van de volgende getuigen:
mevrouw [persoon 1] (A-01);
mevrouw [persoon 2] (A-06);
mevrouw [persoon 3] (A-14);
mevrouw [persoon 4] (A-15);
mevrouw [persoon 5] (A-17);
mevrouw [persoon 6] (A-26);
mevrouw [persoon 7] (A-31);
mevrouw [persoon 8] , wonende aan de [adres 2] ;
mevrouw [persoon 9] , wonende aan de [adres 3] ;
de heer [persoon 10] , bewindvoerder bij [naam] Bewindvoering, gevestigd te ( [postcode] ) [plaatsnaam]
De rechter-commissaris wijst het verzoek af.
Amsterdam, 10 november 2021
mr. E. Diepraam
rechter-commissaris
De verdediging heeft het recht om getuigen te doen horen die in het belang van de verdediging worden geacht. Dat recht is echter niet onbeperkt en mag worden begrensd in het belang van een goede procesorde (“proper administration of justice”, EHRM 14 februari 2008, 66802-01, Dorokhov).
Als uitgangspunt geldt dat van de verdediging mag worden verwacht dat een verzoek tot het horen van getuigen voldoende wordt gemotiveerd, en dat duidelijk wordt toegelicht waarom het horen van die getuige van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv (ECLI:NL:HR: 2014:1496). De eisen die aan die motivering mogen worden gesteld verschillen echter per type getuige.
1. Belastende getuigen
Uit het door de raadsvrouw aangehaalde Keskin arrest (EHRM 19 januari 2021, 2205/16) en het daaropvolgende post-Keskin arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:576) volgt dat in bepaalde gevallen het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In dat geval kan de verdachte ook niet worden tegengeworpen dat hij zich beroept op zijn zwijgrecht. Het moet dan gaan om:
een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen;
terwijl deze getuige al een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking;
en die verklaring door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt.
Desalniettemin mag een verzoek tot het horen van een belastende getuige worden afgewezen als:
onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord;
er een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige in gevaar wordt gebracht;
de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang of toegevoegde waarde zal zijn.
Voor een juiste beoordeling van het verzoek kan het - ook bij belastende verklaringen - nodig zijn dat de verdediging toelicht
welke onderdelen worden betwist en;
waarover de getuige moet worden ondervraagd.
Die toelichting kan in het bijzonder van betekenis zijn als de genoemde afwijzingsgronden aan de orde kunnen zijn of als het verzoek betrekking heeft op een groot aantal getuigen en de rechter (of rechter-commissaris) voor de beslissing staat of al deze getuigen moeten worden gehoord of dat wordt volstaan met een aantal van hen.
2. Ontlastende getuigen
Voor mogelijk ontlastende getuigen geldt - ook na het Keskin arrest - onverminderd dat de verdediging moet zal moeten motiveren waarom de ondervraging relevant is voor de beoordeling van het ten laste gelegde feit. (EHRM 9 mei 2017, 36658/05, Murtazaliyeva)
3. Rechtmatigheidsgetuigen
Ook als het gaat om getuigen die moeten worden gehoord over mogelijke vormverzuimen, zal de verdediging het verzoek voldoende moeten motiveren. (ECLI:NL:HR:2014:1496 r.o. 2.7)
In die motivering zal in elk geval moeten worden uiteengezet
welke onrechtmatigheid aan de orde zou zijn;
tot welk rechtgevolg die onrechtmatigheid op de voet van artikel 359a Sv zou leiden;
en wat de verzochte getuige daarover kan verklaren.
Tijdigheid
Het Keskin arrest doet niet af aan de eis dat de verdediging een voldoende stellig, duidelijk maar ook tijdig verzoek moet doen. Bij de beoordeling of, ondanks het niet horen van een verzochte getuige, sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM moet ook eventuele inactiviteit van de zijde van de verdediging worden betrokken. (alweer: ECLI:NL:HR:2021:576).
Ten aanzien van de getuigen 8-10 in het bijzonder
Deze getuigen zijn in dit onderzoek niet gehoord, laat staan dat zij een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd, die voor het bewijs van enig gewicht kan zijn.
Van de verdediging mag dus een toereikende onderbouwing worden verlangd van het verdedigingsbelang. Die ontbreekt hier. Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raadsvrouw namelijk niet meer niet meer dan dat “zij ten aanzien van de verdenking jegens cliënte contra-indicaties aan het licht kunnen brengen”. Wat die contra-indicaties zijn, wat de getuigen erover kunnen verklaren en wat het belang daarvan is voor de beslissingen van de rechtbank wordt in het midden gelaten.
Het verzoek tot het horen van deze getuigen moet alleen al worden afgewezen omdat het onvoldoende is gemotiveerd.
Ten aanzien van alle getuigen (1-10)
De rechter-commissaris heeft als taak te waken voor nodeloze vertraging van het onderzoek (artikel 180 lid 1 Sv). In omvangrijke fraudezaken in het bijzonder is dat altijd een punt van zorg. Om te zorgen dat de regiefase voortvarend verloopt, is sinds een aantal jaar met het Functioneel Parket de afspraak gemaakt dat tegelijk met het einddossier en de concept-tenlastelegging aan de verdediging een regiebrief wordt gestuurd. In die regiebrief wordt namens de rechter-commissaris een termijn voor het indienen van onderzoekswensen gegund. Doel van deze werkwijze is dat duidelijk wordt gemarkeerd wanneer het vooronderzoek start en wanneer het is afgerond, en de zaak dus kan worden geappointeerd. Mocht de standaard termijn van vier weken overigens te krap zijn, dan kan altijd gemotiveerd worden verzocht om verlenging van die termijn.
Zo is het ook in dit onderzoek Bonsai gegaan. Na afronding van het dossier is op 4 februari 2020 een regiebrief naar de verdediging van alle betrokken verdachten gestuurd. Daarnaast heeft de griffier op 5 februari 2020 nog de volgende e-mail naar de raadsvrouw gezonden.
Geachte raadsvrouw,
In bovenstaande zaak is op 4 februari jl. door het Functioneel Parket aan u het proces-verbaal en een concept-tenlastelegging toegezonden met de mededeling dat u uw eventuele onderzoekswensen binnen vier weken kunt indienen bij het regiebureau van het kabinet rechter-commissaris Amsterdam.
De zaak zal worden behandeld door rechter-commissaris mr. E. Diepraam. Namens hem ontvang ik uw onderzoekswensen graag uiterlijk 5 maart a.s. U kunt ze rechtstreeks naar mij mailen.
Indien u geen onderzoekswensen heeft verneem ik dat ook graag.
Op 6 maart 2020 is daarop de volgende reactie van de raadsvrouw ontvangen.
Helaas is het mij nog niet gelukt nadere onderzoekswensen te formuleren in de zaak van mevrouw [achternaam van verdachte] .
Ik wil u verzoeken mij nog een termijn van twee weken te gunnen om de onderzoekswensen in te dienen.
Voor uw medewerking ben ik u zeer erkentelijk.
Ook na die verlengde termijn zijn er geen onderzoekswensen meer ontvangen van de raadsvrouw. Van de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn wel verzoeken ontvangen, en daar is op beslist.