Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-09-22
ECLI:NL:RBAMS:2021:6400
Strafrecht
Rekestprocedure
1,756 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
RK: 21/2291
Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[Klager] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,
mr. W.P.A. Vos,
[adres]
klager, niet zijnde beslagene.
1Procesgang
Het klaagschrift is op 28 april 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 8 september 2021 de gemachtigde raadsvrouw, mr. Vos, en de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het klaagschrift
In het klaagschrift is opgenomen dat klager eigenaar is van een brommer met zo begrijpt de rechtbank het kenteken [kenteken] (goednummer: [nummer] ). Toen de vriend van klager op zijn brommer reed, is hij aangehouden wegens openstaande boetes en is de brommer van klager in beslag genomen. Op 29 mei 2019 is de bestuurder van de brommer veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs en is de brommer van klager verbeurdverklaard.
Op 19 november 2019 is vervolgens namens klager een artikel 552a Sv-klaagschrift ingediend tegen de inbeslagneming. Het klaagschrift is op 29 september 2020 ongegrond verklaard, omdat de kantonrechter al beslist had over de verbeurdverklaring en uit informatie bleek dat die uitspraak niet onherroepelijk was. Nu het artikel 552a Sv-klaagschrift al op 19 november 2019 is ingediend, is klager ontvankelijk in zijn beklag ex artikel 552b Sv, te meer omdat er onduidelijkheid bestond over de onherroepelijkheid van de uitspraak van de kantonrechter.
Kort samengevat komt het erop neer dat de vriend van klager, beslagene [beslagene] , op de brommer van klager reed toen de brommer in beslag werd genomen, en niet klager zelf. Het had dan op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om naspeuring te doen naar de eigenaar van de brommer. Nu de brommer geen eigendom was van [beslagene] had er ook geen verbeurdverklaring uitgesproken mogen worden. Gelet op het voorgaande heeft klager verzocht om de verbeurdverklaring te herroepen en een financiële vergoeding uit te keren van de waarde van de brommer, omdat teruggave van de brommer niet kan worden verzocht vanwege de vernietiging.
3Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager
niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beklag, omdat het klaagschrift niet is ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing tot verbeurdverklaring uitvoerbaar is geworden. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
Beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 30 december 2018 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemde brommer in beslag genomen onder [beslagene] . Tegen hem werd proces-verbaal opgemaakt wegens het besturen van een motorrijtuig zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs (artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994).
Op 29 mei 2019 heeft de kantonrechter [beslagene] veroordeeld terzake van het rijden zonder rijbewijs en heeft naast een strafoplegging de verbeurdverklaring van de brommer bevolen.
Op 19 november 2019 heeft de raadsvrouw van klager een artikel 552a Sv-klaagschrift ingediend. Op dit klaagschrift is op 29 september 2020 het volgende beslist:
“Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt het volgende. Op 29 mei 2019 heeft de kantonrechter [beslagene] veroordeeld terzake van het rijden zonder rijbewijs en de verbeurdverklaring van de snorfiets bevolen. Dit vonnis is nog niet onherroepelijk.
Nu er al een (niet-onherroepelijke) beslissing van een rechter ligt over de verbeurdverklaring van de snorfiets, dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Klager heeft de mogelijkheid om op basis van artikel 552b Sv zich te beklagen over de onherroepelijke verbeurdverklaring van hem toekomende voorwerpen.”
De rechtbank heeft destijds op basis van de in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer aangenomen dat het vonnis van de kantonrechter nog niet onherroepelijk was. Uit het verhandelde in raadkamer op 8 september 2021 is echter – naar aanleiding van wat door de officier van justitie naar voren is gebracht –gebleken dat het vonnis van de kantonrechter op 23 april 2020 onherroepelijk is geworden.
Ontvankelijkheid
Op basis van artikel 552b Wetboek van Strafvordering kan een belanghebbende, daaronder niet begrepen de verdachte of veroordeelde, zich beklagen over (onder meer) de onherroepelijke verbeurdverklaring van hem toekomende voorwerpen. De rechtbank stelt op basis van de in het dossier bevindende stukken vast dat klager eigenaar van de brommer en belanghebbende is.
Op 28 april 2021 heeft klager een artikel 552b Sv-klaagschrift ingediend. Dit betekent dat het klaagschrift niet binnen de bij de wet bepaalde drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, is ingediend. De rechtbank constateert dat die drie maanden ruim zijn verstreken. Klager moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag. De rechtbank merkt daarbij op dat de termijn van drie maanden vereist dat belanghebbenden zich tijdig en voortdurend over het verloop van de zaak informeren (vgl. HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2844, NJ 2013/17). Eventueel kon (alvast) wederom een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv worden ingediend dat na het uitvoerbaar worden van de beslissing heeft te gelden als klaagschrift in de zin van artikel 552b Sv (HR 23 november 1993, NJ 1994/263). Het klaagschrift in de onderhavige procedure is pas 7 maanden na de uitspraak op het vorige klaagschrift ingediend.
Dictum
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beslissing is gegeven door
mr. H.E. Hoogendijk, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2021.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,
binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.