Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-09-29
ECLI:NL:RBAMS:2021:5781
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,881 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751756-21
RK nummer: 21/3870
Datum tussenuitspraak: 29 september 2021
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2018 door het hof van beroep Antwerpen (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 september 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het hof van beroep Antwerpen, gedateerd 21 december 2017 (referentie: 2013/PGA/1851, griffienummer: C/1504/17).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaren. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2500 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4Strafbaarheid
Feiten
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit die feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het dossier volgt dat op de feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW kan de rechtbank de overlevering van een Nederlander onder de nader in die bepaling omschreven voorwaarden weigeren, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de weigeringsgrond van artikel 6a OLW toe te passen, mits de opgelegde vrijheidsstraf bij overname door Nederland ten uitvoer wordt gelegd aan de hand van het (gunstigere) Belgische voorwaardelijke invrijheidstellingsregime. België kent ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidsstelling een regeling op grond waarvan de veroordeelde in beginsel na het uitzitten van één derde van zijn vrijheidsstraf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Nederland kent een dergelijke regeling niet. Indien de rechtbank niet kan bevelen dat de vrijheidsstraf bij overname door Nederland ten uitvoer zal worden gelegd met inachtneming van het Belgische voorwaardelijke invrijheidstellingsregime, verzoekt de raadsman de weigeringsgrond van artikel 6a OLW niet toe te passen.
De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van de vraag of toepassing moet worden gegeven aan de weigeringsgrond van artikel 6a OLW rekening kan houden met de belangen van de opgeëiste persoon. De rechtbank stelt echter vast dat zij niet de bevoegdheid heeft om te bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip zal plaatsvinden, indien de opgeëiste persoon op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Deze bevoegdheid is namelijk expliciet in artikel 6:2:10, vierde lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering neergelegd bij de Minister van Justitie en Veiligheid.
De Minister van Justitie en Veiligheid mag – zo blijkt ook uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:2240) – niet zonder meer weigeren om van deze bevoegdheid gebruik te maken, indien het zeker of hoogstwaarschijnlijk is dat de daartoe bevoegde rechter in het buitenland op basis van de op dat moment voorhanden zijnde informatie tot voorwaardelijke invrijheidsstelling zou besluiten. De rechtbank kan echter niet garanderen dat, noch op grond van de informatie in het dossier een inschatting maken of de Minister van Justitie en Veiligheid in het geval van de opgeëiste persoon van deze bevoegdheid gebruik zal maken.
Met het oog op bovenstaande, vindt de rechtbank het van belang dat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld om een nader standpunt in te nemen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW. De officier van justitie kan vervolgens desgewenst nog op dat nadere standpunt reageren. De raadsman wordt verzocht zo snel mogelijk, maar uiterlijk maandag 4 oktober 2021 zijn standpunt aan de rechtbank en de officier van justitie kenbaar te maken.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd tot 7 oktober 2021 te 12:15 uur, teneinde de verdediging en vervolgens de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een nader standpunt in te nemen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
.
Aldus gedaan door
mr. O. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. K. Spanjaart en M.A. Dijk, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 september 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.