Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-09-29
ECLI:NL:RBAMS:2021:5702
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Bodemzaak
2,760 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/6643
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Bennekom).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: mr E.M. van Bommel).
Procesverloop
Met het besluit van 2 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning toegekend.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op een zitting van 18 augustus 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is [vergunninghouder] verschenen. Ook de gemachtigde van derde-partij is verschenen.
Overwegingen
1. Op 6 december 2019 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het bouwen van een winkel en kantoor op een terrein dat na het slopen van het gebouw [naam gebouw] vrij zal komen. De aanvraag betrof de activiteiten bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Museumkwartier en Valeriusbuurt’.
2. Op 6 mei 2020 heeft verweerder een ontwerp-omgevingsvergunning gepubliceerd, waarin de vergunning verleend wordt. Eiseres woont achter de planlocatie en heeft tegen het ontwerpbesluit een zienswijze ingediend. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om buitenplans af te wijken.
3. Eiseres is vervolgens bij de rechtbank in beroep gegaan, omdat zij vindt dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.
Toetsingskader rechtbank
4. Verweerder komt beleidsruimte toe bij de beslissing om toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank toetst of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Geen bezwaarprocedure
5. Eiseres betoogt dat verweerder omwonenden de mogelijkheid om bezwaar te maken heeft ontnomen. De procedure is hierdoor verkort en dit is volgens haar niet democratisch.
6. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning is voorbereid met de uniforme openbare procedure. Als deze procedure wordt gevolgd, is er geen bezwaarfase. Wel moet belanghebbenden de mogelijkheid worden geboden om een zienswijze in te dienen. Dat heeft verweerder gedaan en daar heeft eiseres ook gebruik van gemaakt. De voorbereiding heeft dus op de door de wet voorgeschreven wijze plaatsgevonden en is niet verkort.
Welstand
7. Eiseres wijst erop dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) geen voorstander is van het project. Hierin had verweerder een reden moeten zien om de aanvraag om omgevingsvergunning af te wijzen.
8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. Verweerder heeft toegelicht dat de CRK op 19 februari 2020 nog geen advies kon uitbrengen, omdat zij over onvoldoende gegevens beschikte. Op 1 april 2020 heeft de CRK echter positief geadviseerd en bestond op dit punt dus geen belemmering om de omgevingsvergunning te verlenen.
Verklaring van geen bedenkingen en milieueffectrapportage
9. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat een verklaring van geen bedenkingen niet nodig is met de reden dat de aanvraag geen betrekking heeft op een activiteit waarvoor een milieueffectrapportage voor moet worden opgesteld. Eiseres vindt dat voor zowel de onderhavige aanvraag, als voor de sloop een milieueffectrapportage opgesteld had moeten worden. Als gevolg van de realisering van de aanvraag zullen er namelijk negatieve milieueffecten zijn, omdat onverantwoord grote hoeveelheden (fijn)stof in de lucht komen. Het vrijkomen van fijnstof heeft schadelijke gevolgen voor eiseres, omdat zij een longpatiënt is. Eiseres verwijst in dit verband ook naar onderzoeken van het Longfonds over de gevolgen van fijnstof en een uitspraak van de Londense rechtbank van december 2020 waarin geoordeeld werd dat een jonge inwoonster was overleden als gevolg van blootstelling aan grote hoeveelheden fijnstof. Eiseres merkt bovendien op dat de werktijd aan bouwprojecten gemiddeld met 50% wordt overschreden en ze dus ook langere tijd aan de gezondheidsschade blootgesteld zal worden. Eiseres heeft tot slot video’s overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat vergunninghouder tijdens de sloop geen vernevelaars en netten gebruikt om de negatieve gevolgen van het vrijkomen van fijnstof te beperken. Verweerder heeft hier ondanks haar verzoek niet op gehandhaafd.
10. De rechtbank oordeelt dat geen milieueffectrapportage is vereist, omdat onderhavig project geen project is waarbij het maken van een milieueffectrapportage verplicht is op grond van het Besluit milieueffectrapportage.
11. De rechtbank overweegt verder dat in beginsel bij buitenplans afwijken een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist, tenzij het project in een categorie valt die verweerder heeft aangewezen als categorie waarin geen verklaring van bedenkingen is vereist. In een besluit van 8 september 2010 heeft de gemeenteraad die categorieën aangewezen. Hierin staat dat geen verklaring van bedenkingen is vereist bij aanvragen die niet in strijd zijn met de structuurvisie Amsterdam, aanvragen die niet in strijd zijn met de kantorenstrategie van Amsterdam dan wel het locatiebeleid en aanvragen die geen betrekking hebben op een activiteit waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Niet gesteld en gebleken is dat de onderhavige aanvraag in strijd is met de structuurvisie en de kantorenstrategie en de rechtbank heeft al geoordeeld dat ook geen milieueffectrapportage verplicht is. De rechtbank concludeert daarom dat een verklaring van bedenking niet benodigd was.
12. De rechtbank overweegt ten slotte dat de sloop in deze procedure niet voorligt, zodat de rechtbank daarover geen oordeel kan geven. Vergunninghouder en verweerder hebben desalniettemin toegelicht dat de sloop volgens de regels van het Bouwbesluit moet plaatsvinden. Op grond hiervan moet onder andere een Veiligheidsplan ingediend worden. Aan deze voorwaarde is voldaan. Eiseres heeft echter video’s gemaakt, waarop geen vernevelaars en netten te zien zijn, zodat de sloop niet volgens het Veiligheidsplan lijkt te verlopen. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegezegd de sloop bij toezicht en handhaving onder de aandacht te zullen brengen. Ter voorlichting van eiseres is daarbij gewezen op de mogelijkheid om een handhavingsverzoek doen. Als verweerder weigert te handhaven of te beslissen op het handhavingsverzoek, kan eiseres dit voorleggen aan de rechtbank.
Risico’s bij het realiseren van de omgevingsvergunning
13. Eiseres betoogt dat door de aanzienlijke veranderingen voor het grondwater als gevolg van realisering van de aanvraag een groot risico op waterschade ontstaat. Zij eist dat vastgelegd wordt dat vergunninghouder aansprakelijk is bij schade.
14. Verweerder heeft toegelicht dat een geohydrologische analyse naar het grondwater is uitgevoerd. Deze stukken zijn positief beoordeeld door Waternet. Op basis hiervan oordeelt de rechtbank dat aangenomen kan worden dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan het realiseren van de omgevingsvergunning, zodat geen aanleiding bestaat om de omgevingsvergunning te weigeren. Mocht er toch schade ontstaan, dan staat voor eiseres de weg naar de burgerlijke rechter open.
15. Eiseres vindt verder dat er ook onvoldoende waarborgen zijn dat de monumentale bomen die op de planlocatie staan behouden worden. In het bestreden besluit staat dat deze bomen behouden moeten worden en dat vergunninghouder voorzichtig moet zijn, maar als het kwaad eenmaal is geschied, is het niet meer terug te draaien.
16. De rechtbank overweegt dat een bomenadviesbureau heeft vastgesteld dat het project de bomen niet zal aantasten. Eiseres heeft geen rapport ingediend waaruit het tegendeel blijkt. Er zijn daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bomen zullen worden aangetast. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
Belangen omwonenden
17. Eiseres voert aan dat het verlenen van de omgevingsvergunning inbreuk maakt op de privacy van de directe buren achter het pand, met name van de buren die op [adressen] wonen. Vanuit het pand is zicht op hun huizen, balkons en tuin. Omdat het nieuwe pand dieper zal zijn dan het vorige pand, wordt het uitzicht van de omwonenden ook minder.
Conclusie
20. De omgevingsvergunning is op goede gronden verleend.
21. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
Zie artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Zie artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Zie artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1637.
Zie artikel 3.10 van de Wabo en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Artikel 3:15 van de Awb.
Zie artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht.
Zie artikel 8:69a van de Awb. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de rechtbank een besluit alleen vernietigt als een regel is geschonden die daadwerkelijk strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich erop beroept.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2631.