Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-07-14
ECLI:NL:RBAMS:2021:3629
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
4,310 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 21/2994 (voorlopige voorziening) en AMS 21/2995 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker]
, te Amsterdam, verzoeker
wettelijk vertegenwoordiger: [naam 1] (bewindvoerder)
(gemachtigde: mr. I. Heijselaar),
en
Zorgkantoor Zorg en Zekerheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. de Vos).
Procesverloop
Met het besluit van 26 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag voor Extra Kosten Thuis (EKT) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft verzoeker op de zitting van 1 april 2021 ingetrokken.
Met het besluit van 22 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld via een beeldverbinding (Skype) op de zitting van 30 juni 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam 4]
Met de brief van 29 juni 2021 heeft het kantoor van de bewindvoerder de rechtbank laten weten in te stemmen met de door verzoeker gevoerde procedure bij de rechtbank. De griffier heeft op 29 juni 2021 telefonisch contact gehad met het kantoor van verzoekers bewindvoerder. Het kantoor heeft laten weten dat de bewindvoerder afwezig is.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
1.1
Op 27 januari 2020 heeft verzoeker een aanvraag voor zorg op grond van
de Wet langdurige zorg (Wlz) ingediend. Met het besluit van 31 januari 2020 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzoeker de indicatie toegekend ‘LG wonen met begeleiding en verzorging’ die inhoudt dat aan verzoeker 24-uurszorg voor onbepaalde tijd is toegekend.
1.2
Uit het indicatiebesluit blijkt dat verzoeker sinds 1998 een dwarslaesie heeft waardoor hij rolstoel gebonden is. Uit deze handicap vloeien veel zorgproblemen voort die zowel psychisch, lichamelijk als sociaal van aard zijn. Door de psychiatrische problemen is het moeilijk voor verzoeker om overzicht te hebben en om zijn eigen zorgbehoefte adequaat in te schatten en op tijd aan de bel te trekken als hij hulp nodig heeft. Sociaal gezien heeft verzoeker verliezen geleden die zowel emotioneel als praktisch een grote impact hebben gehad. Vanwege lichamelijke en psychische overbelasting is verzoeker in december 2019 tot en met januari 2020 opgenomen geweest in een revalidatiecentrum om weer op krachten te komen.
1.3
De kantonrechter te Amsterdam heeft verzoeker op 19 februari 2019 onder bewind gesteld met benoeming van [naam 2] als bewindvoerder. Op 16 april 2020 heeft de kantonrechter [naam 2] ontslagen als bewindvoerder en is [bewindvoerder 1] te Zaandam benoemd als bewindvoerder. Eerst in de persoon van de heer
[naam 3] en na diens pensioen, begin 2021, in de persoon van de heer [naam 1] .
1.4
Op 4 juni 2020 heeft verweerder verzoeker een pgbtoegekend over de periode 26 februari 2020 tot en met 31 december 2020 ter hoogte van € 47.441,86. Met een besluit van 3 december 2020 heeft verweerder verzoeker voor de periode januari 2021 tot en met december 2021 een pgb toegekend ter hoogte van € 58.157,-.
1.5
Op 9 mei 2020 heeft de moeder van verzoeker, [gewaarborgde hulp] met toestemming van de bewindvoerder, een verklaring ondertekend waarin staat dat zij als gewaarborgde hulp wordt aangemerkt. Dit houdt in dat zij namens verzoeker instaat voor het nakomen van verzoekers pgb-verlichtingen.
Het bestreden besluit
2.1
Op 18 december 2020 hebben verzoeker en zijn gewaarborgde hulp een aanvraag ingediend bij verweerder voor EKT met terugwerkende kracht tot 1 april 2020 omdat verzoeker na zijn verblijf in het revalidatiecentrum in januari 2020 meer zorg en behandeling nodig had om volledig te kunnen herstellen. Het toegekende pgb-budget over 2020 was voor de betaling van deze extra kosten niet toereikend. Verzoeker wenst met terugwerkende kracht in aanmerking te komen voor meer pgb-budget.
2.2
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen en de afwijzing gehandhaafd met het bestreden besluit. Een aanvraag voor EKT wordt volgens de Regeling langdurige zorg en het beleid van verweerder niet met terugwerkende kracht verleend. Al voor de datum van het pgb-besluit van 4 juni 2021 was bekend dat deze extra kosten door verzoeker gemaakt waren. Niet valt in te zien waarom (namens) verzoeker niet eerder een verzoek om EKT is ingediend. Ook had verzoeker nog bezwaar kunnen maken tegen het pgb-besluit van 4 juni 2020 of had hij het CIZ kunnen vragen om een herindicatie. Dat is allemaal niet gebeurd. Volgens verweerder hebben zowel de bewindvoerder als de gewaarborgde hulp zich niet van hun taken gekweten.
2.3
Verzoeker is het niet eens met het afwijzen van de EKT. Volgens verzoeker heeft hij wel eerder aan de bel getrokken en heeft hij meerdere malen contact gehad met verweerder en daarbij gemeld dat het verleende pgb-budget voor 2020 niet volstaat vanwege de extra zorg die hij nodig had en heeft gekregen in 2020. Verzoeker kreeg in 2020 zorg van [zorginstelling] . Verzoeker is met deze hulp heel tevreden en hij wil graag dat deze hulp door [zorginstelling] wordt voortgezet. Vanwege de betalingsachterstand is het verlenen van zorg via deze instantie echter niet meer mogelijk. Volgens verzoeker heeft hij nu een schuld van € 7.500 die hij niet kan betalen. Verzoeker is ook bang voor de gevolgen die deze schuld heeft voor zijn schuldenproblematiek en toelating tot de schuldsanering.
Wet- en regelgeving
3.1
Op grond van artikel 5.18 van de Regeling wet langdurige zorg (Rlz) worden – voor zover hier van belang – bij de verlening van het persoonsgebonden budget de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
c. de verzekerde past een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving onverwijld aan indien van enige verandering in de daarin opgenomen feiten sprake is;
g. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.
3.2
De Wlz heeft enkele (beleids)regelingen voor mensen met 24-uurszorg die meer zorg nodig hebben dan zij met het budget kunnen inkopen. Dat staat in de regeling Mogelijkheden voor extra budget in 2020, voor mensen met een pgb vanuit de Wet langdurige zorg voor gehandicaptenzorg of verpleging/verzorging. Aan het verlenen van extra budget voor EKT zijn voorwaarden verbonden waaronder de voorwaarde dat de extra kosten maximaal 25% van het budget mogen bedragen. Verder hanteert verweerder blijkens de toelichting ter zitting bij de toepassing van artikel 5.18, aanhef en onder g, van de Rlz de regel dat een aanvraag voor EKT met terugwerkende kracht kan worden toegekend, als die aanvraag binnen tien weken na het opkomen van die kosten wordt ingediend.
De voorzieningenrechter besluit ook op het beroep
4. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Oordeel voorzieningenrechter
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker onvoldoende in staat is tot het voeren van de regie over zijn zorg. Ook is niet in geschil dat verzoeker na zijn revalidatie extra zorg nodig had en dat hij deze zorg heeft gekregen. De declaraties voor de verleende extra zorg zijn door verweerder nog niet beoordeeld omdat deze volgens verweerder niet met terugwerkende kracht kunnen worden ingediend.
5.2
Uit het dossier blijkt dat zowel verzoeker zelf, zijn bewindvoerder, de gewaarborgde hulp (moeder) en zijn vader zich in 2020 met (de uitvoering van) het pgb van verzoeker in 2020 bemoeiden. Met name verzoeker heeft hierover met verweerder veelvuldig gemaild en/of getelefoneerd. Uit het dossier komt dan ook het beeld naar voren dat de regie over de pgb-zorg aan verzoeker zelf werd overgelaten in plaats van dat degenen die daarvoor zijn aangesteld die regie namen. Naar het zich laat aanzien heeft verweerder om die reden op 31 juli 2020 met de bewindvoerder afgesproken dat alleen nog met de bewindvoerder wordt gesproken over het pgb en zorgovereenkomsten.
5.3
De voorzieningenrechter constateert dat de bewindvoerder zich in 2020 niet goed van zijn taak heeft gekweten. Het beheren van een pgb behoort tot de taak van de bewindvoerder. De bewindvoerder is verantwoordelijk voor de kosten, het sluiten van de contracten en het betaalbaar stellen van de declaraties. De bewindvoerder dient ook te voorkomen dat nieuwe schulden ontstaan.
Conclusie
7.1
Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af.
7.2
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan verzoeker te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is aan partijen bekend gemaakt op 14 juli 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
H.o.d.n. [bewindvoerder 2] te Uithoorn.
Persoons gebondenbudget.
Op grond van artikel 1.1 van de Regeling langdurige zorg wordt onder gewaarborgde hulp verstaan: de door de verzekerde ingeschakelde hulp van een derde die in staat voor de nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen.
Zie telefoonnotitie van 31 juli 2020, productie 21 van het door verweerder overgelegde dossier.
ECLI:NL:CRVB:2017:1123.
Zie onder meer de uitspraak van 26 oktober 2016 met ECLI:N:RVS:2016:2840.
Telefoonnotities van 9 juni 2020 en van 20-31 juli 2020, productie 21 van het door verweerder overgelegde dossier.
Overwegingen
Het stond de bewindvoerder van verzoeker daarom niet vrij om het beheer van het pgb over te laten aan verzoeker en/of zijn gewaarborgde hulp. In de verklaring gewaarborgde hulp van 9 mei 2020 die de moeder van verzoeker heeft ondertekend, staat dat zij namens verzoeker instaat voor het nakomen van de pgb-verplichtingen. Deze verplichtingen hebben betrekking op de keuze van zorgverleners, het instaan voor de kwaliteit van de zorg en het voeren van een correcte pgb-administratie. De moeder van verzoeker heeft daarbij als toelichting vermeld dat haar taken zien op de controle van de geleverde zorg en op de controle van de rekeningen met hulp van het administratiekantoor en de bewindvoerder. Hieruit blijkt niet dat zij het beheer van het pgb geheel voor haar rekening neemt. Dit is met hulp van de bewindvoerder. Bovendien heeft verweerder op 31 juli 2020 met de bewindvoerder afgesproken dat hij het enige aanspreekpunt is voor het beheer van verzoekers pgb.
Hoe nu verder?
6.1
Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
6.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient verweerder alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
6.3
In het geval van verzoeker merkt de voorzieningenrechter als bijzondere omstandigheid aan dat verzoeker extra pgb-budget voor zorg nodig had, dat die zorg ook is verleend maar dat deze extra kosten door nalaten van zijn bewindvoerder niet tijdig zijn gedeclareerd. Uit de overgelegde telefoonnotities blijkt dat verzoeker in ieder geval op
9 juni 2020 bij verweerder om meer budget heeft gevraagd maar dat verweerder verzoeker heeft geadviseerd om contact op te nemen met zijn bewindvoerder om hieraan uitvoering te geven. Ook heeft verzoeker op 20 juli 2020 een e-mail met zorgovereenkomsten gestuurd aan verweerder, maar verweerder heeft geantwoord dat die zonder handtekening van de bewindvoerder niet kunnen worden beoordeeld. Uit deze telefoonnotities blijkt verder dat er het nodige mis ging met het indienen en ondertekenen van zorgovereenkomsten en dat de bewindvoerder onvoldoende regie had. Zo staat in een van de telefoonnotities dat het een chaos is. Verder staat vast dat de bewindvoerder niet tijdig een aanvraag EKT heeft ingediend. Gevolg hiervan is dat verzoeker nu geen zorg van de door hem gewenste zorgverleners kan krijgen en dat de opgebouwde schuld van € 7.500 mogelijk gevolgen heeft voor de schuldhulpverlening.
6.4
De voorzieningenrechter vindt in dit geval de gevolgen voor verzoeker onevenredig in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Daarbij vindt de voorzieningenrechter zwaar wegen dat verzoeker blijkens het dossier al in juni 2020 bij verweerder aandacht heeft gevraagd voor zijn extra kosten, maar dat verweerder daar alleen met de bewindvoerder over wilde overleggen. Deze bewindvoerder heeft echter nagelaten de aanvraag voor EKT tijdig in te dienen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het bedrag van € 7500 dat verzoeker aan extra kosten heeft gehad, ruim binnen de norm van 25% van het pgb blijft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder in dit specifieke geval moeten afwijken van de door hem gehanteerde regel dat binnen tien weken na het bekend worden van extra kosten een aanvraag om EKT ingediend had moeten worden. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van verzoeker om EKT niet zonder inhoudelijke beoordeling heeft kunnen afwijzen.