Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-03-25
ECLI:NL:RBAMS:2021:3060
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,798 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/5299
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,
en
de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder
(gemachtigde: mr. M.E. Veenboer).
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om te worden aangewezen als [functie 1] afgewezen.
Eiseres’ bezwaar daartegen is ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en vastgehouden aan zijn besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich via een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ontstaan van het geschil
1.1.
[eiseres] is sinds 2008 werkzaam als [functie 2]. In 2013 heeft zij de door verweerder erkende opleiding tot [functie 2] gevolgd en het certificaat ‘Opleiding [functie 1] voor advocaten’ behaald. Vanaf in ieder geval 2015 heeft [eiseres] [bijeenkomsten] begeleid van advocaten en in 2017 is zij als [functie 2] erkend door de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS). [eiseres] heeft ter zitting aangegeven voor ongeveer 50% van haar inkomsten afhankelijk te zijn van haar werkzaamheden als [functie 2] voor advocaten. 1.2. Op 9 maart 2020 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden aangewezen als [functie 1] ([aanvulling]) op grond van artikel 26 van de Advocatenwet. Bij e-mail van 24 april 2020 heeft eiseres de door verweerder gevraagde aanvullende stukken verzonden.
2. Verweerder heeft het verzoek om aanwijzing als [functie 1] afgewezen, omdat eiseres niet academisch geschoold is, als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling op de advocatuur (Roda). Zij heeft namelijk geen afgeronde academische opleiding.
3. [eiseres] vindt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Zij heeft jarenlang voldaan aan de vereisten. Daarom zou volgens [eiseres] voor haar een uitzondering op de regelgeving gemaakt moeten worden. Daarnaast had verweerder volgens [eiseres] een overgangstermijn moeten stellen zodat zij alsnog zou kunnen voldoen aan de eis van het beschikken over een academische graad. Ook voert [eiseres] aan dat in het bestreden besluit haar belangen en de belangen van haar klanten niet redelijk zijn afgewogen. Daarnaast meent zij dat het bestreden besluit mogelijk in strijd is met de mededingingswet, omdat wordt gesteld dat de begeleider een advocaat moet zijn en dat de [functie 1] een begeleider is.
4. Verweerder heeft ook ter zitting vastgehouden aan het genomen besluit.
Overwegingen
5.1.
Aan de besluitvorming van verweerder ligt het volgende wettelijk kader ten grondslag.
5.2.
In artikel 26, eerste lid van de Advocatenwet is bepaald dat de algemene raad verantwoordelijk is voor het uitvoeren van kwaliteitstoetsen. Deze toetsen worden verricht door deskundigen die zijn aangewezen door de algemene raad. In het vijfde lid van dit artikel is opgenomen dat bij of krachtens verordening als bedoeld in artikel 28, eerste lid, nadere regels worden gesteld betreffende het verrichten van de kwaliteitstoetsen.
5.3.
Blijkens artikel 4.3a, eerste lid en onder a, van de Verordening op de advocatuur (Voda) is een advocaat verplicht ieder kalenderjaar deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door intervisie onder begeleiding van een [functie 1] die als deskundige is aangewezen, zoals bedoeld in artikel 26 van de Advocatenwet. Het tweede lid, onder b, van artikel artikel 4.3a Voda bepaalt dat de algemene raad nadere regels stelt over de vereisten aan onder meer de aanwijzing van [functie 1].
5.4.
In artikel 13c, eerste lid en onder a, van de Regeling op de advocatuur (Roda) is bepaald dat een [functie 1] wordt aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet indien deze onder meer academisch geschoold is. In de toelichting op artikel 13c van de Roda is opgenomen dat met het vereiste van academische scholing wordt bedoeld dat de [functie 1] op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de graad Master is verleend of de titel meester in de rechten of doctorandus.
6. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit in overeenstemming met het voorgaande wettelijk kader is genomen. [eiseres] beschikt namelijk niet over een academische graad, zoals vermeld in de toelichting op artikel 13c van de Roda. Wel merkt de rechtbank op dat de redactie van dit vereiste onduidelijk is, nu niet uit artikel 13c van de Roda zelf maar uit de toelichting blijkt dat voor een aanwijzing als [functie 1] een academische graad wordt vereist. 6.1. De redelijkheid van dit vereiste is op zich door [eiseres] niet betwist. De rechtbank ziet ook overigens geen reden om de rechtmatigheid ervan in twijfel te trekken. De eis past ook in het streven van de orde om te komen tot verder gaande professionalisering.
6.2.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het regelgevend kader niet voorziet in overgangsrecht. Ook stelt de rechtbank vast dat bij de totstandkoming van artikel 13c van de Roda niet is nagedacht over de bestaande situatie van [functie 2] die deze werkzaamheden voor advocaten uitvoerden, maar niet beschikken over een academische graad en daarom niet langer voldoen aan de voorwaarden.
6.3.
Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat er bewust voor gekozen is om geen overgangsregeling in de regelgeving op te nemen om zo de professionalisering van de advocatuur maximaal te kunnen waarborgen. Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat tot vorig jaar geen registratie werd bijgehouden van de [functie 2] en dat van de 621 aanmeldingen die tot februari 2021 waren gedaan, er 35 zijn afgewezen. In deze gevallen werd vijf keer de aanvraag afgewezen omdat niet aan het vereiste van academische scholing werd voldaan. Niet duidelijk is of daaronder naast eiseres ook andere begeleiders vallen die in het verleden intervisie gaven. Verweerder kan daarom geen inschatting maken van de groep personen die door de nieuwe eis wordt geraakt.
6.4.
De belangen van [eiseres] zijn echter niet alleen rechtstreeks betrokken bij het hier voorliggende besluit, maar ook bij het nieuwe voorschrift omtrent intervisie aan advocaten, dat aan dat besluit ten grondslag ligt en het haar onmogelijk maakt nog langer in die intervisie te werken. Die belangen zijn geheel buiten beschouwing gelaten
6.5.
Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat de belangenafweging beperkt dient te blijven tot het belang dat de wet beoogt te beschermen, in dit geval de kwaliteit van de advocatuur en goede rechtsbedeling. Dat belang staat echter niet in de weg aan het verlenen van een financiële compensatie, en evenmin (zonder meer) aan het treffen van een (tijdelijke) overgangsregeling. Artikel 3:4 van de Awb zou daarvoor een juridische basis kunnen vormen. Volledigheidshalve wijst de rechtbank er daarbij nog op dat de Voda en de nadere regeling niet een wet in formele zin vormen. Ook verwijst de rechtbank naar een viertal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naar het oordeel van de rechtbank is ongemotiveerde onverkorte toepassing van artikel 13c van de Roda in geval van [eiseres] dan ook in strijd met artikel 3:4 van de Awb.
6.6.
Niet alleen zijn de belangen van [eiseres] niet in ogenschouw genomen; ook is niet gekeken naar de vraag of de (onverkorte) gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen in de zin van het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb.
6.7.
Het is de rechtbank verder opgevallen dat verweerder niet in overleg is getreden met [eiseres] , maar haar rauwelijks heeft geconfronteerd met de beëindiging van haar werkzaamheden. Daarmee is ook een gelegenheid onbenut gebleven om in onderling overleg tot een oplossing op maat te komen.
7. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid van de Awb in de gelegenheid te stellen om die gebreken te herstellen.
De rechtsgronden van het beroep aanvullend overweegt de rechtbank nog dat verweerder daarbij ook dient te betrekken of en zo ja in hoeverre verweerders besluitvorming direct of indirect een ontneming vormt van eigendom in de ruime betekenis die daaraan op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) wordt gegeven door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en of daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat.
8. De rechtbank acht voor het herstellen van de gebreken in het bestreden besluit een termijn van acht weken redelijk.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 4 weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de reactie van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Procesverloop
10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen vier weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Melehi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ABRS 1 april 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AH6350, JB 1996/155 met noot; ABRS 5 december 2012 (2x), ECLI:NL:RVS:2012:BY5105 en ECLI:NL:RVS:2012:BY5135, JB 2013/210 en 211 met noot; ABRS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1314, met noot in AB 2017/270.