Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2021-03-05
ECLI:NL:RBAMS:2021:1253
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 19/6789 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen de besloten vennootschap [eiseres] , te [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J. Monster), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M. Luttik). Procesverloop Met het besluit van 24 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen. Met het besluit van 25 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021. Eiseres is verschenen in de persoon van [naam] , eigenaar, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waar deze procedure over gaat 1. Eiseres wil voor een periode van tien jaar een jachthaven oprichten voor zeventien elektrische (bedrijfs)vaartuigen. Eiseres heeft in dit kader een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) aangevraagd. Het bouwplan waar een omgevingsvergunning voor is aangevraagd bestaat uit het aanleggen van een steiger, een hek en een walkast met oplaadpunten voor elektrische vaartuigen (het bouwplan). 2. Eiseres wil het bouwplan realiseren bij het water dat is gelegen tegenover het adres [adres] in [plaats] . In dit gebied gelden de bestemmingsplannen ‘ [locatie 1]’, ‘Water’ en ‘Winkeldiversiteit Centrum’. Op de locatie waar de steiger is aangevraagd geldt de bestemming ‘Water’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 8’, ‘Waarde - Cultuurhistorie’ en ‘Waterstaat - Waterbergingsgebied’. Het hek op de kade is aangevraagd op een locatie waar de enkelbestemming ‘Groen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie L’ en ‘Waarde - Cultuurhistorie’ gelden. De walkast is volgens verweerder beoogd op een locatie waar de bestemming ‘Groen’ geldt. 3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ‘Water’ wegens strijdig gebruik met de bestemmingen ‘Water’ en ‘Waterstaat - Bergingsgebied’ en met het bestemmingsplan ‘ [locatie 1]’ wegens strijdig gebruik met de bestemming ‘Groen’. Evenmin is in geschil dat in de bestemmingsplannen geen afwijkingsregels zijn opgenomen en dat er zodoende geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden bestaan. 4. Tussen partijen is in geschil of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om eiseres geen omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij spitst het geschil zich toe op de bevoegdheid van verweerder om buitensplans af te wijken van de bestemmingsplannen. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen in strijd is met de Dienstenrichtlijn en het zorgvuldigheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Buitenplans afwijken van de bestemmingsplannen 5. Eiseres voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen medewerking is verleend aan buitenplans afwijken van de bestemmingsplannen. De omgevingsvergunning is voor een termijn van tien jaar aangevraagd en er is zodoende sprake van een zogenoemd kruimelgeval. Het bouwplan kan zo worden uitgevoerd dat er geen sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen voor de ruimtelijke omgeving, aldus eiseres. 6. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan, een discretionaire bevoegdheid van verweerder en moet de bestuursrechter het gebruik van die bevoegdheid terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 7. Verweerder heeft ruimtelijk advies gevraagd aan de afdeling Ruimte en Duurzaamheid en onder meer di Dit geldt voor dienstverrichters, maar ook voor particulieren. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verbod om zonder omgevingsvergunning te bouwen of in strijd met het bestemmingsplan grond te gebruiken, gericht is op de ruimtelijke ordening. Van een eis die de dienstenactiviteit specifiek regelt of daar specifiek op van invloed is, is in beginsel dan ook geen sprake. 13. Ook in het geval van eiseres is de eis van een omgevingsvergunning niet specifiek van invloed op de dienst die zij wil verrichten. Zowel dienstverrichters als particulieren hebben immers een omgevingsvergunning nodig om met een vaartuig ligplaats in te nemen op het water dat is gelegen tegenover het adres [adres] in [plaats] . De rechtbank is bovendien met verweerder van oordeel dat eiseres ook zonder omgevingsvergunning onbemande vaartuigen kan verhuren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres gebaat is bij vaste ligplaatsen nabij het centrum van [plaats] , is dit naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Dit blijkt temeer uit het feit dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat zij reeds incidenteel elektrische onbemande vaartuigen in het centrum van [plaats] verhuurd. 14. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beslissing over de aanvraag voor een omgevingsvergunning geen beslissing betreft over de toegang tot of de uitoefening van een dienst in de zin van de Dienstenwet. De Dienstenrichtlijn is daarom niet van toepassing. Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel 15. Eiseres voert aan dat voor zover de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is, er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Volgens eiseres kan de Dienstenrichtlijn gezien worden als een codificatie van deze beginselen. 16. Het betoog van eiseres dat er sprake is van strijd met het legaliteitsbeginsel wordt door de rechtbank niet gevolgd. De van toepassing zijnde verboden uit de Wabo maken in samenhang met de van toepassing zijnde bestemmingsplannen voldoende duidelijk dat het bouwplan niet zonder omgevingsvergunning mag worden uitgevoerd. Dat hier sprake van is blijkt ook uit het feit dat eiseres voor het bouwplan een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en zij - zoals onder 3 overwogen - ook niet betwist dat uit de wet- en regelgeving volgt dat een omgevingsvergunning vereist is. De rechtbank ziet daarnaast in wat is aangevoerd ook geen aanleiding om strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel aan te nemen. Dat eiseres het niet eens is met de voorwaarde van een omgevingsvergunning voor het verkrijgen van een ligplaatsvergunning, maakt niet dat er sprake is van strijd met het legaliteitsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. Conclusie 17. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. 18. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Georgiades, voorzitter, en mr. C.A.E. Wijnker en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste van de Wabo. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. A