Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-03-18
ECLI:NL:RBAMS:2021:1161
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/845064-19
Datum uitspraak: 18 maart 2021
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/845064-19, tegen:
[veroordeelde] , hierna te noemen [veroordeelde] en veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2021.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 28 januari 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 116.753,-
De rechtbank verstaat de vordering, gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar zij verwijst, aldus dat deze betrekking heeft op het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3De grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2021 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld:
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in vereniging door meerdere personen.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel geen rechtsregel aan in de weg staat om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport te doen berusten.
De rechtbank is van oordeel dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het bewezen verklaarde feit.
De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden – waaraan zij de schatting ontleent – die in het ontnemingsrapport van 11 december 2019, opgemaakt door [naam] , algemeen opsporingsambtenaar, senior rechercheur werkzaam bij de Inspectie SZW, zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.
In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt toegelicht en berekend.
[veroordeelde] en [medeverdachte] hebben in de periode van 26 mei 2013 tot en met 20 augustus 2017 [benadeelde partij] , die illegaal in Nederland verbleef, in dienst genomen als oppas voor hun twee kinderen. [benadeelde partij] werd gehuisvest in de woning van [veroordeelde] en [medeverdachte] . Zij kreeg eerst een salaris van € 900,- en later € 1.300,- per maand uitbetaald, zonder dat hier loonbelasting of sociale premies over werden afgedragen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden toegerekend aan [veroordeelde] en [medeverdachte] . Zij hebben, teneinde een financieel voordeel te verkrijgen (besparing van kosten), gebruik gemaakt van de diensten van [benadeelde partij] . [veroordeelde] en [medeverdachte] hebben door [benadeelde partij] voor de kinderen te laten zorgen geen legaal in Nederland verblijvende oppas(sen) hoeven aan te nemen of kinderopvang te bekostigen. Zij hebben zelf meer kunnen werken in hun restaurant [naam restaurant] , omdat zij ontlast werden van de zorg voor hun kinderen. Zij hebben door [benadeelde partij] aan te stellen als oppas en haar maandelijks contant uit te betalen, een besparing gemaakt op werkgeverslasten. Deze besparing bestaat onder andere uit het niet betalen van sociale premies en werkgeversheffingen. Uit onderzoek in Suwinet en naar de loonheffingen van restaurant [naam restaurant] komt naar voren dat er ook geen loonheffingen zijn afgedragen over het salaris van [benadeelde partij] . Ook is er geen vakantiegeld en zijn er geen vakantie-uren (uit)betaald. Tot slot zijn er geen pensioenpremies betaald. Het betaalde salaris staat daarnaast niet in verhouding tot de gewerkte uren van [benadeelde partij] . [veroordeelde] en [medeverdachte] verkeerden, kortom, door het tewerkstellen van [benadeelde partij] in een economisch gunstigere toestand dan wanneer zij een of meer (legale) oppassen in dienst hadden gehad.
In de periode van 26 mei 2013 tot en met 20 augustus 2017 heeft [benadeelde partij] als oppas gewerkt voor [veroordeelde] en [medeverdachte] . Het is aannemelijk dat [benadeelde partij] in deze periode zes dagen per week werkte, waarbij zij minimaal 13,5 uur per dag werkte. In de periode dat [veroordeelde] en [medeverdachte] één kind hadden, kreeg [benadeelde partij] € 900,- contant uitbetaald. Vanaf oktober 2015, na de geboorte van het tweede kind, is haar salaris opgehoogd naar € 1.300,- per maand. In Nederland bestaat geen specifieke en algemeen verbindende cao voor inwonend huispersoneel voor de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden en kinderverzorging. Daarom is de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel de kostenbesparing uitgevoerd op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De (aannemelijk) gemaakte werkuren van [benadeelde partij] zijn vermenigvuldigd met het bruto minimum uurloon. Hierover is vervolgens berekend wat de vakantietoeslag had moeten zijn. Het totaal bruto werknemersloon (inclusief vakantietoeslag) dat betaald had moeten worden, bedraagt: € 152.837,42 + 8% vakantietoeslag (€ 12.226,99) = € 165.064,41. Vervolgens zijn over het brutosalaris de werkgeverslasten berekend. [veroordeelde] en [medeverdachte] hadden in totaal een salaris van € 194.595,85 moeten betalen.
De kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van het strafbare feit kunnen in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hier om het nettosalaris en de maaltijd- en huisvestingskosten van [benadeelde partij] . In de periode 26 mei 2013 tot en met 5 oktober 2015 (± 27,5 maand) was sprake van één oppaskind en kreeg [benadeelde partij] € 900,- per maand. In de periode 6 oktober 2015 tot en met 20 augustus 2017(± 23 maanden) was sprake van twee kinderen en kreeg [benadeelde partij] € 1.300,- per maand. [benadeelde partij] heeft aan (netto) salaris ontvangen: 27,5 maand x € 900,- + 23 maanden x € 1.300,- = € 54.650,-. De maaltijden die [benadeelde partij] kreeg, werden betaald door [veroordeelde] en [medeverdachte] . Het verstrekken van maaltijden kan volgens de Belastingdienst worden gezien als loon in natura. In de handboeken loonheffingen van de Belastingdienst van 2013 en 2017 zijn normbedragen voor maaltijden vastgesteld. [benadeelde partij] kreeg drie maaltijden per dag: ontbijt, lunch en avondmaaltijd op alle dagen van de week. De kosten voor maaltijden over de jaren 2013 tot en met 2017 zijn berekend op € 14.831,55,-. De handboeken loonheffingen van de Belastingdienst over de jaren 2013 tot en met 2017 houden ook in dat er normbedragen voor huisvesting op de werkplek zijn. Dit bedrag verschilt over de jaren 2013-2017 van € 5,30 tot € 5,50 per dag. Deze normbedragen worden ook gezien als loon in natura voor de werknemer. In dit normbedrag is de verstrekking van energie, water en bewassing inbegrepen. Het loon in natura qua huisvesting is berekend op in totaal € 8.360,45.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 116.753,-.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 116.753,- (honderdzestienduizend zevenhonderddrieënvijftig euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 3 (drie) jaren.
De veroordeelde is tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel verplicht, behoudens voor zover aan deze betalingsverplichting reeds door of namens een ander is voldaan.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M. Smit en R.K. Pijpers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2021.
HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746.