Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2020-12-11
ECLI:NL:RBAMS:2020:7629
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8737567 EA VERZ 20-638 beschikking van: 11 december 2020 beschikking van de kantonrechter I n z a k e de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Amsterdam gevestigd te Amsterdam verzoekster nader te noemen: werkgever gemachtigde: mr. V.U.C.I. Duran (Reinders Folmer) t e g e n [verweerder] wonende te [woonplaats] verweerder nader te noemen: werknemer niet verschenen VERLOOP VAN DE PROCEDURE Werkgever heeft op 1 september 2020 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Partijen zijn bij brieven van 10 september 2020 opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 13 oktober 2020. Werknemer is per gewone post opgeroepen aan het door werkgever opgegeven adres. De aan werknemer gezonden oproeping is retour ontvangen, waarbij op de enveloppe stond geschreven: “Desbetreffende persoon woont niet op dit adres!!! We kunnen niet in contact komen met deze persoon”. De zitting op 13 oktober 2020 is niet doorgegaan. Vervolgens zijn bij brieven van 1 oktober 2020 partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 5 november 2020. De per aangetekende post aan werknemer gezonden oproeping is gezonden naar het adres waarop hij volgens het GBA woonachtig is. Deze oproeping is retour ontvangen. Het verzoek is ter zitting behandeld op 5 november 2020. Werkgever heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam 1] , leidinggevende van werknemer, en [naam 2] , HRM-adviseur, bijgestaan door de gemachtigde. Werknemer is niet verschenen. Daarna is werknemer opgeroepen voor de zitting van 20 november 2020 op het adres waarop hij volgens het GBA woonachtig is. De zitting is op die datum voortgezet. Werknemer is wederom niet verschenen. De oproep is op 4 december 2020 retour ontvangen. Op de enveloppe staat geschreven: “Persoon is onvindbaar. Gelieve geen post meer te verzenden inzake deze persoon. Werknemer heeft geen verweerschrift ingediend. Beschikking is bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING Uitgangspunten 1. Uitgegaan wordt van het volgende. 1.1. Werknemer, geboren op [geboortedatum] , is sedert 1 november 2016 in dienst van werkgever en is laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker Beheer & Onderhoud. De werknaam van deze functie is Medewerker Technisch Onderhoud. Het bruto salaris bedraagt € 2.397,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. 1.2. Werknemer heeft zich op 6 november 2019 ziek gemeld. 1.3. Werkgever heeft met ingang van 24 februari 2020 het salaris en de toelagen van werknemer opgeschort. 1.4. Werkgever heeft op 8 april 2020 het salaris van werknemer met onmiddellijke ingang stopgezet. 1.5. Werkgever heeft op 9 april 2020 het UWV om een deskundigenoordeel verzocht over de vraag of werknemer genoegd doet om weer aan het werk te gaan. 1.6. Het UWV heeft op 9 juni 2020 een deskundigenoordeel uitgebracht over de periode van 5 november 2019 tot en met 4 juni 2020 en geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van werknemer onvoldoende zijn. Verzoek 2. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden primair op grond van de artikelen 7:671b lid 1 sub a en 7:669 lid 3, sub e van het Burgerlijk Wetboek en subsidiair op grond van artikel 7:686 BW en artikel 6 Aw 2017. 3. Werkgever verzoekt bij het bepalen van de ontbindingsdatum op grond van artikel 7:671 lid 8 sub b BW geen rekening te houden met de opzegtermijn van de gemeente Amsterdam en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden aangezien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen/nalaten van werknemer en ook te bepalen dat werknemer om die reden op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen aanspraak maakt op de transitievergoeding. 4. Werkgever verzoekt bij het bepalen van de ontbindingsdatum op grond van artikel 7:686 BW geen rekening te houden met de opzegtermijn van de gemeente Amsterdam en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, en ook te bepalen dat werknemer geen aanspraak maakt op