Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-09-17
ECLI:NL:RBAMS:2020:6087
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,280 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751564-20
RK nummer: 20/3260, EAB II
Datum uitspraak: 17 september 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2020 door the District Court in Most (Tsjechië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (voormalig Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 september 2020. Het verhoor heeft door middel van een telehoor-verbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant issued by the District Court in Most on 16 September 2019.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Tsjechisch recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1.
Genoegzaamheid
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft erop gewezen dat als pleegplaats genoemd wordt het grondgebied van Tsjechië. Hij heeft gesteld dat dit te algemeen is, zodat de delictsomschrijving ongenoegzaam is.
De officier van justitie heeft zich over dit verweer niet uitgelaten.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
De opgeëiste persoon wordt verweten dat hij in de periode van 19 juli 2017 tot en met 22 juli 2017 zijn partner (met naam genoemd) heeft gevraagd tegenover de politie een valse verklaring af te leggen over een telefoon die hij had gestolen. Uit het nagezonden A-formulier blijkt dat dit heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Tsjechië. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Het gaat om de bepaald omschreven feitelijkheden tussen de twee met naam genoemde personen in een bepaalde periode in Tsjechië. Daarmee is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat het feit in Nederland niet strafbaar is. Er is geen sprake van meineed; het is niet strafbaar om een valse verklaring tegenover de politie af te leggen. Het feit kan evenmin worden gekwalificeerd onder artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) omdat dit artikel een ander materieel rechtsbelang dient dan het in het EAB genoemde Tsjechische wetsartikel. Kort gezegd gaat het bij artikel 285a Sr om een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid om onbelemmerd te kunnen verklaren, terwijl het genoemde Tsjechische wetsartikel een publiek belang beoogt te beschermen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De opgeëiste persoon heeft zijn vriendin gevraagd om tegenover de politie een valse verklaring af te leggen. Dit is te kwalificeren onder artikel 285a Sr. Volgens vaste jurisprudentie over dat artikel moet de gedraging erop zijn gericht iemand in zijn verklaringsvrijheid te beïnvloeden. De officier van justitie heeft aangevoerd dat daarvan in dit geval sprake is.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
De delictsomschrijving in het EAB valt onder de reikwijdte van artikel 285a Sr. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht dat hij zijn partner heeft gevraagd een valse verklaring af te leggen tegenover de politie over een door hem gestolen telefoon. De rechtbank verwerpt het verweer dat dit wetsartikel een ander materieel rechtsbelang dient en er daarom geen sprake zou zijn van dubbele strafbaarheid in de zin van de OLW. Het volstaat dat het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. De rechtbank wijst in dit verband op haar uitspraak van 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312, waarin zij het volgende heeft overwogen:
“Voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid is relevant de overeenstemming tussen de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, en de omschrijving van het strafbare feit overeenkomstig Nederlands recht. De rechtbank moet dan ook nagaan of die feitelijke elementen, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van Nederland, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft (vgl. HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza), ten aanzien van artikel 7, derde lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ).”
De rechtbank concludeert dat is voldaan aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 285a Wetboek van Strafrecht 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Most (Tsjechië).
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2020.
De jongste rechter is buiten staat te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.