Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-07-07
ECLI:NL:RBAMS:2020:3409
Strafrecht, Internationaal publiekrecht
Eerste en enige aanleg
2,202 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751200-20
RK nummer: 20/2397
Datum uitspraak: 7 juli 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2020 door de Sąd Okręgowy w Szczecinie (Regional Court in Szczecin ), Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2020. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. J.J. Veldheer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een final and binding decision of the District Court Szczecin – Centre in Szczecin (Sądu Rejonowego Szczecin – Centrum w Szczecinie ) van 16 maart 2018 (referentienummer: IV K 1348/17 ), onherroepelijk op 4 oktober 2018 .
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en één maand. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Uit het EAB blijkt dat er een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden die de onherroepelijkheid van het vonnis met zich heeft meegebracht, waarmee definitief uitspraak is gedaan over de mate van schuld en de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de behandeling in hoger beroep. De aanwezigheid van uitzonderingsgronden die voortvloeien uit artikel 12 OLW is niet aannemelijk geworden.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zaak dient te worden aangehouden om nadere informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten omtrent de procedure in hoger beroep. Niet alleen is dit relevant in het licht van artikel 12 OLW, maar ook in verband met de Poolse rechtsstaat en het grondrecht op een eerlijk proces.
De raadsman heeft ter onderbouwing van zowel zijn primaire als zijn subsidiaire standpunt onder meer verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3014).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Nu in het EAB is beschreven dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard zonder dat het hof kennis heeft genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak, heeft er geen behandeling plaatsgevonden waarbij de vraag omtrent de mate van schuld of de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon aan de orde is gekomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat wanneer een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, lid 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem of haar een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C‑270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)).
Op pagina 3 tot en met 4 van het EAB staat met betrekking tot het hoger beroep tegen het vonnis van de opgeëiste persoon met referentienummer IV K 1348/17 het volgende beschreven:
By virtue of the decision of the 4th October 2018 the Regional Court in Szczecin (…) left the admitted appeal of the public prosecutor against the judgement of the District Court Szczecin (…) without cognizance, in consideration of the inadmissibility of the appeal by virtue of the law.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat the Regional Court in Szczecin op 4 oktober 2018 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, zonder van dit hoger beroep kennis te nemen (‘without cognizance’). Dit betekent dat uitsluitend de rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld over de mate van schuld en de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon in het vonnis met referentienummer IV K 1348/17 . De omstandigheid dat het EAB is uitgevaardigd door het Regional Court maakt dit niet anders. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook, anders dan in de uitspraak waar de raadsman naar verwijst, niet van toepassing.
Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12 OLW, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit.
De rechtbank verwerpt het verweer.
4Strafbaarheid
4.1.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Szczecinie (Regional Court in Szczecin ), Polen.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rechtbank Amsterdam 12 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2936.
Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 16 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:184.