Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2020-06-09
ECLI:NL:RBAMS:2020:2877
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/683314 / KG ZA 20-393 CdK/MAH Vonnis in kort geding van 9 juni 2020 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 1] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [eiser 3] , voor deze zaak domicilie kiezende te [domicilie] , eisers bij dagvaarding van 15 mei 2020, advocaat mr. P.P.E. Buchele te Arnhem, tegen de naamloze vennootschap ING BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaten mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer (procesadvocaat) en mr. M.A. Algra (behandelend advocaat), beiden te Amsterdam. Partijen zullen hierna ook [eisers] en eisers afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden genoemd. Gedaagde zal ook ING worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Op 26 mei 2020 is, met toepassing van artikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, een zitting gehouden via beeldverbinding. Aan deze Skype-zitting hebben deelgenomen: - aan de zijde van eisers: [eiser 3] en [eiser 2] , met mr. Buchele en mr. M.J.R. Roethof - aan de zijde van gedaagde: [naam 1] (analist) met mr. Algra. Tevens was mr. [naam 2] (bedrijfsjurist) als toehoorder aan de zijde van ING aanwezig. 1.2. ING heeft op 25 mei 2020 een ‘akte weergave feiten’ ingediend. Beide partijen hebben voor de zitting producties en een pleitnota in het geding gebracht. Aan de hand van de schriftelijke processtukken en de vragen van de voorzieningenrechter hebben partijen over en weer hun standpunten toegelicht. ING heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] is opgericht op 25 juli 2014. Volgens het handelsregister zijn haar activiteiten: groothandel in granen; expediteurs, cargadoors, bevrachters en andere tussenpersonen in het goederenvervoer; im- en export van grondstoffen voor tarweproducten alsmede het zorgdragen voor de inkoop de (door)verkoop en de logistiek daarvan. Sinds begin 2015 heeft [eiser 1] bij ING een zakelijke rekening en een vreemde valutarekening. 2.2. [eiser 3] en [eiser 2] zijn uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners, UBO’s) van [eiser 1] . [eiser 3] is tevens (rekening)gemachtigde en [eiser 2] tevens middellijk bestuurder (via zijn vennootschap [bedrijf 1] B.V.) van [eiser 1] . Zij hebben ieder ook een privé-betaalrekening bij ING. [eiser 2] heeft samen met iemand anders daarnaast een en/of-rekening bij ING. 2.3. Op de bankrelaties van eisers bij ING zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (ABV) van toepassing. 2.4. Op de rekeningen van [eiser 1] zijn tevens de Voorwaarden Zakelijke Rekening 2019 (VZR) van ING van toepassing. Artikel 7 VZR luidt, voor zover relevant: “(…) 7.3 De Overeenkomst kan door de Bank op elk gewenst moment schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 60 dagen. 7.4 In afwijking van het vorige lid is de Bank bevoegd de Overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, zonder ter zake tot enige schadevergoeding te zijn gehouden, indien het recht of de plicht daartoe is opgenomen in wet- of regelgeving of wanneer de Rekeninghouder gebruik maakt of heeft gemaakt van diensten of producten van de Bank voor activiteiten of doeleinden die in strijd zijn met wet- en regelgeving, de goede naam van de Bank kunnen schaden of de integriteit van het financiële systeem kunnen aantasten. (…)” 2.5. Op de rekeningen van [eiser 3] en [eiser 2] zijn tevens de Voorwaarden Betaalrekening (BZR) van ING van toepassing, waarvan artikel 51.1 luidt: “51.1 Alle overeenkomsten waarop deze Voorwaarden Betaalrekening van toepassing zijn, kunnen worden opgezegd. Voor u geldt hierin geen opzegtermijn. Voor ING geldt een opzegtermijn van twee maanden.” 2.6. Uit regulier onderzoek van de afdeling KYC Investigations (know your customer-onderzoek) van ING naar [eiser 1] en haar transacties via de ING-rekeningen is de volgende concl [bedrijf 2] is de Nederlandse tak van een in Suriname gevestigde bedrijvengroep [naam bedrijvengroep] , die ook money transfer/ western union franchise heeft. Wij hebben bij u de facturen opgevraagd die door de heer [eiser 3] zijn opgemaakt, en hier valt op dat geen enkele factuur correspondeert met de gedane transacties. Ook blijken de volgnummers van de facturen door elkaar te lopen. ( Factuur [factuurnummer 2] is van 1 mei 2016 en factuurnummer [factuurnummer 1] is van 29 augustus 2016). Facturen zijn aan regels gebonden en de factuurnummering dient in een chronologische volgorde op te lopen. Opzeggen bankrelatie Op grond van het voorgaande kunnen we als bank onvoldoende inhoud geven aan onze verplichtingen uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Hieronder valt het garanderen dat onze rekeningen niet worden gebruikt in het kader van fraude en/of het witwassen van illegaal verkregen gelden. Daarnaast willen wij reputatie- en integriteitsrisico's voorkomen. (…) De gegevens die betrekking hebben op [eiser 1] B.V. en diens UBO’s worden opgenomen in het Interne Verwijzingsregister (hierna 'IVR') voor de duur van maximaal 8 Jaar. Het IVR kan alleen door ING (inclusief dochterondernemingen) worden geraadpleegd en bevat verwijzingsgegevens van (rechts)personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij gebeurtenissen, waarbij onregelmatigheden zijn geconstateerd. Staan uw gegevens in het IVR, dan kan dit voor u gevolgen hebben. Bijvoorbeeld bij de aanvraag van producten of diensten bij ING. (…)” 2.10. In haar opzeggingsbrieven aan [eiser 3] en [eiser 2] heeft ING, onder verwijzing naar de brief aan [eiser 1] , gemeld dat de vertrouwensbreuk met [eiser 1] (mede) reden is voor de beëindiging van de bankrelatie met hen als wettelijk vertegenwoordiger / UBO van [eiser 1] . 2.11. Bij e-mail van 1 september 2019 heeft [eiser 2] de jaarcijfers van [eiser 1] over 2016 en 2017 aan ING gestuurd. 2.12. Zowel [eiser 2] als [eiser 3] hebben tegen de opzeggingen bezwaar aangetekend. In brieven van 18 oktober 2019 aan eisers heeft ING daarop afwijzend gereageerd. 2.13. Op 28 november 2019 heeft de advocaat van eisers namens hen een klacht bij ING ingediend. ING heeft bij brief van 5 maart 2020 geantwoord het dossier opnieuw te hebben beoordeeld en haar standpunt te handhaven. 2.14. Nadat de advocaat van eisers ING bij brief van 25 maart 2020 had gesommeerd om de bankrelaties voort te zetten en hun gegevens niet op te nemen in het IVR, heeft ING bij brief van 7 april 2020 haar standpunt gehandhaafd en bericht dat de bancaire relatie met [eiser 1] op 19 mei 2020 wordt beëindigd en die met [eiser 2] en [eiser 3] op 19 september 2020. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vordert kort gezegd om - primair: ING te bevelen de bankrelaties met eisers te continueren, op straffe van dwangsommen, - subsidiair: de termijn waartegen de opzegging effect heeft te verlengen, - meer subsidiair: een voorziening te treffen waardoor [eisers] aan het geldverkeer op adequate wijze met behulp van ING kan deelnemen, althans een beslissing in goede justitie te nemen, - een en ander met veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. ING voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Er is voldoende spoedeisend belang bij de vorderingen, omdat de datum van beëindiging van de bankrelaties, in ieder geval voor [eiser 1] , nadert. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ING op grond van het toepasselijke artikel 35 ABV bevoegd is de bankrelaties, die als duurovereenkomsten moeten worden aangemerkt, met eisers op te zeggen. Ook is niet in geschil dat ING de contractuele opzegtermijnen in acht heeft genomen en deze bovendien nog enkele malen heeft verlengd. 4.3. De vraag in dit kort geding is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de stelling van eisers zal volgen dat het gebruikmake Zo overtuigt de verklaring niet van eisers, dat al deze Caribische vennootschappen deel uitmaken van de ‘supply chain’ van [eiser 1] en daarom passen in het bedrijfsmodel. Alleen al niet omdat eisers daarvan nauwelijks bewijsstukken, zoals contracten of facturen, hebben overgelegd. Ook heeft [eisers] weliswaar gesteld dat ING inzicht heeft in de bedrijven waarmee die transacties zijn aangegaan via het door [eisers] aangeleverde (overigens niet gewaarmerkte) UBO-organogram, maar ING heeft er terecht op gewezen dat de bedrijven waar het om gaat, met uitzondering van Eloquent Corp, daar niet op voorkomen. 4.9. Met betrekking tot de transacties met het in de USA gevestigde Caribbean Interliner Services INC hebben eisers verklaard dat dit bedrijf graan verscheept (charter) voor [eiser 1] . Dan is het vreemd dat dit bedrijf in 2016 aan [eiser 1] USD 53.785,41 heeft overgemaakt. [eiser 3] heeft daarover ter zitting verklaard dat dat te maken zou kunnen hebben met terugbetaling van een te hoog begroot voorschot. Als dat waar zou zijn, zou er een eindafrekening van moeten zijn, maar ook die is door eisers niet overgelegd. Ook is het niet logisch dat in mei 2016 de vermeende terugbetaling plaatsvindt en dat [eiser 1] het bedrijf pas later dat jaar (USD 460.000) betaalt. Verder heeft [eiser 1] in 2018 USD 97.010,30 ontvangen van Caribbean Interliner Services INC, terwijl daar geen enkele betaling in 2018 (of 2017) aan vooraf ging. Eisers hebben voor dit alles geen bevredigende verklaring kunnen geven. Dat het hier zou gaan om terugbetaling van teveel betaalde bedragen is gezien het voorgaande niet aannemelijk. 4.10. Daarnaast heeft [eisers] niet of onvoldoende betwist dat de door haar overgelegde facturen niet overeenkomen met de transacties. Ook heeft zij zelf gesteld dat bepaalde transacties of betalingen namens andere personen/partijen zijn gedaan of ontvangen. Zo hebben eisers ter verklaring van de aan [eiser 3] betaalde bedragen gesteld dat het hier gaat om door [eiser 1] aan [eiser 3] verschuldigde commissiegelden, die deels rechtstreeks aan [eiser 3] en deels via [bedrijf 2] B.V. zouden zijn betaald. Met ING is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door eisers overgelegde facturen van [eiser 3] niet in eisers voordeel spreken, nu de factuurbedragen niet corresponderen met transacties op de rekening(en), de facturen geen opdracht bevatten om de gelden aan [bedrijf 2] B.V. uit te betalen en facturen van [bedrijf 2] B.V. ontbreken. 4.11. Eisers hebben wel de vraag van ING kunnen toelichten waarom in 2016 door [eiser 1] ineens een grote omzet is gemaakt en in latere jaren veel minder. Zij stellen dat [betrokken bv] in Suriname - een familiebedrijf van [eiser 3] - voor wie de graanleveranties uit Duitsland en Frankrijk bestemd waren, al een grote speler in de Caribische markt voor meelleveranties was, die in 2015 via [eiser 1] met deze toeleveranciers is gaan werken. Er hoefde dus geen nieuwe onderneming te worden opgezet. Later is [betrokken bv] de import zelf gaan organiseren, zodat de omzet van [eiser 1] weer daalde. Dit kan echter nog steeds de hiervoor onder 4.7 tot en met 4.10 besproken transacties niet verklaren. 4.12. De conclusie is dan ook dat ING vanwege het door toedoen van eisers onvoldoende kunnen voldoen aan de onderzoeksplicht van de Wwft en vanwege concrete en reële integriteitsrisico’s voldoende gronden had voor de opzegging van de rekeningen van [eiser 1] . Daaruit vloeit voort dat ook de opzegging van de privé-rekeningen van [eiser 3] en [eiser 2] gerechtvaardigd was. Als UBO’s en gemachtigden over de rekeningen (en [eiser 2] daarnaast als bestuurder) waren beiden verantwoordelijk voor het gebruik van de rekeningen en de gang van zaken binnen [eiser 1] . Ook is de bestuurder verantwoordelijk voor het overleggen van door ING gevraagde stukken als facturen en jaarstukken (hetgeen onvolledig en/of laat is gebeurd). Daarbij wordt ten overvloede opgemerkt dat de rol van [eiser 2] relatief klein was; de handel werd