Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-02-28
ECLI:NL:RBAMS:2020:1320
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,849 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751703-19
RK nummer: 19/4467
Datum uitspraak: 28 februari 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 maart 2019 door de Regional Court in Opole (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 september 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak op 11 oktober 2019 het onderzoek heropend en geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten betreffende de Poolse rechtsstaat.
De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 14 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een decision on a detention on remand van 18 oktober 2018 van de District Court in Opole (referentie: VII Kp 437/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Het EAB houdt verder (bij aanvulling van 13 augustus 2019) een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
Nu de officier van justitie na navraag daarover heeft meegedeeld dat ten aanzien van deze telefoon geen kennisgeving van in beslagname beschikbaar is, zal de rechtbank zich over deze telefoon niet uitlaten.
3.1.
Tussenuitspraak 11 oktober 2019
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 11 oktober 2019 waarin zij heeft geoordeeld over een aantal verweren. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot die verweren dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank stelt voorop, dat uit de beschikbare informatie met betrekking tot de ontwikkelingen ten aanzien van de Poolse rechtsstaat een zorgwekkend beeld naar voren komt. De meest recente ontwikkelingen zijn bovendien ongunstig. Dit algemene beeld is op dit moment echter nog onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat een ieder die in Polen zal worden berecht, geen eerlijk proces zal krijgen. De rechtbank is dan ook niet van oordeel dat van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak LM gegeven toetsingskader dient te worden afgeweken.
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat uit het arrest volgt dat drie vragen (ook wel stap 1, 2 en 3 genoemd) moeten worden beantwoord.
Naar aanleiding van de vragen betreffende de Poolse rechtsstaat, gesteld bij tussenvonnis van
11 oktober 2019, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 17 december 2019 meegedeeld dat de opgeëiste persoon na overlevering in eerste instantie zal worden berecht door de Regional Court in Opole en in eventueel hoger beroep door de Court of Appeal in Wrocław. Van geen van deze beide instanties zijn gevallen bekend van tuchtzaken tegen rechters, wijziging van bezoldiging of andere maatregelen.
De rechtbank verwijst in dit kader eveneens naar haar uitspraak van 16 januari 2020, in een andere overleveringszaak. De rechtbank heeft in die uitspraak de vragen 1 en 2 van het toetsingskader positief beantwoord en geconcludeerd dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben.
Vervolgens heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat zij, alvorens een nadere dialoog met de Poolse uitvaardigende autoriteit aan te gaan - en in dat verband tot het inwinnen van nadere informatie over (in het bijzonder) tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen -, ter zitting de opgeëiste persoon wenst te horen over de feiten en omstandigheden die zien op zijn persoonlijke situatie die er toe kunnen leiden dan wel hebben geleid dat hij - in het licht van de ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat - geen eerlijk proces zal krijgen dan wel geen eerlijk proces heeft gehad. Deze conclusies gelden onverkort voor de onderhavige zaak.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft erop gewezen dat in Polen onlangs de zogenaamde ‘Muilkorfwet’ is ondertekend waardoor Poolse rechters niet zonder risico op sancties uitspraken van het HvJ kunnen toepassen op het Poolse rechtssysteem. De Poolse Hoge Raad heeft bovendien beslist dat de benoeming van rechters door de Poolse Raad voor Rechtspraak op een onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, zo volgt uit een mail van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon. Volgens hem zijn vier van de acht rechters van de rechtbank Opole door de Poolse Raad voor Rechtspraak benoemd, zodat de kans dat de opgeëiste persoon wordt berecht door een van hen 50% is. Om een eerlijk proces te krijgen dient de rechtbank van Opole te garanderen dat het proces wordt gevoerd door rechters die niet zijn benoemd door de Poolse Raad voor Rechtspraak. De opgeëiste persoon wordt bovendien verdacht van grootschalige drugshandel, een feit dat de Poolse regering hard wil aanpakken. De raadsman verwacht daarom dat de Poolse rechter niet al te kritisch naar het bewijs zal kijken.
Beoordeling
De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent de ‘Muilkorfwet’ een bevestiging van de eerdere conclusies dat in zaken waarin de zorgen omtrent de Poolse rechtstaat een rol spelen, kan worden aangenomen dat aan stap 2 is voldaan.
In het kader van stap 3 is, zoals de raadsman ook heeft betoogd, relevant dat de opgeëiste persoon mogelijk wordt berecht door rechters die onlangs zijn benoemd door de Poolse Raad voor de Rechtspraak. Voor zover een berechting door één van hen tot een oneerlijk proces zou leiden, staat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid van wraking echter nog steeds open. Uit de informatie die de rechtbank in andere Poolse zaken heeft ontvangen is namelijk naar voren gekomen dat wraking tot de mogelijkheden van verdachten behoort. Dat dit middel niet effectief zou zijn is tot nu toe niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook op dit moment onvoldoende aanleiding om bij de uitvaardigende autoriteit navraag te doen naar de rechters die de zaak van de opgeëiste persoon zullen behandelen en of zij zijn benoemd middels de als onjuist geachte procedure via de Poolse Raad voor de Rechtspraak.
Dat drugsfeiten in het algemeen zwaar worden bestraft, is tot slot geen omstandigheid die leidt tot de conclusie dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.
Gelet hierop heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft.
De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Opole (Polen).
Aldus gedaan door
mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en J.A.A.G. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 februari 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBAMS:2019:7684
ECLI:EU:C:2018:586
ECLI:NL:RBAMS:2018:5925
ECLI:NL:RBAMS:2020:184