Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-11-05
ECLI:NL:RBAMS:2019:8349
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,413 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/4081
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [eiseres] ),
en
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: Svb)
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma).
Procesverloop
Met het besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit) heeft de Svb aan [eiseres] een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.
Met het besluit van 18 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.
[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019.
[eiseres] is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. [eiseres] is op [geboortedatum] geboren in Suriname en op [datum] is zij vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. Suriname maakte tot de onafhankelijkheid op
25 november 1975 deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. [eiseres] heeft in Suriname geen AOW-premies betaald, omdat zij minderjarig was toen zij in Suriname woonde.
Op 15 maart 2019 heeft [eiseres] bij de Svb een aanvraag om AOW-pensioen ingediend.
2. De Svb heeft aan [eiseres] een AOW-pensioen toegekend met ingang van 24 juni 2019,waarop een korting van 4% wordt toegepast vanwege – afgerond – twee niet verzekerde jaren. Volgens de Svb heeft [eiseres] namelijk van [periode] geen AOW opgebouwd. Met het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.In de betreffende periode waren volgens de Svb alleen personen die in het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden woonden verzekerd voor de AOW. [eiseres] woonde tot en met [datum] in Suriname en was daarom niet verzekerd.
Standpunt [eiseres]
3. [eiseres] vindt het onterecht dat zij volgens de Svb van [periode] geen AOW heeft opgebouwd en dat zij daarom een korting krijgt op haar AOW-pensioen van 4%. Zij voert – samengevat – aan dat zij altijd de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. In de periode dat [eiseres] in Suriname woonde, behoorde Suriname tot het Koninkrijk der Nederlanden. Daarnaast heeft [eiseres] net als iedere andere Nederlander gewerkt en premies afgedragen. [eiseres] vindt dat zij ten onrechte ongelijk behandeld wordt ten opzichte van iedere staatsburger die binnen het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is geboren en die daarom niet gekort wordt op het pensioen.
Beoordeling
4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de Svb [eiseres] terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW in de periode van [periode] omdat zij in Suriname woonde.
5. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is verzekerd voor de AOW degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en in Nederland woont of werkt. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene degene die in Nederland woont.
6. Tot 1 januari 1990 was in artikel 2 van de AOW opgenomen dat ingezetene in de zin van deze wet is degene die in het Rijk woont. Artikel 6, eerste lid, aanhef en sub b, van de AOW bepaalde tot 1 januari 1990 dat verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die de leeftijd van 15 jaar en nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij geen ingezetene is, doch ter zake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Vanaf 1 januari 1990 zijn in alle artikelen van de AOW, waaronder de twee voornoemde, de woorden “het Rijk” vervangen door “Nederland”.
7. Het beroep van [eiseres] dat er een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar woonplaats, slaagt niet. Voor het begrip verzekerde in de AOW is niet de nationaliteit van belang, maar het ingezetenschap. Voor de beperking van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen tot in beginsel ingezetenen, bestaat volgens de Hoge Raad een toereikende objectieve rechtvaardiging.Daarbij is het zo dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), in navolging van de Hoge Raad, onder het begrip Rijk – zoals tot 1 januari 1990 in de AOW was opgenomen – moet worden verstaan het Rijk in Europa. De rechtbank verwijst wat betreft de verhouding en taakverdeling tussen Nederland en Suriname naar onder meer de uitspraak van de Raad van 1 april 2016. Daarin is – onder verwijzing naar parlementaire behandeling van de positie van ingezetenen van Suriname voorafgaand aan de onafhankelijkheid van dit land – overwogen dat de staatkundige relatie tussen Nederland en Suriname tot gevolg heeft gehad dat Suriname steeds verantwoordelijk is geweest voor zijn eigen socialezekerheidsstelsel. De Nederlandse overheid is daarom voor de jaren dat personen in Suriname hebben gewoond niet verantwoordelijk voor het pensioen. Ook de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in haar brief van 5 oktober 2017 in reactie op vragen uit de Tweede Kamer geantwoord geen mogelijkheid te zien voor een speciale regeling voor de niet volledige AOW-opbouw van Nederlandse (voormalig) ingezetenen van Surinaamse herkomst.Het betoog dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid kan, gelet hierop, niet slagen.
8. Ten aanzien van het betoog van [eiseres] op de zitting dat het bij uitstek aan de rechter is om in dergelijke gevallen te oordelen of er sprake is van aantasting van een fundamenteel recht of onderscheid op onaanvaardbare grond, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen. Over de vraag of er sprake is van een niet gerechtvaardigd onderscheid tussen ingezetenen van het Rijk en ingezetenen van het overzeese Rijksdeel Suriname, heeft de Raad en ook de Hoge Raad meermaals geoordeeld.
9. Ten aanzien van het betoog van [eiseres] dat de feiten en omstandigheden in haar zaak niet hetzelfde zijn als in andere zaken, overweegt de rechtbank dat de rechtbank de onderhavige feiten en omstandigheden heeft beoordeeld.
10. Ook heeft [eiseres] ter zitting gewezen op het rapport van de Commissie Gelijke Behandeling van 11 januari 2007 en aangevoerd dat de Svb aan cherry picking doet, omdat zij wel van het oordeel gebruik maakt om te wijzen op de gerechtvaardigdheid van de ingezeteneneis, maar niet vermeldt dat er door de Staat op geen enkele wijze uitvoering is gegeven aan het advies van het College Gelijke Behandeling om de nadelen van deze eis te verzachten en aan de positie van de verzoekers (in algemene termen) tegemoet te komen.
11. Of de wetgever al dan niet uitvoering heeft gegeven aan een deel van het advies van het College gaat het bestek van deze procedure te buiten. De rechtbank verwijst ten overvloede naar voornoemde brief van de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 oktober 2017 waarin onder meer is vermeld dat, voor zover het ingezetenen betreft wiens inkomen vanaf de AOW-leeftijd lager is dan het sociaal minimum, zij middels een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) het inkomen kunnen aanvullen tot het sociaal minimum. Deze voorziening kunnen zij aanvragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), aldus de brief.
12. Tot slot heeft [eiseres] ter zitting aangevoerd dat zij ten onrechte nooit is geïnformeerd dat zij gekort zou worden op haar pensioen. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat volgens [eiseres] het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Als zij van tevoren had geweten dat zij twee jaren gekort zou worden, had zij die korting willen kunnen aanvullen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van [eiseres] , bestond er voor de Svb geen informatieverplichting over voor AOW-pensioen niet-verzekerde jaren. Dit kan daarom niet aan de Svb worden tegengeworpen.
Conclusie
13. De rechtbank is van oordeel dat de Svb het AOW-pensioen van [eiseres] terecht heeft gekort met 4%. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9203.
HR 25 maart 1959, BNB 1959/162.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8822, rechtsoverweging 3.4.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1225.
Kenmerk 2017-0000157748.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8822, rechtsoverweging 3.3.
Oordeelnummer 2007-4.
Zie de uitspraak van de Raad van 9 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8539, rechtsoverweging 4.3.