Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-01-22
ECLI:NL:RBAMS:2019:471
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,452 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummers: 13/090943-16 (A) en 13/152510-17 (B) (Promis)
Datum uitspraak: 22 januari 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2019.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.S. Kamphuis naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
Zaak A
1.
hij op of omstreeks 7 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] heeft mishandeld door die [persoon 1] een of meermalen met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, te stompen en/of te slaan;
2.
hij op of omstreeks 30 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 2] heeft mishandeld door die [persoon 2] met kracht een of meermalen tegen een been te schoppen;
3.
hij op of omstreeks 30 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 3] heeft mishandeld door die [persoon 3] meermalen, althans eenmaal met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of lichaam, te stompen en/of te slaan;
Zaak B
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 02 juli 2017 tot en met 14 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of een kunstwerk en/of een stoel(poot) en/of een magnetron, in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 4] en/of [persoon 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (met) voornoemde goederen (omver/in) te gooien en/of door (met een glas, althans een voorwerp) tegen voornoemde goederen te slaan/trappen/gooien.
3Voorvragen
3.1
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor het in zaak B ten laste gelegde en overweegt daartoe het volgende.
Vast staat dat de aangeefster [persoon 4] de moeder van verdachte is. Op grond van artikel 353 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is artikel 316, tweede lid, Sr van toepassing op het misdrijf van artikel 350, eerste lid, Sr. Dit houdt in dat als een dader de bloed- of aanverwant in de rechte linie is van degene tegen wie de vernieling is gepleegd, de vervolging alleen plaatsvindt op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Het dossier bevat geen klacht van aangeefster dat zij vervolging voor dit feit wenst.
Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde is de officier van justitie wel ontvankelijk.
3.2
De overige voorvragen
De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Beoordeling
De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat de in zaak A ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2
De bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Een overzicht van de bewijsmiddelen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
ten aanzien van feit 1
op 7 januari 2016 te Amsterdam [persoon 1] heeft mishandeld door die [persoon 1] meermalen met kracht in het gezicht te slaan;
ten aanzien van feit 2
op 30 april 2016 te Amsterdam [persoon 2] heeft mishandeld door die [persoon 2] met kracht éénmaal tegen een been te schoppen;
ten aanzien van feit 3
op 30 april 2016 te Amsterdam [persoon 3] heeft mishandeld door die [persoon 3] meermalen, met kracht, in het gezicht te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
De officier van justitie heeft zich op basis van de bevindingen van de deskundigen op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de officier van justitie dient er geen maatregel in een strafrechtelijk kader te volgen.
De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte in het bijzonder acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 24 juli 2017, waarin over hem is gerapporteerd door dr. [persoon 6] arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van dr. [persoon 7] , kinder- en jeugdpsychiater. Zij hebben geconcludeerd dat ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis en een aandachtstekort- en hyperactiviteitsstoornis. Tevens lijdt hij aan een ziekelijke stoornis, geclassificeerd als schizofrenie en een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. Deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft het gedrag van verdachte beïnvloed ten tijde van het ten laste gelegde. Daarom is geadviseerd om verdachte voor het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
De rechtbank neemt deze conclusie over en volgt dit advies. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en de aanleiding van de bewezen geachte feiten, waarbij ten gevolge van de stoornissen en het gebruik van alcohol en/of cocaïne sprake is van waanachtig, impulsief en gewelddadig gedrag tegen willekeurige mensen. Dit past in het beeld van verdachte dat geschetst wordt in het psychiatrisch rapport. Tot slot weegt de rechtbank mee, dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten in het kader van een rechterlijke machtiging op grond de Wet BOPZ was opgenomen in een psychiatrische kliniek.
De bewezen geachte feiten kunnen verdachte, gelet op genoemde factoren, wegens een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet worden toegerekend. Verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte, op grond van artikel 37 Sr, een maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Hoewel bovengenoemd rapport een dergelijke opname adviseert, geeft het rapport tegelijkertijd aan dat gepoogd moet worden om betrokkene zo snel mogelijk in een begeleid-wonen-constructie te plaatsen met een ambulante behandeling. Hoewel het rapport ouder is dan één jaar ziet de rechtbank geen aanleiding een nieuw onderzoek te laten doen, omdat verdachte - geheel in de lijn van het rapport - nu een ambulante behandeling ondergaat bij Inforsa, die goed lijkt aan te slaan, en omdat er vanuit Inforsa inspanningen worden geleverd om zo snel mogelijk een begeleid-wonen-plek voor hem te vinden.
8De benadeelde partijen
8.1.
Ontvankelijkheid
De officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden, omdat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen ontvankelijk zijn en dat een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd. Met ingang van 1 januari 2014 is door middel van een wetswijziging artikel 36f lid 1 Sr aangepast, waardoor het niet alleen mogelijk is om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen als er een straf wordt opgelegd, maar ook als er een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 Sr wordt opgelegd. Deze "technische wijziging" tot uitbreiding van het toepassingsbereik van artikel 36f Sr is in het belang van het slachtoffer, door oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ook mogelijk te maken als een verdachte van alle rechtsvervolging wordt ontslagen wegens - kort gezegd - ontoerekeningsvatbaarheid. De bedoeling van de wetgever, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I, 2012/13, 33 295, C, p. 4-5), is om ontoerekeningsvatbaarheid geen beletsel te laten zijn voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat ook als er geen maatregel wordt opgelegd, het mogelijk is om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.2
Ten aanzien van zaak A onder 1. : vordering [persoon 1]
(hierna: [persoon 1] ) vordert € 31,84 aan materiële-schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 7 januari 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
Vaststaat dat aan [persoon 1] door het onder 1. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 7 januari 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [persoon 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat verdachte jegens [persoon 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 31,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening.
8.3
Ten aanzien van zaak A onder 2. : vordering [persoon 2]
(hierna: [persoon 2] ) vordert € 500,- aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 30 april 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
De vordering is niet betwist.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het in zaak B ten laste gelegde.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
zaak A
ten aanzien van feit 1, 2 en 3
mishandeling, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte voor het in rubriek 5 onder feit 1, 2 en 3 bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 1]
Wijst de vordering van , toe tot € 31,84 (éénendertig euro en vierentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 7 januari 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [persoon 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 31,84 (éénendertig euro en vierentachtig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 7 januari 2016, tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 2]
Wijst de vordering van , toe tot € 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 30 april 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] .
Bepaalt dat benadeelde partij [persoon 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [persoon 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] , € 300,- (driehonderd euro aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 30 april 2016, tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 6 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 3]
Wijst de vordering van toe tot € 439,50 (vierhonderdnegenendertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 30 april 2016, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] .
Bepaalt dat benadeelde partij [persoon 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [persoon 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] , € 439,50 (vierhonderdnegenendertig euro en vijftig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 30 april 2016, tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 9 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. M.E.A. Nijssen, E. van der Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2019.
[...]
[...]
[...]
ECLI:NL:HR:2015:3203