Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-12-17
ECLI:NL:RBAMS:2019:10061
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,804 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/5774
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2019 in de zaak tussen
[verzoekers] , te Amsterdam, verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van den Berg).
Als derde-partij/vergunninghouder heeft aan het geding deelgenomen: Elio B.V, te Zandvoort
(gemachtigden: A.G. Keislair en R. Bos).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van balkons en een dakterras met daktoegangopbouw op de [adres] te Amsterdam.
Bij besluit van 20 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep (AMS 19/5777) ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Namens verzoekers zijn verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder op de zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigden.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het bestreden besluit
2.1
Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van balkons en een dakterras met daktoegangopbouw op de [adres] te Amsterdam. Op de gronden waar de balkons moeten komen, geldt op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ de bestemming ‘Tuin’. Balkons vallen niet onder die bestemming. Verweerder heeft, ondanks de strijd met het bestemmingsplan, de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid toegepast en een omgevingsvergunning verleend.
2.2
Verweerder heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De omwonenden zullen geen onevenredig nadeel ondervinden van de balkons en er zijn geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen te verwachten. De aanvraag voldoet aan de criteria die omschreven staan in hoofdstuk 6.6 en 6.9 van de Welstandsnota ‘De Schoonheid van Amsterdam’ die balkons aan de achtergevel over de gehele breedte van het pand toestaat.
Standpunt verzoekers
3.1
Verzoekers zijn directe buren van de [adres] . Zij zijn het niet eens met de verleende vergunning. Op zich hebben zij geen bezwaren tegen de balkons, maar het plaatsen van de balkons over de hele breedte van de gevel en de diepte van twee meter is niet in lijn met de welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam (hierna: de welstandsnota). Het project voldoet aan geen van de geldende erfgoedcriteria uit de welstandsnota. Voor gevels grenzend aan de openbare ruimte, in dit geval park [naam 5] , geldt immers als uitgangspunt dat handhaving en herstel van het oorspronkelijk stedenbouwkundig concept. Veranderingen hierin zijn in geringe mate slechts denkbaar als deze overeenstemmen met de oorspronkelijke karakteristiek. Hierin past het niet om balkons van de vergunde grootte toe te staan.
3.2
Verder heeft verweerder de belangen van verzoekers onvoldoende - althans niet kenbaar – meegewogen. Het is niet duidelijk welke belangen zijn gewogen die tot de conclusie hebben geleid dat er geen sprake is van onevenredig nadeel voor omwonenden. Verzoekers zullen wel evident privaatrechtelijke belemmeringen ondervinden door de aanzienlijke beperking van lichtinval en de inkijk die de diepe balkons geven in de woningen van verzoekers. Met betrekking tot dit laatste punt beroepen verzoekers zich op artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek en een arrest van het gerechtshof Amsterdam.
Standpunt verweerder
4.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat, reeds omdat het bestemmingsplan expliciet voorziet in de mogelijkheid af te wijken ten behoeve van balkons tot een diepte van twee meter, er dan weinig ruimte bestaat om andere belangen mee te laten wegen. De binnenplanse afwijkingsmogelijkheid impliceert dat bij het opstellen van het bestemmingsplan al een belangenafweging is gemaakt. Als de aanvraag voldoet aan de afwijkingsmogelijkheid en niet in strijd is met een goede ruimtelijke onderbouwing, moet de gevraagde vergunning worden verleend.
4.2
Er is geen strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken geen onevenredige afbreuk wordt gedaan en evidente privaatrechtelijk belemmeringen niet zijn te verwachten. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft verweerder gemotiveerd dat bewoners van stedelijke gebieden een zeker verlies van lichtinval en aantasting van privacy moeten aanvaarden. Het project is ambtelijk getoetst aan de standaardcriteria ‘veel voorkomende kleine bouwplannen’ zoals genoemd in de welstandsnota en voldoet daar volgens het advies aan.
Oordeel van de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat verweerder bevoegd is om met toepassing van artikel 27 van de planregels af te wijken van het bestemmingsplan. Wanneer verweerder ervoor kiest om af te wijken van het bestemmingsplan, is dat een keuze die maar in beperkte mate aan een rechterlijke beoordeling is onderworpen. De rechter kan slechts ingrijpen als sprake is van een beslissing waartoe verweerder bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen, of waarbij een ander wettelijk voorschrift of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.
6.1
De voorzieningenrechter zal zich eerst buigen over de vraag of verweerder de juiste welstandstoets heeft toegepast. Hiervoor is van belang dat op grond van de Waarderingskaart architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit op het perceel [adres] sprake is van een hoge stedenbouwkundige waardering aan de voorzijde (straatzijde) (zone A) en matige kwaliteit van de bebouwing (orde 3). Op grond van de Waarderingskaart 19de-eeuwse ring gelden dan de volgende criteria:
“Op de waarderingskaarten wordt de architectonische kwaliteit van de bebouwing in een opklimmende waardering aangegeven met basisorde, orde 3, orde 2 en orde 1. (…)
Omdat het niet alleen om het individuele gebouw gaat, maar ook om stedenbouwkundige samenhang, is ook aan de stedenbouw een waardering gegeven, oplopend van basiszone naar zone 3, zone 2 en zone 1. Door de combinatie van deze twee waarderingssystemen kan genuanceerd naar een bepaalde bebouwing worden gekeken.
Orde 3
Dit zijn karakteristieke bouwwerken met architectonische en/of stedenbouwkundige meerwaarde.
Voor de aanpak van voorgevels en gevels grenzend aan openbaar gebied geldt als uitgangspunt het handhaven en herstellen van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. Veranderingen hierin zijn in geringe mate denkbaar als deze overeenstemmen met de oorspronkelijke karakteristiek.
Voor achtergevels geldt: redelijke eisen van welstand.”
6.2
Verzoekers betogen dat sprake is van een gevel ‘grenzend aan openbaar gebied’, omdat de gevel waaraan de balkons worden geplaatst grenst aan het openbare park [naam 5] . Verweerder heeft het project niet aan het daarbij geldende uitgangspunt getoetst.
6.3
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat een ambtelijke matrix bestaat voor veel voorkomende kleine bouwplannen zoals balkons. In dit geval is sprake van het toevoegen van een verandastructuur aan de achterzijde. Dit is al eerder gebeurd bij een ander pand in hetzelfde huizenblok aan de [straat] , dat ook grenst aan [naam 5] . Dat plan is destijds aan een gewogen oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) onderworpen. De CRK en de welstandscoördinator zijn beiden van oordeel dat sprake is van een achterzijde en dat welstandelijk gezien geen sprake is van een gevel die grenst aan openbaar gebied. Omdat de verandastructuur aan de [straat] trendsetter is, geldt het onderhavige bouwplan als een plan dat een trendsetter volgt. Plannen die gelijk zijn aan een trendsetter voldoen in vergelijkbare situaties ook aan redelijke eisen van welstand. Dit kan en is dan ook op eenvoudige wijze aan welstandseisen getoetst en vergund. Het advies luidt dat het toevoegen van een verandastructuur aan de achterzijde vanuit welstandsoordeel akkoord is.
6.4
De voorzieningenrechter constateert dat onder het kopje orde 3 expliciet staat vermeld dat voor achtergevels redelijke eisen van welstand gelden. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat in dit geval een trendsetter kan worden gevolgd en dat alleen een ambtelijk welstandsoordeel volstaat.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit in beroep waarschijnlijk standhouden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding te bepalen dat een bouwstop moet worden ingelast tot de uitspraak op het beroep.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’
Artikel 14 Tuin
14.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
b. groenvoorzieningen.
14.2
Bouwregels
14.2.1
Algemeen
Op en onder de in lid 14.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming (…).
Artikel 18 Wonen
18.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. woningen, al dan niet in combinatie met praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis, in alle bouwlagen inclusief bijzondere bouwlagen;
alsmede:
b. een kantoor op de eerste bouwlaag, ter plaatse van de aanduiding "kantoor";
c. een sportschool / fitness inclusief bijbehorende ondergeschikte horeca, uitsluitend daar waar deze rechtmatig aanwezig was op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
met bijbehorende:
d. tuinen en erven;
e. groenvoorzieningen;
f. speelvoorzieningen;
g. parkeervoorzieningen;
h. verblijfsgebied;
i. nutsvoorzieningen;
j. afvalinzamelingssystemen;
k. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
l. bergingen en andere nevenruimten.
18.2
Bouwregels
18.2.1
Algemeen
Op en onder de in lid 18.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming (…).
Artikel 27 Algemene afwijkingsregels
1. Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels ontheffing kan worden verleend, dan kan het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de desbetreffende regels van dit bestemmingsplan, ten behoeve van:
(…)
e.de in het plan aangegeven bestemmings- of bouwgrenzen met ten hoogste 2 meter mag worden overschreden ten behoeve van uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, erkers, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen.
2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend als enig aangrenzend terrein of gebouw in een toestand wordt gebracht die strijdig is met de bepalingen van het plan en/of de verwezenlijking van de bestemming volgens dit plan, of de handhaving van de verwerkelijkte bestemming overeenkomstig het plan, onmogelijk maakt en dit niet door het stellen van voorwaarden aan de afwijking kan worden voorkomen. Voorts dient de stedenbouwkundige waarde van de omgeving te zijn gewaarborgd.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
(..)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
(…).
ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0268.
Uitspraak van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985.
Hoofdstuk 6.6 en 6.9.
Beschikbaar op www.crk.amsterdam.nl/welstandsnota/criteria-erfgoed/waarderingskaart_19deeeuwse_ring.
Zie ECLI:NL:RVS:2019:523.