Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2018-11-06
ECLI:NL:RBAMS:2018:7873
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/2738 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2018 in de zaak tussen 1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] , 3. [eiser 3] ., 4. [eiser 4] (gemachtigde: mr. J.H. Tonino) en de korpschef van politie, namens deze de politiechef van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. R.P. Nijssen). Procesverloop Bij brief van 3 augustus 2017 heeft verweerder het verzoek van eisers tot inzage in over hen geregistreerde politiegegevens deels ingewilligd. Met het besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder verwijzing naar de brief van 3 augustus 2017, meegedeeld ten aanzien van welke gegevens inhoudelijke kennisneming mogelijk is en van welke gegevens niet. Eisers hebben tegen het bestreden besluit rechtstreeks beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2018. Van de zijde van eisers waren aanwezig [eiser 1] en [eiser 2] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder was tevens aanwezig [naam] . Overwegingen Wat aan de procedure voorafging 1. Op 24 februari 2017 hebben eisers aan verweerder een verzoek gedaan in de zin van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg) om opgave te doen van alle eisers betreffende politiegegevens die enige verwerking hebben ondergaan alsmede op te geven of de deze personen betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en aan wie. 2. Op 3 augustus 2017 heeft verweerder het verzoek deels toegewezen onder toezending van een overzicht van de registraties en meldingen waarin informatie over de genoemde personen is verwerkt. Verweerder schreef dat hij over een deel van de gegevens op dat moment geen inzage verleende en kennisneming weigerde. Deze afwijzing werd gebaseerd op artikel 27, eerste lid, onder a, van de Wpg. Hiertegen hebben eisers geen bezwaar gemaakt. 3. Nadat eisers daadwerkelijk kennis wilden nemen van de gevraagde gegevens en verweerder hiertoe hadden benaderd, onder meer bij brief van 1 december 2017, heeft verweerder eisers bij het bestreden besluit, onder verwijzing naar de brief van 3 augustus 2017, een overzicht verstrekt van de gegevens waarvan inhoudelijke kennisneming mogelijk is en van welke gegevens niet. Verweerder verwees naar artikel 27, eerste lid, van de Wpg. Wettelijke regelgeving 4. De relevante wettelijke bepalingen zijn in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen. Bevoegdheid en ontvankelijkheid 5. Op grond van artikel 25 van de Wpg moet verweerder iemand op diens schriftelijke verzoek meedelen of, en zo ja welke, hem betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wpg – zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit – geldt een beslissing op zo een verzoek als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is afdeling 7.1 van de Awb daarop niet van toepassing. Eiser heeft terecht rechtstreeks beroep bij de rechtbank ingesteld zonder eerst bezwaar te maken. 6. De rechtbank is met partijen van oordeel dat alle eisers ontvankelijk zijn in hun beroep en alle voldoende belang hebben bij dit beroep. De rechtspersonen die eisende partij zijn in deze procedure zijn in dit geval zozeer herleidbaar tot een natuurlijke persoon, dat zij belanghebbende zijn bij het verzoek. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel 7. Eisers voeren aan dat zij, gelet op de brief van 3 augustus 2017, erop mochten vertrouwen dat zij volledige inzage zouden krijgen in hun persoonsgegevens. Hiervan mag verweerder niet zomaar terugkomen. Er is volgens eisers geen sprake van een foutief besluit. Verweerder voert aan dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Op 3 augustus 2017 zijn eisers erover geïnformeerd welke registraties er waren en zijn zij uitgenodigd voor een De rechtbank oordeelt dat het delen van informatie door verweerder buiten de strafrechtketen niet automatisch meebrengt dat deze informatie vervolgens ook met eisers moet worden gedeeld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de vraag of gegevens met derden mogen worden gedeeld en de vraag of eisers een recht op kennisneming toekomt los van elkaar staan. Op deze vragen zijn verschillende toetsingskaders van toepassing. Er is geen algemene regel die meebrengt dat informatie ook met eisers moet worden gedeeld indien deze informatie buiten de strafrechtketen wordt gedeeld, zoals met het RIEC Amsterdam of met het Bureau TRACK. 12. De rechtbank verwerpt de stelling van eisers dat door het delen van informatie buiten de strafrechtketen het belang aan de goede uitoefening van de politietaak is komen te vervallen. De informatie is immers gedeeld onder oplegging van geheimhouding zoals bedoeld in artikel 7 van de Wpg. De informatie is dus niet algemeen bekend geworden. De omstandigheid dat kennelijk nog geen BIBOB-procedure is gevolgd, staat daar los van. Slotsom 15. Niet is komen vast te staan dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft en dat het niet in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. de Rijke, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Bijlage: de relevante wettelijke bepalingen Artikel 7, tweede lid, van de Wpg: 2. De persoon aan wie politiegegevens zijn verstrekt is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht of zijn taak daartoe noodzaakt. Artikel 25 van de Wpg: 1. De verantwoordelijke deelt een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt. De verantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale of landelijke eenheden van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. 2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld over het verzoek en de wijze van kennisneming. Artikel 27 van de Wpg: 1. Een verzoek, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van: a. de goede uitvoering van de politietaak; b. de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden; c. de veiligheid van de staat. 2. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats. Artikel 29 van de Wpg: 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 28 geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. […] Artikel 7:1 van de Awb: 1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: […] g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins i