Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2018-06-25
ECLI:NL:RBAMS:2018:4723
Civiel recht
proces-verbaal RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/649936 / KG ZA 18/654 FB/AB Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 25 juni 2018 in het kort geding van [eiser] ,wonende te [woonplaats] , eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 21 juni 2018, advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te Den Haag, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag. Tegenwoordig zijn mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, en mr. A. Bank-Buijs, griffier. Na uitroeping van de zaak verschijnen eiser, hierna te noemen [eiser] en [naam 1] , met mr. Schuckink Kool. Namens gedaagde, hierna te noemen de Staat is verschenen mr. C.J. van Aert (officier van justitie) met mr. Engels. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en over en weer het woord gevoerd, onder meer aan de hand van de door mr. Schuckink Kool en mr. Engels overgelegde pleitnotities die aan het dossier zijn toegevoegd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p lid 3 Rv dit proces-verbaal opgemaakt. De voorzieningenrechter heeft de volgende uitspraak gedaan. De gronden van de beslissing Ontvankelijkheid De Staat heeft allereerst betoogd dat [eiser] te laat is met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding en de vorderingen van [eiser] reeds op die grond niet voor toewijzing in aanmerking komen. Dit betoog treft geen doel. Het College van procureurs-generaal heeft op 30 november 2010 een beleidsbrief opgesteld over het voorlopig te volgen beleid bij voorgenomen strafrechtelijke ontruimingen. Deze beleidsbrief is gepubliceerd op 2 december 2010 in de Staatscourant (Stcrt. 2010, nr. 19500). In de beleidsbrief is onder meer vermeld dat een ontruiming door of namens het Openbaar Ministerie (OM) schriftelijk bij de bewoners van het te ontruimen pand wordt aangekondigd, tenzij sprake is een van de in de brief genoemde uitzonderingsgevallen. In de aankondiging wordt vermeld dat de ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de aankondiging (eventueel met vermelding van de voorgenomen ontruimingsdatum), maar niet binnen de eerste zeven dagen van die termijn, teneinde de krakers in de gelegenheid te stellen binnen die zeven dagen een kort geding aanhangig te maken. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880, NJ 2013/153, kort gezegd geoordeeld dat met de in deze brief genoemde beleidsregels, voldoende wordt voorzien in een effectieve rechtsbescherming van het huisrecht van de krakers. Indien tijdig een kort geding aanhangig wordt gemaakt, zal in beginsel het vonnis van de voorzieningenrechter moeten worden afgewacht. Uit het arrest van de Hoge Raad valt echter niet af te leiden dat de in dit verband door het OM te stellen termijn fataal is in die zin dat na ommekomst daarvan, niet meer kan worden opgekomen tegen de aangekondigde ontruiming. De gewenste effectieve bescherming van het huisrecht van de krakers wordt immers niet bereikt door het OM de bevoegdheid te geven om de krakers een fatale (dagvaardings)termijn te stellen waarin de wet niet voorziet. Die bevoegdheid is weggelegd voor de wetgever, niet voor het OM. Het verweer van de Staat dat [eiser] te laat was met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding, wordt daarom gepasseerd. Strafrechtelijke ontruiming Het gaat in deze zaak om de beoordeling van een aangekondigde strafvorderlijke ontruiming van een gekraakt pand op last van het OM. Het gekraakte pand is gelegen aan [adres] te Amstelveen en is eigendom van Leid Vast II B.V. en [naam 2] (hierna: de eigenaren). [eiser] is één van de bewoners (hierna: de krakers) van het pand. Ter inleiding van die beoordeling dient dat voldoende aannemelijk is dat de krakers, althans zij die in het gekraakte pand vertoeven, zich maatschappelijk in een zeer moeilijke positie bevinden. Zij zijn uit de landen waarin zij woonden vertrokken en naar Nederland gereisd niet uit weelde, maar omdat zij naar hun mening thuis in bedreigende omstandigheden verkeren. Eenmaal in Nederland beland, zijn zij niet erin geslaagd een status als asielzoeker te verkrijgen. In feite zwerven zij thans rond van kraakpand naar kraakpand, zonder veel uitzicht op verbetering. Het recht op eigendom wordt echter, als fundamenteel recht, in Nederland zowel door het burgerlijk recht als door de Grondwet, en bovendien door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermd. Deze bescherming kan ook langs strafrechtelijke weg worden afgedwongen. Nog vrij kort geleden, in oktober 2010, is het nieuwe artikel 138a Sr in werking getreden waarin, na een uitvoerige maatschappelijke discussie, niet alleen wederrechtelijk binnendringen, maar ook wederrechtelijk vertoeven in (kort gezegd) een gekraakt pand, strafbaar is gesteld. Aan deze strafbaarstelling is door de wetgever niet alleen de bescherming van het recht van de eigenaar van de woning of het gebouw ten grondslag gelegd, maar ook het belang van de openbare orde bij het voorkomen van kraken, en het voorkomen van strafbare feiten in het algemeen. Het openbaar ministerie is belast met de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Mede op de voet van het artikel 551a Sv is het daarom in beginsel bevoegd de onder zijn gezag gestelde politie opdracht te geven over te gaan tot de strafrechtelijke ontruiming van een gekraakt pand, mits het de krakers in de gelegenheid heeft gesteld de rechtmatigheid van de voorgenomen ontruiming door de onafhankelijke rechter te laten beoordelen, bijvoorbeeld in kort geding. Voor de uitoefening van de aan OM en politie verleende ontruimingsbevoegdheid is niet een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter noodzakelijk (aldus uitdrukkelijk rov 3.2.2, slot, van het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880, NJ 2013/153). Anders dan in de dagvaarding is betoogd is het OM/de Staat niet gehouden zich tevoren tegenover de krakers te verantwoorden met betrekking tot de gronden waarop het in een concreet geval gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot strafvorderlijke ontruiming. Wel is het zo dat ook aan krakers van een woning bescherming toekomt in hun door artikel 12 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde huisrecht. De wetgever heeft echter binnen de grenzen van de hem toekomende “margin of appreciation”, in overeenstemming met artikel 8 EVRM, geoordeeld dat de hiervoor bedoelde wettelijke bevoegdheid tot strafrechtelijke ontruiming een legitiem doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Het gebruik van deze ontruimingsbevoegdheid moet evenwel, kort gezegd, de proportionaliteitstoets kunnen doorstaan. Weliswaar zal het belang van de eigenaar doorgaans het zwaarst wegen, maar niet uitgesloten kan worden dat, gelet op de zeer ernstige inbreuk op het huisrecht en de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming, het belang van de krakers in het concrete geval, bijvoorbeeld voor beperkte tijd, toch zwaarder weegt, aldus de Hoge Raad in zijn voormelde arrest van 28 oktober 2011. De bewijslast van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden die in het concrete geval tot een andere (dan door de wetgever gemaakte) afweging zouden moeten leiden, ligt niet bij de Staat, maar bij de krakers. Het zijn immers de krakers die zich beroepen op de aanwezigheid van omstandigheden die een uitzondering op de in abstracto in het voordeel van – in dit geval – de eigenaren gemaakte belangenafweging rechtvaardigen. In het concrete geval dienen met name de volgende belangen te worden afgewogen. De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorziening, compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. mr. A. Bank-Buijs mr. F.B. Bakels