Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2018-01-25
ECLI:NL:RBAMS:2018:391
Strafrecht; Europees strafrecht
Raadkamer
2,008 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752011-17
RK-nummer: 17/7297
Datum uitspraak: 25 januari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 oktober 2017 (ontvangen op 10 november 2017) door het Openbaar Ministerie van Osnabrück (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L.G. Bögemann, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 28 september 2017 uitgevaardigd door de Rechtbank Nordhorn (parketnummer 5 Gs 830 Js 19040/17 (163/17).
De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek wegens het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland negen strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De raadsvrouw heeft betoogd dat de feiten 1 tot en met 5 niet in redelijkheid zijn aangekruist als het lijstfeit oplichting omdat het civielrechtelijke kwesties betreft. Er is niet vermeld dat de opgeëiste persoon enige kunstgreep of een andere oplichtingshandeling heeft gepleegd.
Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Alleen in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Daarbij is niet de kwalificatie, die een uitvaardigende justitiële autoriteit aan een feit geeft, van belang, maar de omschrijving van het feitencomplex. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een evidente tegenstrijdigheid. Niet ongebruikelijk is dat strafbare feiten, in het bijzonder oplichting, een civielrechtelijke component kunnen hebben, maar dat levert nog geen vervolgingsuitsluitingsgrond op. Het door de raadsvrouw opgeworpen verweer dat de feiten op grond van artikel 326 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (oplichting) niet strafbaar zouden zijn, wordt door de rechtbank dan ook verworpen (zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 28 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7387).
Het verweer wordt daarom verworpen. De feiten vallen op de lijst onder nummer 20, te weten:
Oplichting.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
In het kader van de garantie als bedoeld in artikel 6 eerste lid, van de OLW (zie paragraaf 6 van deze uitspraak) moeten de feiten wel naar Nederlands recht strafbaar zijn.
In haar uitspraak van 17 januari 2017 (ECLI: NL:RBAMS:2017:312), waarnaar ook de officier van justitie heeft verwezen, heeft de rechtbank overwogen dat voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid de overeenstemming relevant is tussen de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, en de omschrijving van het strafbare feit overeenkomstig Nederlands recht. De rechtbank moet dan ook nagaan of die feitelijke elementen, als zij zouden hebben plaatsgevonden in Nederland, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft (vgl. HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza), ten aanzien van artikel 7, derde lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ).
De feitelijke elementen houden in dat de Duitse uitvaardigende autoriteiten in het EAB en het bijgeleverde arrestatiebevel onder meer hebben aangegeven dat het om beroepsmatige oplichting gaat, dat de opgeëiste persoon zich met een medeverdachte heeft voorgedaan als een tot betaling bereid zijnde klant terwijl het van tevoren gepland was om de verschuldigde bedragen niet te betalen. Bovendien hebben zij bij het uitvoeren van feiten 7 tot en met 9 een valse naam opgegeven. Op grond van deze elementen zouden de feiten ook naar Nederlands recht op grond van artikel 326 Wetboek van Strafrecht vervolgd en strafrechtelijk bestraft kunnen worden, omdat zij de bestanddelen van dit artikel vervullen.
5Onschuldverweer
Voor de feiten 6 tot en met 9 heeft de opgeëiste persoon ter zitting een onschuldverweer gevoerd. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, en 7 van de OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Openbaar Ministerie in Osnabrück voor het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2018 .
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
[A/B/C]