Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-20
ECLI:NL:RBAMS:2017:9580
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM afdeling privaatrecht Vonnis van 20 december 2017 in de gevoegde zaken zaaknummer / rolnummer: C/13/623378 / HA ZA 17-137 (hierna: de verzetzaak) de stichting STICHTING VOOR ISLAMITISCH SOCIAAL CULTUREEL EN MAATSCHAPPELIJK WERK , gevestigd te Amsterdam, opposante, advocaat mr. O.J. Hennis te Amsterdam, tegen 1. de stichting STICHTING FELICITY , gevestigd te Amsterdam, 2. de stichting STICHTING SAPIENTIA , gevestigd te Amsterdam, 3. de stichting STICHTING 'T KINDERHARTJE , gevestigd te Amsterdam, geopposeerden, advocaat mr. R.M. Berendsen te Amsterdam, en zaaknummer / rolnummer: C/13/623555 / HA ZA 17-148 (hierna: de derdenverzetzaak) 1 [eiser sub 1 in derdenverzet] , wonende te [woonplaats] , 2. [eiser sub 2 in derdenverzet] , wonende te [woonplaats] , 3. [eiser sub 3 in derdenverzet] , wonende te [woonplaats] , opposanten, advocaat mr. O.J. Hennis te Amsterdam, tegen 1. de stichting STICHTING FELICITY , gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. R.M. Berendsen te Amsterdam, 2. de stichting STICHTING SAPIENTIA , gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. R.M. Berendsen te Amsterdam, 3. de stichting STICHTING 'T KINDERHARTJE , gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. R.M. Berendsen te Amsterdam, 4. de stichting STICHTING VOOR ISLAMITISCH SOCIAAL CULTUREEL EN MAATSCHAPPELIJK WERK , gevestigd te Amsterdam, advocaat eerst mr. R.M. Berendsen (die zich aan de verdere behandeling heeft onttrokken), thans mr. O.J. Hennis te Amsterdam, geopposeerden. Stichting voor Islamitisch Sociaal Cultureel en Maatschappelijk Werk zal hierna Stichting ISMW worden genoemd. Stichting Felicity, Stichting Sapientia en Stichting ’t Kinderhartje zullen hierna gezamenlijk de Bevriende Stichtingen worden genoemd. [eiser sub 1 in derdenverzet] , [eiser sub 2 in derdenverzet] en [eiser sub 3 in derdenverzet] zullen hierna gezamenlijk de Overige Bestuurders worden genoemd. 1 De procedure In de verzetzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 januari 2017; de akte overlegging producties, met producties; het tussenvonnis van 22 maart 2017. In de derdenverzetzaak 1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 januari 2017, met producties; de incidentele conclusie tot voeging ex art. 222 Rv van Stichting ISMW (vertegenwoordigd door mr. Berendsen) en de Bevriende Stichtingen; de antwoordconclusie van Stichting ISMW (vertegenwoordigd door mr. Hennis) en de Overige Bestuurders; het vonnis in incident van 8 maart 2017; het tussenvonnis van 22 maart 2017. In beide zaken 1.3. Het verloop van de procedure blijkt voorts uit: de akte houdende uitlating ontvankelijkheid van Stichting ISMW (vertegenwoordigd door mr. Berendsen) en de Bevriende Stichtingen; de antwoordakte van Stichting ISMW (vertegenwoordigd door mr. Hennis) en de Overige Bestuurders; het proces-verbaal van comparitie van 23 oktober 2017 en de daarin vermelde stukken; de brief van 7 november 2017 van mr. Hennis. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten In beide zaken 2.1. De statuten van Stichting ISMW luid(d)en met ingang van 12 augustus 1986, voor zover hier van belang: Doel. Artikel 2. De stichting heeft ten doel: a. de bevordering en het (doen) geven van onderwijs; b. de bevordering van het sociaal en cultureel-maatschappelijk werk; c. de verwerving en het beheer van moskeeën en andere gebedsruimten;d. de coördinatie van de werkzaamheden van verschillende rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden;e. het organiseren van conferenties en kampen, ten behoeve van in Nederland wonende moslims. Middelen om tot het doel te geraken. Artikel 3. De stichting streeft haar doel onder meer na: a. door de verwerving en het beheer van schoolgebouwen, het bestrijden van analfabetisme, het geven van voorlichting en hulp aan groepen en individuele moslims over de manier waarop en waardoor in de Nederlandse samenleving, met inachtneming van de voorschriften uit de Koran en Hadith, geleefd kan worden, onder andere in maatschappelijke conflictsituaties, Het bestuurslidmaatschap eindigt voor benoemde leden door (…) een bestuursbesluit. Een bestuursbesluit over het einde van het bestuurslidmaatschap kan slechts worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derden der geldig uitgebrachte stemmen. De stem van het bestuurslid ten aanzien waarvan wordt gestemd telt daarbij niet als uitgebrachte stem. 5. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. Verschillende hoedanigheden kunnen in één persoon worden verenigd. 2.6. Eveneens op 18 april 2011 hebben [naam 1] senior, [naam 2] en [naam 3] namens Stichting ISMW met elk van de Bevriende Stichtingen een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 5 lid 2 van de in de akte van notaris Berger opgenomen (opnieuw vastgestelde) statuten van Stichting ISMW. In de considerans van elk van die overeenkomsten is vermeld dat Stichting ISMW aan de betrokken gebruiker één bestuurszetel beschikbaar stelt. Het bestuur van de Bevriende Stichtingen wordt gevormd door neven en zonen van [naam 1] senior. 2.7. Bij vonnis van 20 april 2011, gewezen in de zaak tussen de Overige Bestuurders als eisers en onder anderen [naam 1] senior en Stichting ISMW als gedaagden, heeft deze rechtbank (onder meer) voor recht verklaard dat de Overige Bestuurders, tezamen met [naam 1] senior, het rechtsgeldig bestuur vormen van Stichting ISMW. 2.8. In het dossier bevindt zich een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 22 september 2016. Deze uitspraak betrof een beroep van [naam 1] senior als appellant tegen de Kamer van Koophandel als verweerster en de Overige Bestuurders als derde-partij. Het beroep was gericht tegen het besluit van de Kamer van Koophandel om de inschrijving van de Bevriende Stichtingen in het handelsregister als bestuurders van Stichting ISMW ongedaan te maken. Bij de uitspraak van 22 september 2016 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven dit beroep ongegrond verklaard. 2.9. Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van 20 april 2011 (in zoverre) bekrachtigd. Dat arrest heeft kracht van gewijsde gekregen. 2.10. Bij exploot van 10 oktober 2016 hebben de Bevriende Stichtingen, woonplaats kiezende ten kantore van mr. Berendsen, Stichting ISMW gedagvaard om op 19 oktober 2016 te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank. Dat exploot, dat op het adres [adres] te Amsterdam is betekend aan [naam 1] senior, luidt, voor zover hier van belang: DOEL VAN DE PROCEDURE: (…) De vordering (…) 3. Eisers hebben ieder sinds 18 april 2011 een gebruiksovereenkomst met ISMW (…). In de considerans van de gebruiksovereenkomst staat expliciet opgenomen dat gedaagde een bestuurszetel beschikbaar stelt voor de gebruiker. 4. Eisers maken thans nog steeds gebruik van een verdieping van de onroerende zaak van gedaagde. 5. Ofschoon eisers sinds 18 april 2011 steeds feitelijk hebben deelgenomen aan bestuursvergaderingen en ook gebruik hebben gemaakt van hun stemrechten, blijkt dat zij in het handelsregister van de kamer van koophandel niet als zodanig zijn ingeschreven. De overige leden van het bestuur weigeren in te stemmen met inschrijving van eisers in het handelsregister als bestuurder, als gevolg waarvan eisers zich naar derden toe niet kunnen legitimeren als bestuurders van gedaagde. 6. Eisers vorderen dan ook een verklaring voor recht ex art. 3:302 BW dat zij lid zijn van het bestuur van gedaagde en veroordeling van gedaagde om opgave te doen aan het handelsregister van het feit dat zij bestuurders zijn. (…) DE EIS: Op grond van deze argumenten vorderen eisers dat uw rechtbank voor recht verklaart dat eisers lid zijn van het bestuur van gedaagde en dat uw rechtbank gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan het handelsregister van de kamer van koophandel te Amsterdam opgave te doen van het feit dat eisers sedert 18 april 2011 bestuurders zijn van ge Bij e-mailbericht van 10 januari 2017 hebben de Overige Bestuurders, voor zover hier van belang, aan [naam 4] geschreven: Tot onze grote verbazing en ontzetting ontvingen wij gisteravond om 20.01 uur uw e-mail, waaraan een scan van een voor ons onbekend verstekvonnis d.d. 30 november 2016 was gehecht. Wij moeten het er vooralsnog voor houden dat de verstekprocedure door de heer [naam 1] tezamen met Stichting Felicity, Stichting Sapientia en Stichting ’t Kinderhartje (de “Stichtingen”) is georkestreerd met het enige vooropgezette doel om ons als bestuurders van Stichting ISMW op de vanavond (…) te houden “bestuursvergadering” (met opzet tussen aanhalingstekens) te ontslaan, en de overige geagendeerde “besluiten” te nemen. Ik wijs u erop dat enig rechtsgeldig benoemingsbesluit van de Stichtingen ontbreekt. Het moet er dus voor nu dus voor gehouden worden dat – los van de verklaring van recht in het verstekvonnis – de Stichtingen dus nog altijd geen bestuurders van Stichting ISMW. Uw “uitnodiging” d.d. 4 januari 2017 voor de “bestuursvergadering” is dan ook zonder rechtsgevolg. Enige besluiten die vanavond genomen zouden worden blijven derhalve non-existent. 2.19. De notulen van de vergadering die [naam 1] senior, [naam 4] namens Stichting Felicity, [naam 5] namens Stichting Sapientia en [naam 6] namens Stichting ’t Kinderhartje op 10 januari 2017 hebben gehouden, luiden, voor zover hier van belang: 1 Opening De voorzitter opent om 18:30 uur de vergadering. Hij constateert dat de heren [eiser sub 1 in derdenverzet] , [eiser sub 2 in derdenverzet] en [eiser sub 3 in derdenverzet] niet aanwezig zijn, ofschoon zij wel de uitnodiging met de agenda hebben ontvangen. Dat blijkt onder andere uit een e-mailbericht van die drie heren van 6 januari 2017 aan de overige bestuursleden. De vergadering besluit dat de heer [naam 4] aantekening zal maken van hetgeen wordt besproken en dat de agenda moet worden uitgebreid met de rondvraag. 2 Bespreking gevolgen vonnis 30 november 2016 De bestuursleden Felicity, Sapientia en ’t Kinderhartje hebben kennis genomen van de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 22 september 2016 en besloten om aan de rechtbank Amsterdam een verklaring voor recht te vragen dat zij met ingang van 18 april 2011 lid zijn van het bestuur van ISMW. Bij vonnis van 30 september 2016 is de vordering van deze (…) bestuursleden toegewezen. Het vonnis is op 2 december 2016 aan ISMW in persoon betekend. Het is inmiddels onherroepelijk geworden en inmiddels heeft de voorzitter uitvoering gegeven aan de veroordeling om tot inschrijving van Sapientia, Felicity en ’t Kinderhartje als bestuurders over te gaan. De Kamer van Koophandel heeft de opgaven in behandeling. 3. Bekrachtiging voor zover nodig van de besluiten die hebben geleid tot het aangaan van de Gebruiksovereenkomsten met de stichtingen Sapientia, Felicity en ’t Kinderhartje. De drie stichtingen menen dat onzekerheid bestaat over de vraag of de besluiten van ISMW in 2011 rechtsgeldig zijn en dat zij daarom belang hebben bij bekrachtiging van die besluiten. Het gaat om de besluiten die hebben geleid tot het sluiten van de gebruiksovereenkomsten tussen ISMW en de drie stichtingen. Het bestuur bekrachtigt vervolgens met algemene stemmen voor zover nodig de bestuursbesluiten die hebben geleid tot het aangaan van de Gebruiksovereenkomsten van 18 april 2011 met de stichtingen Sapientia, Felicity en ’t Kinderhartje. 4. Bekrachtiging voor zover nodig van de besluiten die hebben geleid tot wijziging van de statuten. Op verzoek van de drie stichtingen bekrachtigt het bestuur met algemene stemmen voor zover nodig ook het besluit van 18 april 2011 tot wijziging van de statuten. Het bestuur geeft volmacht aan de voorzitter om alles te doen dat nodig is om die statuten voor zover nodig te deponeren bij het handelsregister. 5. Ontslag voor zover vereist van de bestuursleden [eiser sub 3 in derdenverzet] , [eiser sub 1 in derdenverzet] en [eiser sub 2 in derdenverzet Het verstekvonnis dient in dat licht te worden gezien. Dat vonnis (en de gang van zaken daaromheen) is het resultaat van een door [naam 1] senior en de Bevriende Stichtingen gezamenlijk voorbereid en uitgevoerd plan om de bedoelde strijd definitief in het voordeel van [naam 1] senior (en daarmee in het nadeel van de Overige Bestuurders) te beslechten. De Overige Bestuurders zijn door [naam 1] senior en de Bevriende Stichtingen opzettelijk in onwetendheid gelaten over de aan [naam 1] senior betekende dagvaarding die tot het verstekvonnis heeft geleid (hierna: de verstekdagvaarding), het in het gebouw aan de [adres] te Amsterdam achtergelaten herstelexploot, de verstekzaak, het verstekvonnis en het aan [naam 1] senior betekende betekeningsexploot. De verstekdagvaarding is, naar de Bevriende Stichtingen wisten, onjuist en onvolledig. Over de – toch bepaald relevante – voorgeschiedenis wordt met geen woord gerept. Het verstekvonnis berust dientengevolge eveneens op onjuiste en/of onvolledige gronden, aldus steeds Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) en de Overige Bestuurders. 3.6. De Bevriende Stichtingen voeren verweer. In de derdenverzetzaak 3.7. Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) heeft haar aanvankelijke (door mr. Berendsen verwoorde) verweer laten varen. 4 De beoordeling In beide zaken 4.1. De Bevriende Stichtingen hebben geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het – in kracht van gewijsde gegane – vonnis van 23 september 2009 of tegen hetgeen is beslist in het vonnis van 20 april 2011 en het arrest van 26 augustus 2014. De rechtbank neemt dan ook tot uitgangspunt dat het bestuur van Stichting ISMW vanaf juli 2000 heeft bestaan uit [naam 1] senior en de Overige Bestuurders. In de verzetzaak De ontvankelijkheid 4.2. De Bevriende Stichtingen voeren allereerst aan dat Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) niet tijdig verzet heeft gedaan. 4.3. De rechtbank overweegt dat artikel 143 lid 1 Rv bepaalt dat de gedaagde die bij verstek is veroordeeld daartegen verzet kan doen. Artikel 143 lid 2 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is. 4.4. Het verstekvonnis is op 2 december 2016 betekend aan [naam 1] senior, statutair bestuurder van Stichting ISMW, in persoon. Die betekening heeft, gelet op artikel 50, eerste volzin, Rv, op zichzelf te gelden als betekening aan Stichting ISMW in persoon. Dat zou betekenen dat Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) te laat verzet heeft gedaan. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval echter aanleiding de aanvang van de verzettermijn te bepalen op 10 januari 2017 (hetgeen betekent dat Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) tijdig verzet heeft gedaan). Alvorens op de bedoelde omstandigheden in te gaan, wijst de rechtbank erop dat de Hoge Raad in zijn arresten van 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4936, 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341 en 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154 enkele regels heeft geformuleerd over de toepassing van de wettelijke regels betreffende de verzettermijn. Die door de Hoge Raad geformuleerde regels betreffen zowel de wettelijke regels van vóór 1 januari 2002 als de wettelijke regels van daarna. Zij komen erop neer dat het belang van de oorspronkelijke eiser bij het onherroepelijk worden van het verstekvonnis dient te worden afgewogen tegen het belang van de oorspronkelijke gedaagde om van zijn kant de zaak aan de rechter te kunnen voorleggen, terwijl het belang van de oorspronkelijke eiser niet in zoverre de voorrang mag krijgen dat het recht van de oorspronkelijke gedaagde op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. Als sprake is van een dergelijke aantasting kan de oorspro Hetzelfde geldt voor de door de Bevriende Stichtingen gestelde omstandigheid dat zij vanaf 18 april 2011 hebben deelgenomen aan vergaderingen van het bestuur van Stichting ISMW en dat zij tijdens die vergaderingen hebben gestemd. Zij kunnen dat niet als leden van het bestuur van Stichting ISMW hebben gedaan. Ook punt 4 van de notulen van de vergadering van 10 januari 2017 tot slot is aldus op juridisch drijfzand gebouwd. 4.7. Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) vordert veroordeling van de Bevriende Stichtingen tot terugbetaling van al hetgeen Stichting ISMW ter uitvoering van het verstekvonnis aan hen heeft voldaan, met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele voldoening. Deze vordering is – zonder nadere toelichting en onderbouwing die ontbreekt – te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. 4.8. Het gevorderde sub (i) en (ii) ligt voor toewijzing gereed. 4.9. Op de proceskosten zal hierna, onder 4.14 en 4.15, worden ingegaan. In de derdenverzetzaak 4.10. Artikel 376 Rv luidt: “Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest”. 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank stellen de Overige Bestuurders terecht dat het verstekvonnis hun rechten benadeelt in de zin van de zojuist geciteerde bepaling. De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen hiervoor (in de verzetzaak) onder 4.6 is overwogen. De rechtbank voegt hieraan toe dat het een elementaire regel van rechtspersonenrecht is dat de organen van een rechtspersoon zich hoe dan ook houden aan de statuten (hetgeen in het onderhavige geval niet is geschied). Reglementaire statutaire bestuurders als de Overige Bestuurders hoeven geen vermeende statutaire bestuurders als de Bevriende Stichtingen naast zich te dulden wier positie niet op de statuten kan worden gebaseerd. Dat geldt eens te meer waar die vermeende statutaire bestuurders besluiten (pogen te) nemen die zijn voorbehouden aan de reglementaire statutaire bestuurders en die bovendien rechtstreeks gericht zijn tegen die reglementaire bestuurders (zoals de Bevriende Stichtingen op 10 januari 2017 hebben gedaan). 4.12. Het primair gevorderde ligt voor toewijzing gereed. 4.13. Op de proceskosten zal hierna, onder 4.16 en 4.17, worden ingegaan. Reële proceskostenveroordeling? In de verzetzaak 4.14. Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) vordert veroordeling van de Bevriende Stichtingen in haar reële proceskosten. De rechtbank heeft voor die vordering wel enig begrip. De gang van zaken rond het verstekvonnis is een weinig verheffende. Niettemin dient deze vordering naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen. Niet, althans niet voldoende, gesteld of gebleken is dat de Bevriende Stichtingen geheel en al zelfstandig hebben besloten tot de verstekzaak en alles daaromheen. Veeleer lijkt het erop dat zij zich voor het karretje van [naam 1] senior hebben laten spannen, waarbij niet kan worden uitgesloten dat zij dat hebben gedaan vanuit een goed hart voor Stichting ISMW en haar doelen en waarbij evenmin kan worden uitgesloten dat zij dat hebben gedaan zonder de (mogelijke) gevolgen voor met name de Overige Bestuurders goed tot zich te laten doordringen. 4.15. De Bevriende Stichtingen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de aan de zijde van Stichting ISMW (vertegenwoordigd door de Overige Bestuurders) gevallen proceskosten. Deze worden, berekend aan de hand van het liquidatarief, begroot op EUR 716,31 aan verschotten (griffierecht EUR 619,00; dagvaarding EUR 97,31) en EUR 904,00 aan salaris advocaat (twee punten, tarief II), in totaal EUR 1.620,31. De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld. In de derdenverzetzaak 4.16. De Ove