Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-08
ECLI:NL:RBAMS:2017:9156
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 5191732 CV EXPL 16-19973 vonnis van: 8 december 2017 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, nader te noemen: [eiseres] , gemachtigde: voorheen mr. W.F. Heemskerk, thans S. Hu, t e g e n de besloten vennootschap T-Mobile Netherlands B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, gedaagde, nader te noemen: T-Mobile , gemachtigde: mr. J.M.K.P. Cornegoor. VERLOOP VAN DE PROCEDURE dagvaarding van 20 juni 2016 met producties; antwoord met producties; instructievonnis; repliek met producties; dupliek met producties; akte uitlating producties van [eiseres] ; dagbepaling pleidooi; pleidooi tevens comparitie van partijen; dagbepaling vonnis. Het pleidooi tevens comparitie van partijen, heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Voor [eiseres] is verschenen de gemachtigde. Namens T-Mobile is [naam] verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Mr. Cornegoor heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Partijen zijn vervolgens gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Hu heeft een pleitnota overlegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast: 1.1. [eiseres] heeft op 22 augustus 2012 een Smart plus 300 telefoonabonnement bij T-Mobile afgesloten voor de duur van 24 maanden. Bij het abonnement is een HTC One S telefoon begrepen. In de overeenkomst staat vermeld dat de prijs van de telefoon € 0,00 bedraagt. De aansluitkosten bedroegen € 30,00, de abonnementskosten € 39,95 per maand en voor de eerste 12 maanden was een korting van 50% van toepassing. 1.2. De abonnementsprijs is na afloop van de 24 maanden niet gewijzigd. 1.3. [eiseres] heeft de maandelijkse facturen altijd tijdig betaald. 1.4. [eiseres] heeft haar telefoonabonnement op 17 september 2014 opgezegd. 1.5. De overeenkomst is op 17 oktober 2014 geëindigd. 1.6. Bij e-mail van 12 maart 2016 aan T-Mobile heeft [eiseres] onder meer de nietigheid, dan wel vernietiging van haar telefoonabonnement Smart Plus 300 ingeroepen, omdat door T-Mobile de bepalingen ten aanzien van informatieverplichtingen uit artikel 7:61 lid 2 BW niet voldoende in acht zijn genomen. 1.7. Op 17 maart 2016 schrijft T-Mobile aan [eiseres] onder meer: De huidige uitspraak van de Hoge Raad heeft betrekking tot abonnementen die nu nog lopen of in dit kalenderjaar afliepen. Verder is er geen aparte bepaling in de uitspraak van de Hoge Raad opgenomen die aangeeft dat deze uitspraak uitvoering kan hebben op abonnementen die volgens Algemene Consumenten Recht op het gebied van verjaren verjaard zijn. (…) Vordering en verweer 2. [eiseres] vordert dat T- Mobile veroordeeld zal worden tot betaling van € 305,92 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2016, en de proceskosten. Tevens vordert [eiseres] te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen T-Mobile en [eiseres] tot levering van een mobiele telefoon aan [eiseres] nooit van kracht is geworden, of, voor zover deze wel van kracht is geworden, dat deze overeenkomst nietig is. 3. Aan deze vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij een telefoonabonnement met een all-in prijs voor abonnement, mobiele telefoon en kredietkosten heeft afgesloten bij T-Mobile. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:236, [naam 1] /X) geoordeeld dat de door de consument te betalen kooprijs voor de mobiele telefoon in de overeenkomst afzonderlijk moet worden bepaald en dat aan die eis niet is voldaan wanneer een all-in prijs is bepaald. De tussen partijen gesloten overeenkomst vermeldt slechts een all-in prijs en dat is in strijd met de wettelijke eisen van het consumentenkrediet en de koop op afbetaling. [eise Volgens T-Mobile is aan de vereisten van artikel 7A:1576 lid 2, alsook aan de vereisten van een kredietovereenkomst zonder rente of kosten voldaan, omdat de prijs en de waarde van het telefoontoestel is bepaald in de overeenkomst. De overeengekomen prijs is immers € 0,00 en de waarde van het telefoontoestel is € 438,00. Daarmee is voldoende bepaald wat de omvang is van de door de consument verschuldigde termijnen die betrekking hebben op het telefoontoestel. 9. Hoewel in onderhavige overeenkomst een koopprijs is genoemd van € 0,00 staat vast dat in de overeengekomen abonnementskosten een bedrag aan afbetaling van de telefoontoestel is verwerkt. Het voorfinancieren van een telefoontoestel betekent immers dat het geleverde toestel door de consument, in dit geval [eiseres] , aan T-Mobile moet worden terugbetaald, hetgeen door T-Mobile ook niet wordt betwist. Daarbij komt dat het op nul stellen van een prijs onder deze omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoet aan het bepalen van de prijs als bedoeld in artikel 7A:1576 lid 2 BW. T-Mobile heeft [eiseres] niet uitdrukkelijk geïnformeerd dat de geleverde telefoon moest worden terugbetaald en in de overeenkomst staat niet vermeld welk deel van de overeenkomst ziet op terugbetaling van het voorgefinancierde telefoontoestel. De overeenkomst vermeldt alleen een all-in prijs. Dat in de factuur tevens een waarde van € 438,00 is genoemd, maakt dat niet anders, nu ook in de factuur de prijs is genoemd van € 0,00. 10. Nu in de overeenkomst enkel een all-in prijs is bepaald, is niet voldaan aan de vereisten van artikel 7A:1576 BW lid 2 en artikel 7:61 lid 2 BW, zodat dit deel van de overeenkomst niet van kracht is geworden. Het aldus verstrekken van onjuiste informatie over de prijs wordt bovendien aangemerkt als een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193b BW. Oneerlijke handelsprakijken zijn onrechtmatig (artikel 5 lid 1 en 4 van de Richtlijn) en dienen effectief te worden bestreden (HvJ EU 19 september 2013, EU:C:2013:574, HvJ EU 16 april 2015, ECLI:EU:C:2015:225). Dat [eiseres] door vermelding van de waarde van de telefoon in de overeenkomst en de looptijd van de overeenkomst eenvoudig in staat zou zijn geweest om te achterhalen welke betalingen van [eiseres] strekte tot afbetaling van de mobiele telefoon, is, zo dit al mogelijk zou zijn, niet relevant (HvJ EU 16 april 2015, ECLI:EU:C:2015:225 r.o.54.). 11. Het gevolg hiervan is dat de overeenkomst voor zover die ziet op het toesteldeel niet van kracht is geworden op grond van artikel 7A:1576 lid 2 BW, hetgeen in ieder geval tot gevolg heeft dat [eiseres] een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling heeft op T-Mobile.Naar het oordeel van de kantonrechter is dit een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige sanctie op het niet voldoen aan de consument beschermende informatieverplichtingen, welke tot doel hebben de consument te beschermen, met name tegen overkreditering. (r.o. 3.4.2. Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385). Dat het ingrijpende en kostbare gevolgen heeft voor T-Mobile als meerdere consumenten een vordering als de onderhavige tegen haar instellen, kan niet tot een ander oordeel leiden. 11. T-Mobile beroept zich verder op verjaring. Nu de overeenkomst voor het toesteldeel zoals hiervoor is overwogen, niet van kracht is geworden, heeft [eiseres] een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling. Deze verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Ook indien wordt uitgegaan van de ingangsdatum van onderhavige overeenkomst was deze vordering nog niet verjaard ten tijde van de dagvaarding. Daarmee behoeft het debat over de vraag of de verjaringstermijn vanaf de datum van de totstandkoming van de overeenkomst is gaan lopen, dan wel vanaf het arrest van de Hoge Raad