Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-07
ECLI:NL:RBAMS:2017:9104
beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/634965 / HA RK 17-261 Beschikking van 7 december 2017 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. R.S. de Vries te Amsterdam, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KIJKSHOP B.V. , gevestigd te Amsterdam, verweerster, advocaat mr. N.E.W. van Dijkman te Amsterdam. Partijen worden hierna [verzoeker] en Kijkshop genoemd. Natuurlijke personen worden hierna – na hun introductie – met hun achternaam aangeduid. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2017, met producties; - de brief van mr. De Vries van 2 augustus 2017, met productie 4A; - de tussenbeschikking van 21 september 2017, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; - het verweerschrift, met producties; - de brieven van mr. De Vries van 17 oktober 2017 (2x) en 18 oktober 2017, respectievelijk met producties 30 t/m 32, 33 en 34; - het e-mailbericht van mr. Van Dijkman van 18 oktober 2017, waarin hij bezwaar maakt tegen het indienen van producties 32 en 33 door mr. De Vries; - het e-mailbericht van de rechtbank van 18 oktober 2017, met reactie op het bezwaar. Op 19 oktober 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze zitting hebben mr. De Vries en mr. Van Dijkman spreekaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] is sinds 2007 werkzaam als zelfstandig interim-manager. 2.2. Kijkshop is een onderneming in de retailbranche. 2.3. In maart 2015 zijn de aandelen in Kijkshop overgenomen door [naam vennootschap] , via LPCA Kijk Holding AB (hierna: LPCA of de aandeelhouder), een vennootschap naar Zweeds recht. Het management van deze vennootschap werd gevormd door [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] en [naam 2] zijn ook de eigenaren van [naam vennootschap] . LPCA is bestuurder van Kijkshop. 2.4. In 2016 heeft LPCA Kijk UP opgericht als zustervennootschap van Kijkshop. Kijk UP kocht vanaf dat moment goederen in bij de leveranciers om deze vervolgens aan Kijkshop in consignatie te verkopen. De Zweedse investeerders achter LPCA, onder wie [naam 1] en [naam 2] (hierna: de Zweedse investeerders), hebben vervolgens € 7 miljoen in Kijk UP geïnvesteerd. De intellectuele eigendomsrechten worden gehouden door een andere dochter van LPCA, Kijk IP. LCPA, Kijkshop, Kijk IP en Kijk Up worden hierna samen de Kijkgroep genoemd. 2.5. In de zomer van 2016 is [verzoeker] door een door Kijkshop daartoe ingeschakelde Executive Search firma benaderd voor de positie van Chief Operating Officer (hierna: COO) van Kijkshop. 2.6. Met [verzoeker] heeft aantal sollicitatiegesprekken plaatsgevonden. In deze gesprekken bleek dat Kijkshop op zoek was naar een COO op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd, en niet, zoals [verzoeker] gewend was, in opdracht en op interim-basis. 2.7. In deze gesprekken is de financiële situatie van Kijkshop aan de orde gekomen. Ter sprake is gekomen, zoals Kijkshop het zelf in haar verweerschrift heeft omschreven, dat, zoals [verzoeker] ook bekend was, de retailmarkt niet floreerde en dat ook Kijkshop zich daardoor in financieel slecht weer bevond, en dat het aan [verzoeker] was, dan in zijn hoedanigheid van COO van Kijkshop, om het tij te keren zodat Kijkshop binnen twee jaar verkocht zou kunnen worden. 2.8. Kijkshop was niet bereid het salarisequivalent van € 336.000,- te betalen van het tarief dat [verzoeker] hanteerde als interimmanager op opdrachtbasis. In plaats daarvan deed Kijkshop [verzoeker] het aanbod van een vast jaarsalaris van € 168.000,- bruto en een bonusregeling van € 168.000,- bruto per jaar, gebaseerd op nader vast te stellen doelstellingen, alsmede een “verkoopbonus” (onder voorwaarden) te betalen na twee jaar. Met dit voorstel heeft [verzoeker] uiteindelijk ingestemd. 2.9. Een e-mailbericht van [verzoeker] aan [naam 1] van 7 september 2016 lui Op 23 november 2016 hebben [naam 1] , [naam 2] en [naam IT advisor] de door hen geformuleerde visie en missie voor Kijkshop met [verzoeker] besproken in aanwezigheid van de externe facilitator. [naam IT advisor] en de externe facilitator lichtten daarbij ook een eigen plan toe, een op ‘Marktplaats’ geënt concept met een ‘social selling app’. 2.19. Eveneens eind november 2016 heeft [verzoeker] in het wekelijkse overleg aan [naam 2] verzocht om bij de Zweedse investeerders van Kijkshop aan te dringen op het beschikbaar stellen van een tijdelijke lening aan Kijkshop van € 1 miljoen om voor de belangrijke verkoopmaand december een grotere voorraad te kunnen inkopen. Dit verzoek wees [naam 2] onmiddellijk af met de mededeling dat de Zweedse investeerders hiertoe niet bereid zouden zijn. 2.20. Op 5 december 2016 zijn [naam 1] en [naam 2] akkoord gegaan met het verzoek van [verzoeker] om, met de eerder geformuleerde visie en missie als uitgangspunt, zelf met zijn MT de strategie te formuleren (hierna: het recovery plan). 2.21. Op 22 december 2016 heeft de eerste recovery plan-sessie van het MT plaatsgevonden. [naam 1] en [naam 2] gaven daarbij presentaties. In januari en begin februari 2017 hebben vervolgsessies plaatsgevonden. Tijdens de sessie op 12 januari 2017 heeft [naam 2] ’s ochtends opnieuw een presentatie gegeven. Voor de vierde sessie in februari kwamen [naam 1] en [naam 2] met de opdracht aan het MT om met een acuut plan te komen dat Kijkshop aan het einde van het derde kwartaal EBITDA-positief zal maken. Kort daarna wordt deze opdracht aangepast naar een acuut plan dat Kijkshop al in de maand mei EBITDA-positief zal doen zijn. 2.22. Een e-mailbericht van [naam 2] aan [verzoeker] , [naam CFO] (CFO) en cc aan [naam 1] van 17 januari 2017 luidt – voor zover hier relevant – als volgt. “ [verzoeker] , These drivers (especially the ones for Feb) show a total lack of ambition and they don’t even make sense in relation to the trend curves of the current/ MTD results. (..) I don’t understand at all what’s going on here. We are currently performing better than last year, despite having 14 less stores, the stock level is higher and what is more important; the stock quality is higher. We don’t have any critical issues with suppliers, like we had at this time last year. The working capital in the group is intact. There’s a competent and tuned in management team in place and strategic initiatives have been planned and initiated. How can all of this lead to the projections delivered to us by business control this morning? (..).” 2.23. Op 7 februari 2017 heeft [verzoeker] in aanwezigheid van het MT een eerste versie van het recovery plan aan [naam 1] en [naam 2] gepresenteerd. [verzoeker] begon zijn presentatie met de unanieme conclusie van het MT dat het recovery plan weliswaar tot winstgevendheid zou leiden, maar dat dit niet al in de maand mei het geval zou zijn. [naam 1] stelde direct hierop wat Kijkshop noemt de ‘vertrouwensvraag’: hij vroeg iedereen de zaal te verlaten en slechts dan terug te keren indien zij alsnog het vertrouwen uit zouden spreken in een EBITDA-positief resultaat van Kijkshop in de maand mei. De helft van het MT keerde na de pauze terug, [verzoeker] en twee andere MT-leden niet. 2.24. Na overleg met van [naam 2] heeft [verzoeker] op 9 februari 2017 de volgende e-mail aan [naam 1] en [naam 2] gestuurd. “Dear [naam 2] and [naam 1] , Reflecting on the turbulent past two days, today we came to the following insights and decisions. [naam 1] / [naam 2] have and sometimes act in two roles, both as shareholder and as member of the Board of Kijk Holding, which is the CEO of Kijkshop. This is not clear enough to and therefore not effective for the organisation. Also not in regards to [verzoeker] role as COO. And at the other hand – like [verzoeker] – [naam 1] / [naam 2] feel the need to be more in control of Kijkshop. The three of us therefore decided to change the governance of the organisation. As of next week [naam 1] / [naam 1] en [naam 2] hebben het recovery plan vervolgens aan de Zweedse investeerders ter goedkeuring voorgelegd, samen met een door [naam IT advisor] opgestelde ‘Business Intention’, eveneens bestaande uit een nieuw IT-systeem en een digitaal ‘consumer to consumer-platform’ genaamd Tone (hierna: Tone). Zij hebben [verzoeker] over dit tweede plan niet geïnformeerd. De Zweedse investeerders hebben zich op basis van beide plannen bereid verklaard (onder voorwaarden) € 4-6 miljoen in Kijkshop te investeren. 2.30. De notulen van de bestuursvergadering van Kijkshop van 22 maart 2017, waar [naam 2] , [naam 1] en [verzoeker] aanwezig waren , luiden als volgt: “ Subject Status request for financial funding to Kijkshop, by the investors (LPCA Fund1). Background In the Road to Recovery 2017 plan the total request for additional funding amounts 3,5 MEUR. On top of it, last week it was agreed by [naam 1] [ [naam 1] , rb] and [verzoeker] to add 0,25 MEUR to that request (first tranche), to support the necessary relief of the created backlog. The total request is therefor 3,75 MEUR, timing is in the Recovery plan. Status [naam 2] [ [naam 2] , rb] commented that the contacts with the investors on the request for the cash injection are intense, and the outlook is positive; the final decision is to be expected next week. Conclusion Despite the negative cash trend forecast, the expected cash injection and the expected results of the initiatives in the Recovery plan still validate decision making based on a going concern assumption. End.” 2.31. Op 24 maart 2017 heeft [verzoeker] een filiaalmanagersdag georganiseerd. Tijdens deze dag heeft hij namens het MT en het bestuur de brede retail context en strategische visie van het MT gepresenteerd op basis van het recovery plan. [naam 1] en [naam 2] waren bij deze presentatie aanwezig. 2.32. Op maandagmiddag 3 april 2017 heeft [naam 1] aan [verzoeker] meegedeeld dat hij per direct uit zijn functie van statutair bestuurder zal worden ontheven. 2.33. Op 4 april 2017 heeft [verzoeker] twee schriftelijke uitnodigingen ontvangen: een voor een ava op 7 april 2017 (die later in overleg met [verzoeker] werd verplaatst naar 10 april 2017), met als enig agendapunt de voorlopige schorsing van [verzoeker] als statutair bestuurder, en een voor een ava op 20 april 2017, met als enig agendapunt het voorgenomen ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder. De agendapunten waren niet van een toelichting voorzien. 2.34. Op 5 april 2017 hebben [naam 1] en [naam IT advisor] het voltallige personeel van het hoofdkantoor en de voltallige ondernemingsraad geïnformeerd over de nieuwe koers van Kijkshop. In deze presentatie werd een ‘holocratisch’ besluitvormend orgaan getoond dat bestond uit [naam CFO] , [naam 1] en [naam IT advisor] . 2.35. Op 5 april 2017 heeft [verzoeker] per e-mail – voor zover van belang – het volgende aan [naam 1] geschreven: “Dear [naam 1] , due to time constraints, this letter regarding the formal invitations about the AVA’s, is unfortunately still in Dutch (..) Beste [naam 1] , Los van onze zeer gewaardeerde persoonlijke verstandhouding moet ik je een enigszins formele brief sturen. Gisteren (..) ontving ik de schriftelijke uitnodigingen voor de algemene vergadering van aandeelhouders (..) in verband met het voornemen om mij te schorsen resp. te ontslaan. Ik ben hierdoor zeer onaangenaam verrast. Ik leg je uit waarom. (..) Ik heb bij mijn benoeming de specifieke opdracht aanvaard om een turnaround bij Kijkshop te bewerkstelligen die Kijkshop weer gezond zou maken. Ik heb hieraan onder meer uitvoering gegeven door (..) het opstellen van een door de aandeelhouder goedgekeurd recovery plan. Feitelijk is dit recovery plan nog niet tot uitvoering gekomen, omdat Kijkshop ook na mijn aantreden voor diversie uitdagingen werd gesteld, waaronder het feit dat de aandeelhouder onmiddellijk na mijn aantreden is gestopt met de kapitaalinjecties die aan Kijkshop werden verstrekt. Daardoor is het management van [verzoeker] verzoekt – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: Kijkshop te bevelen tot betaling van € 336.000,- bruto, te vermeerderen met rente, primair bij wege van billijke vergoeding, subsidiair bij wege van schadevergoeding; Kijkshop te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met rente vanaf 14 dagen na de beschikking. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. [verzoeker] komt een billijke vergoeding toe op grond van artikel 7:682 lid 3 sub a en b jo 7:671 lid 1 sub e van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu er geen redelijke grond is voor de opzegging van het dienstverband van [verzoeker] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW, en de opzegging tevens het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Kijkshop. Subsidiair komt hem een schadevergoeding toe wegens strijd met goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 jo 2:8 BW (‘ good governance ’). Ter onderbouwing van zijn vorderingen wijst [verzoeker] – kort weergegeven – op het volgende. Hij is in de aanloop naar zijn indiensttreding op 14 september 2016 stelselmatig op het verkeerde been is gezet doordat [naam 1] en [naam 2] hem de juiste informatie omtrent de financiële positie van Kijkshop onthielden en hem die financiële situatie rooskleuriger voorstelden door kort gezegd aan te geven dat verwacht werd dat deze binnen afzienbare tijd zou verbeteren. Onmiddellijk na zijn aantreden staakten de Zweedse investeerders hun regelmatige investeringsinjecties plotseling. Bovendien was er vanwege allerlei omstandigheden weinig tot geen vertrouwen meer bij leveranciers. Hierdoor ontstond een buitengewoon moeizame situatie en werd het [verzoeker] meer en meer duidelijk dat een succesvolle uitvoering van zijn opdracht nagenoeg onmogelijk werd. Dit terwijl, als aan [verzoeker] de juiste financiële informatie zou zijn verstrekt, hij de opdracht niet zou hebben aanvaard, althans niet met het veel minder gunstige arbeidsvoorwaardenpakket. Een deel van dit nadeel zou met een uitgebreide bonusregeling worden gecompenseerd, maar deze bonusregeling is vervolgens niet uitgevoerd, er zijn zelfs in strijd met de contractuele afspraken geen bonusdoelstellingen vastgesteld. [verzoeker] werd tijdens zijn korte dienstverband niet gekend dan wel serieus genomen als COO doordat zijn medebestuurders [naam 1] en [naam 2] op meerdere momenten buiten hem om opereerden en/of hem acuut voor het blok zetten, in het bijzonder door begin februari 2017 een coupe te plegen in het MT, door een alternatieve strategie vast te stellen zonder [verzoeker] hierin te kennen en door een nieuw businessplan met de Zweedse investeerders af te stemmen en daarvoor goedkeuring te verkrijgen, in welk plan [verzoeker] de facto werd vervangen door [naam IT advisor] . De redenen die nu worden aangevoerd om [verzoeker] naar huis te sturen waren ten tijde van zijn aantreden al bekend. Bovendien is de strategie die [verzoeker] heeft uitgezet nauw afgestemd met en goedgekeurd door dezelfde aandeelhouder die hem heeft ontslagen. Als de aandeelhouder vond dat het herstel niet snel genoeg ging, dan zou het zorgvuldig en logisch zijn geweest om dit ten tijde van de afstemming over de te implementeren strategie op te merken en de strategie daarop aan te passen, of dit uitdrukkelijk met hem te bespreken. Dit is niet gebeurd. Door het plotselinge ontslag, zo snel na indiensttreding, lijdt [verzoeker] bovendien reputatieschade. Een en ander is vooral schrijnend omdat Kijkshop hem geen passende afvloeiingsregeling heeft geboden, aldus steeds [verzoeker] . 3.3. Kijkshop voert verweer, dat kort gezegd inhoudt dat er wel degelijk sprake is van een redelijke grond voor het ontslag van [verzoeker] in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder d (disfunctioneren) dan wel onder g (verstoorde arbeidsverhouding) dan wel onder h (verlies van vertrouwen) BW. Het feit dat [verzoeker] door het ontslag ernstige persoonlijke gevolgen ondervindt, wordt betwist, en vorm Als vermeld kan het arbeidsrechtelijke ontslag als zodanig niet worden aangevochten en hersteld (artikel 7:671 lid 1 sub e jo artikel 2:244 lid 3 BW), vanuit de gedachte dat het bevoegde orgaan (in dit geval de ava) te allen tijde de statutair bestuurder kan ontslaan en het niet aan de overheid is hierin te treden. Uit artikel 7:682 lid 3 BW kan niettemin, zo is ook voor partijen niet in geschil, worden afgeleid dat de statutair bestuurder nog wel enige arbeidsrechtelijke rechtsbescherming geniet, in de zin dat de eis van een redelijke ontslaggrond ook geldt voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een bestuurder. 4.7. Wel geldt dat een statutair directeur niet zonder meer vergelijkbaar is met een andere werknemer. Een statutair directeur heeft doorgaans een hoger ‘afbreukrisico’ dan een andere werknemer en hij is daarom, mede gezien de hiervoor geschetste bijzondere verhouding tussen de vennootschap en haar bestuurder, blootgesteld aan een groter risico om ontslagen te worden, ook wanneer hem in feite geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dit houdt verband met de omstandigheid dat de werkgever een grote beleidsvrijheid heeft om zijn onderneming zo in te richten als hij wenst. In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat hierbij reeds rekening is gehouden bij de vaststelling van arbeidsvoorwaarden, die vaak relatief gunstig zijn, zoals een hogere beloning, bonussen en een langere opzegtermijn. 4.8. Dit alles betekent dat in geval van een statutair bestuurder vrij snel zijn voldaan aan de h-grond: ‘andere (..) omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. 4.9. Echter ook om die lage drempel te halen zal de werkgever moeten aantonen althans minst genomen aannemelijk maken dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De enkele stelling van de werkgever “dat het niet meer gaat” is daarvoor onvoldoende. Het is niet zoals bij een echtscheiding zo dat als een van de echtelieden stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, dat door de rechter niet verder wordt/kan worden getoetst en dat de duurzame ontwrichting wordt aangenomen en de echtscheiding uitgesproken. Deze vergelijking gaat slechts in zoverre op dat – ook als de werkgever geen voldragen grond voor het ontslag heeft kunnen aandragen – het ontslag toch in stand blijft. 4.10. Met andere woorden, anders dan Kijkshop tegelijkertijd óók lijkt te betogen, brengt het ‘vennootschapsrechtelijke ontslag’ van [verzoeker] als statutair bestuurder niet naar zijn aard mee dat sprake is van een voldragen h-grond. Als dat het geval was, zou het artikel 7:682 lid 3 BW een zinledige bepaling zijn. Aangevoerde ontslaggronden 4.11. Kijkshop heeft (voor het eerst in het verweerschrift) de volgende gronden voor het ontslag aangevoerd: I) [verzoeker] die het vertrouwen opzegt in de door de aandeelhouder gewenste toekomst van Kijkschop tijdens de MT-vergadering op 7 februari 2017; II) het verder uitblijven van voldoende herstel van Kijkshop gedurende de aanstelling van [verzoeker] ; III) het feit dat [verzoeker] de Zweedse bestuurder en aandeelhouder niet heeft kunnen overtuigen door middel van deugdelijke plannen dat hij het tij kon keren; IV) de onhoudbare situatie binnen het door [verzoeker] samengestelde en aangestuurde MT; V) de louter negatieve houding van [verzoeker] ten opzichte van de beoogde essentiële koerswijziging van het plan ‘Tone’; VI) de impact die zijn houding had op de rest van het MT; VII) de impasse omtrent de hiërarchische verdeling tussen de bestuurders. 4.12. Dit zijn – in ieder geval op het eerste gezicht – andere ontslaggronden dan de redenen voor ontslag die zijn vermeld in het ontslagbesluit, de notulen van de ava waarin het besluit tot het vennootschapsrechtelijke en arbeidsrechtelijke ontslag van [verzoeker] is genomen (zie hiervoor onder 2.37). De in het on Deze tweede onder b genoemde grond is niet te lezen in het ontslagbesluit, en blijft om die reden verder buiten beschouwing. Wat betreft de onder a genoemde grond heeft Kijkshop tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat deze met name ziet op het wegblijven van [verzoeker] na de ‘vertrouwensvraag’ van [naam 1] en de daarop gevolgde onderbreking tijdens de MT-bijeenkomst van 7 februari 2017. 4.15.1. De rechtbank roept in herinnering (zie hiervoor onder 2.23) dat [verzoeker] tijdens de bijeenkomst van 7 februari 2017 de eerste versie van het recovery plan presenteerde, als uitkomst van gedurende enige tijd wekelijks gevoerd MT-overleg. [verzoeker] begon zijn presentatie met de unaniem door het MT gedragen conclusie dat een EBITDA-positief resultaat van Kijkshop in mei (2017) niet haalbaar was. Direct daarop, nog voordat [verzoeker] die conclusie van argumenten kon voorzien, stelde [naam 1] de meergenoemde ‘vertrouwensvraag’ en dwong [verzoeker] (en de andere MT-leden) alsnog het vertrouwen uit te spreken in iets waarin zij zelf niet geloofden. [verzoeker] heeft dit niet gedaan en is na de onderbreking niet teruggekeerd naar de bijeenkomst. 4.15.2. Van belang is dat de door [naam 1] en [naam 2] tussentijds verscherpte ambitie (streefdatum van een EBITDA-positief resultaat vanaf begin mei 2017) geen onderdeel uitmaakte van de aan [verzoeker] verstrekte opdracht bij zijn indiensttreding. Die doelstelling was namelijk om Kijkshop binnen ‘a reasonable amount of time’, die verder niet nader was omschreven, kort gezegd weer winstgevend te maken, zoals volgt uit hetgeen is besproken over de financiële situatie van Kijkshop (zie hiervoor onder 2.7) en de arbeidsovereenkomst (zie hiervoor onder 2.11). Zoals ook uit de arbeidsovereenkomst blijkt, was het de bedoeling van de investeerders (onder wie [naam 1] en [naam 2] ) om Kijkshop binnen twee jaar weer te verkopen, aan welke doelstelling ook een bonus voor [verzoeker] was gekoppeld. Het enkele feit dat het voor [naam 1] en [naam 2] ‘niet acceptabel’ was dat [verzoeker] de tussentijds verscherpte ambitie niet heeft onderschreven, en het recovery plan daarin dus ook niet voorzag, maakt – zonder nadere toelichting die ontbreekt – natuurlijk niet dat dit een (haalbare) ambitie en daarmee opdracht was die [verzoeker] moest (kunnen) waarmaken (uitvoeren) en het niet waarmaken waarvan hem kan worden tegengeworpen. Daarbij geldt ook dat [naam 1] en [naam 2] niet aannemelijk hebben kunnen maken dat en hoe enige ambitie (de verscherpte dan wel de oorspronkelijke) haalbaar was zonder de door [verzoeker] verzochte aanvullende, relatief beperkte investeringen van de aandeelhouder. Dit wringt temeer in het licht van het feit dat een veel omvangrijker investering was opgenomen in het uiteindelijk door [naam 1] en [naam 2] aan de Zweedse investeerders toegestuurde en door deze goedgekeurde reddingsplan van Kijkshop en dat de investeerders bereid waren € 4-6 miljoen in Kijkshop te investeren (zie hiervoor onder 2.30), en het feit dat eerder in de periode voor het aantreden van [verzoeker] een omvangrijke investering was gedaan (zie hiervoor onder 2.4). Tot slot moet in dit verband als onbetwist worden vastgesteld dat ook thans Kijkshop nog niet uit de rode cijfers is geraakt. 4.15.3. Duidelijk is dat de arbeidsverhouding tussen partijen door de gang van zaken op 7 februari 2017 een deuk heeft opgelopen. Maar dit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. Hiervoor is het volgende redengevend. Allereerst geldt dat niet kan worden gezegd dat dit aan [verzoeker] kan worden toegeschreven. Het was immers [naam 1] die door [verzoeker] bij aanvang van zijn presentatie ten overstaan van zijn MT te onderbreken en hem daarna niet meer ongeclausuleerd in de gelegenheid te stellen deze alsnog af te ronden, een gebrek aan vertrouwen uitsprak. Indien en voor zover sprake is v Het heeft er al met al veel van weg – zoals [verzoeker] ook heeft aangevoerd – dat Kijkshop (met [naam IT advisor] ) uiteindelijk een andere koers wilde gaan varen dan zij voor ogen had toen zij [verzoeker] aanstelde als statutair bestuurder en COO en dat Kijkshop de hiervoor besproken gronden voor ontslag heeft aangevoerd om een onwerkbare situatie (en daarmee een ontslaggrond) te creëren. Kijkshop legt – in het verweerschrift, niet in het ontslagbesluit – de meeste nadruk op haar stelling dat de uiteindelijke vertrouwensbreuk ontstond tijdens de bijeenkomst van 7 februari 2017 toen [verzoeker] niet terugkeerde in de MT-vergadering. Maar als dit de uiteindelijke en meest belangrijke reden voor ontslag was, is het als reeds overwogen onbegrijpelijk dat het daarna nog twee maanden heeft geduurd voordat tot ontslag werd besloten, zonder dat in die periode werd meegedeeld dat sprake was van een vertrouwensbreuk die mogelijk tot een einde van het dienstverband zou moeten leiden. Integendeel, in die periode werden juist afspraken gemaakt over voortzetting van de samenwerking en de invulling van de positie van COO, werd het in die bewuste MT-vergadering gepresenteerde en onder leiding van [verzoeker] opgestelde recovery plan nader uitgewerkt en vervolgens goedgekeurd door de aandeelhouder. Ontslag ernstig verwijtbaar – billijke vergoeding 4.18. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst is gedaan zonder een valide opzeggingsgrond en mitsdien in strijd met artikel 7:669 BW. Dit brengt tevens met zich dat Kijkshop ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, nu deze ernstige verwijtbaarheid reeds besloten ligt in de schending van de opzeggingsregels (zie het [naam partij] -arrest van 30 juni 2017 en de conclusie van de A-G onder 3.15). Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding is daarmee toewijsbaar. 4.19. Het ontslag is ook verwijtbaar omdat (i) de aangevoerde redenen voor ontslag niet de werkelijke reden voor het ontslag zijn, althans lijken te zijn (zie: Kamerstukken II , 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34) en (ii) de oorzaken van het volgens Kijkshop ontstane gebrek aan vertrouwen en verschil van inzicht over het te voeren beleid in belangrijke mate het gevolg zijn van de opstelling en het gedrag van ( [naam 2] en [naam 1] als vertegenwoordigers van) de aandeelhouder/werkgever. Naast hetgeen hiervoor reeds is overwogen is hiervoor het volgende redengevend. 4.19.1. Kijkshop heeft [verzoeker] voorafgaand aan zijn dienstverband onvoldoende informatie verstrekt over de (slechte) financiële situatie van Kijkshop en het gebrek aan liquiditeit/financiële middelen. Kijkshop stelt in het verweerschrift weliswaar dat [naam 1] ‘een realistisch beeld’ van de financiële situatie heeft geschetst, maar heeft daarmee niet betwist dat [naam 1] [verzoeker] tijdens de voorafgaande gesprekken heeft voorgehouden, zoals [verzoeker] stelt, dat Kijkshop ‘over twee maanden weer EBITDA-positief zou zijn’, en dat die verwachting op basis van de – [verzoeker] onbekende – cijfers zeer onrealistisch was. Bovendien heeft [verzoeker] de stelling van Kijkshop dat aan hem voorafgaand aan zijn indiensttreding wel financiële informatie heeft verstrekt [verzoeker] gemotiveerd betwist en wordt die stelling van Kijkshop in het geheel niet (met stukken) onderbouwd, integendeel (zie hiervoor onder 2.9). 4.19.2. Kijkshop heeft [verzoeker] , ondanks zijn hoedanigheid van bestuurder en COO, niet betrokken in de strategiesessies (zie hiervoor onder 2.14), die vlak na de indiensttreding van [verzoeker] plaatsvonden en die volgens Kijkshop werden gehouden omdat de behoefte bestond om op ‘meta-niveau’ na te denken over de retailmarkt en de ontwikkelingen in de maatschappij omdat de huidige LPCA-visie niet meer aansloot bij de verwachtingen van de klanten. Dit is onbegrijpelijk. Kijkshop heeft er nog op gewezen dat deze sessies zagen op de Kijkgroep en dus niet op Kijkshop alleen, maar daarin kan geen rechtvaardiging