Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-07
ECLI:NL:RBAMS:2017:9033
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/782 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen [de persoon] , te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. T. de Heer), en de burgemeester van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Klugkist). Procesverloop Met het besluit van 13 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van artikel 2.9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV) een verwijderingsbevel gegeven voor de duur van één maand voor het overlastgebied 1 [wijk] in Amsterdam. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Middels de beslissing van 8 september 2017 heeft de rechtbank het onderzoek, op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heropend. Dit om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de bevoegdheid van verweerder om een verwijderingsbevel te geven voor de duur van één maand zoals neergelegd in artikel 2.9, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, nu geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens op 30 oktober 2017 het onderzoek gesloten. Overwegingen Wettelijk kader 1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Feiten en besluitvorming verweerder 2.1. Op 18 augustus 2016 om 18.00 uur heeft verweerder eiseres op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder g, van de APV een bevel gegeven zich uit overlastgebied 1 [wijk] in Amsterdam (hierna: het overlastgebied) te verwijderen en zich gedurende 24 uur niet in dit gebied op te houden. Dit omdat eiseres zich volgens verweerder in dit overlastgebied, namelijk in [straat] , in strijd met artikel 2.21 van de APV schuldig maakte aan bedelarij. Blijkens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 18 augustus 2016 is op diezelfde datum tevens een waarschuwingskaart aan eiseres uitgereikt, waarop onder meer de volgende mededeling staat: “Indien u zich opnieuw aan een ordeverstorende gedraging schuldig maakt, kunt u een verwijderingsbevel krijgen (…) voor de duur van één maand, indien u in een periode van een jaar in totaal twee maal een beval tot verwijdering voor de duur van vierentwintig uur heeft gekregen” . 2.2. Op 2 september 2016 om 16.30 uur heeft verweerder eiseres op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder g, van de APV opnieuw een bevel gegeven zich uit het overlastgebied te verwijderen en zich gedurende 24 uur niet in dit gebied op te houden. Dit omdat eiseres zich volgens verweerder wederom in dit overlastgebied, namelijk in [straat] , in strijd met artikel 2.21 van de APV schuldig maakte aan bedelarij. 2.3. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder eiseres op grond van artikel 2.9, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV een verwijderingsbevel gegeven voor de duur van één maand – van 17 september 2016 (00.01 uur) tot en met 16 oktober 2016 (23.59 uur) – voor het overlastgebied. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres op 2 september 2016 voor de tweede keer binnen één jaar tijd een 24-uursbevel is gegeven. Verweerder heeft nu een verwijderingsbevel voor de duur van één maand gegeven, omdat ondanks de middelen die reeds zijn ingezet de gewenst De handelswijze van verweerder om op basis van de tweede gedraging van eiseres direct ook maandbevel te geven, verhoudt zich dan ook niet tot de in artikel 2.9, eerste en tweede lid, van de APV neergelegde systematiek. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de toelichting bij artikel 2.9 van de APV, waarin onder meer staat dat: “ Bij het tweede 24-uursbevel reikt de politie een schriftelijke waarschuwing uit, waarin wordt toegelicht hoe een verblijfsverbod uiteindelijk kan oplopen tot drie maanden.” Indien voor eenzelfde gedraging een tweede 24-uursbevel kan worden gegeven alsook een maandbevel, zou het conform deze toelichting uitreiken van een schriftelijke waarschuwing betekenisloos zijn. Immers, in dat geval zou een betrokkene, ondanks het in acht nemen van de uitgereikte waarschuwing, het voorkomen van een maandbevel niet meer in eigen macht hebben. Het voorgaande laat overigens onverlet dat verweerder bij een derde binnen een periode van één jaar gepleegde overtreding als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de APV, naast de bevoegdheid tot het geven van een maandbevel ook de bevoegdheid heeft een 24-uursbevel te geven, vanwege het onmiddellijk handhaven van de openbare orde. 3.5. De uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2017 , waarnaar verweerder in zijn schrijven van 14 september 2017 verwijst, maakt het oordeel zoals opgenomen onder 3.4. niet anders. De rechtbank is na bestudering van het procesdossier in deze zaak namelijk tot een gewijzigd inzicht gekomen. De stelling van verweerder dat zij beleidsvrijheid heeft om op grond van artikel 2.9 van de APV verwijderingsbevelen te geven, maakt het voorgaande ook niet anders. Het criterium dat eerst binnen een periode van één jaar tweemaal een 24- uursbevel moet zijn gegeven voordat tot het geven van een maandbevel kan worden overgegaan, is dwingend geformuleerd, zodat de aan verweerder toegekende beleidsvrijheid niet zo ver gaat dat in afwijking van dit criterium tot het geven van een maandbevel kan worden overgegaan. Beslissing rechtbank, vergoeding griffierecht en proceskostenveroordeling 4.1. Omdat de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet bevoegd was om eiseres op grond van artikel 2.9, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV een verwijderingsbevel te geven voor de duur van één maand is het beroep reeds om die reden gegrond. De overige door eiseres aangevoerde gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. 4.2. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar Awb, nu het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de totale door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.980,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter,