Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-04
ECLI:NL:RBAMS:2017:9024
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 5295976 EA VERZ 16-960 beschikking van: 4 december 2017 beschikking van de kantonrechter I n z a k e [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, nader te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. M.R. Lauxtermann, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEALTHY ENTREPRENEURS B.V., gevestigd te Utrecht, 2. de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, verweersters, afzonderlijk te noemen HE en NN gemachtigde: mr. A.K. Sjouw. VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier: - het verzoekschrift van 6 juli 2016; - de tussenbeschikking van 14 juli 2016, waarbij de zaak is verwezen naar team kanton van de rechtbank Amsterdam;- het verweerschrift met producties. Op 1 november 2016 is het verzoek mondeling behandeld. [verzoekster] en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig. Namens HE zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Namens NN is [naam 3] verschenen. Beide verweersters werden bijgestaan door hun gemachtigde. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [verzoekster] bij fax van 31 oktober 2016 nadere producties in het geding gebracht en ter zitting is nog een productie overgelegd. Partijen hebben hun stellingen nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Op verzoek van partijen is om een minnelijke regeling te beproeven de mondelinge behandeling aangehouden. Op 22 november 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet. [verzoekster] en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig, evenals mr. A. Zijlstra. Namens HE zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Namens NN is [naam 3] verschenen. Beide verweersters werden bijgestaan door hun gemachtigde. Voorafgaande aan deze zitting heeft de gemachtigde van verweersters bij fax van 21 november 2016 een productie toegestuurd. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is opnieuw aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Op 6 november 2017 is de mondelinge behandeling opnieuw voortgezet. [verzoekster] en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig, evenals mr. A. Zijlstra. Namens HE zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Namens NN is [naam 3] verschenen. Beide verweersters werden bijgestaan door hun gemachtigde. Voorafgaande aan de zitting heeft de gemachtigde van [verzoekster] op 30 oktober 2017 een fax toegestuurd. Partijen hebben nogmaals, mede aan de hand van een pleitnotitie, hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoekster] heeft ter zitting nog twee foto’s overgelegd. Vervolgens is beschikking gevraagd en is beschikking bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1.1. [verzoekster] was gehuwd met [naam 4] , geboren [geboortedatum] 1961. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren; [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] . 1.2. [naam 4] was per 1 januari 2013 in dienst getreden bij HE op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 30 juni 2013 in de functie van Directeur Business Intelligence. Naast zijn werk voor HE werkte [naam 4] in het kader van zijn opleiding tot doktersassistent 18 uur per week in de huisartsenpraktijk van zijn schoonzus [verzoekster] . 1.3. HE is in 2011 opgericht door [naam 1] en [naam 2] . Zij zijn beiden bestuurders van HE. HE zet zich in voor onbelemmerde toegang tot essentiële medicijnen en gezondheidsproducten in ontwikkelingslanden. In de periode van 30 januari 2013 tot en met 5 februari 2013 heeft [naam 2] met [naam 4] een dienstreis naar India en Bangladesh gemaakt. Vanaf 25 maart tot 4 april 2013 is [naam 4] in opdracht van HE naar Bangladesh gereisd. 1.4. In de hoofdstad van Haïti, Port-au-Prince, werkt HE samen met het bedrijf [naam bedrijf] , dat medicijnen en gezondheidsproducten distribueert door heel Haïti. Het kantoor van [naam bedrijf] is gelegen op een compound (omheinde leefgemeenschap) van de heer [naam 5] in Porte-au-Prince. Zijn zoon, [naam zoon] , is mede-eigenaar van [ Indirecte diagnostiek (…) 48 uur na de beet infecteert rabiësvirus de perifere zenuw en wordt via het zenuwstelsel het ruggenmerg en uiteindelijk het hersenweefsel bereikt (…). Op het moment dat het virus het centraal zenuwstelsel (CZS) bereikt, ontstaan de klachten en is er meestal al irreversibele schade aangericht aan het CZS. (…) Vaccinatie tegen rabiës zal beschermende neutraliserende antistoffen opwekken bij de meerderheid van de immuuncompetente personen. 7. Behandeling Er bestaat geen effectieve therapie van rabiës. In 2005 overleefde een meisje van 15 jaar klinische rabiës na behandeling met wat later bekend werd als het Milwaukee-protocol.(…) Herhaling van deze behandeling bij andere patiënten had tot nu toe geen succes. (…) 8.4.1. Beoordeling van het incident Wanneer een ongevaccineerde blootgesteld is aan een mogelijk rabide dier (…), moet in principe altijd worden gestart met postexpositiebehandeling (…). 8.4.3. Passieve immunisatie (…) Bij ongevaccineerden en immuungecompromiteerden of bij mensen waarvan de immuunstatus onbekend is, dient bij mogelijke rabiësbesmetting van type III [een of meer transdermale beten of krassen, ktr] , naast actieve immunisatie, altijd zo snel mogelijk (bij voorkeur binnen 48 uur) MARIG te worden toegediend. Er is geen wetenschappelijke grond gevonden voor een termijn na het contact met een mogelijk rabide dier waarbinnen toediening van MARIG nog zinvol is. Er bestaat hierover internationaal evenmin consensus. (…)” 1.18. Na behandeling met elementen van het Milwaukee protocol is [naam 4] op 15 juli 2013 aan de gevolgen van rabiës overleden. 1.19. HE had ten behoeve van haar werknemers bij AIG een verzekering afgesloten voor personen die in opdracht van haar zakenreizen naar het buitenland maken ten bedrage van € 250.000,00 bij overlijden. 1.20. Inmiddels heeft AIG na loonbelasting € 157.892,59 netto aan [verzoekster] overgemaakt. 1.21. HE heeft verder een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven afgesloten bij NN. 1.22. Op 20 november 2015 heeft Laumen Expertise een rapport uitgebracht, waaruit volgt dat het gederfd levensonderhoud van [verzoekster] en haar gezin na het overlijden van [naam 4] € 320.543,80 bedraagt. Het (deel)geschil 2. [verzoekster] verzoekt voor recht te verklaren dat verweerders aansprakelijk zijn te houden voor de schade door overlijden van [naam 4] en verweerders te veroordelen tot betaling van de kosten ex artikel 1019 aa lid 1 Rv. Ter zitting van 6 november 2017 hebben partijen de kantonrechter verzocht zich ook erover uit te laten of sprake is van eigen schuld. 3. Aan haar verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat [naam 4] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor HE, bij wie hij in loondienst was, is gebeten door een hond, ten gevolge waarvan hij kort daarop is overleden. HE is daarom ex artikel 7: 658 BW aansprakelijk voor de geleden schade. Subsidiair stelt [verzoekster] dat HE daarvoor aansprakelijk is omdat zij zich niet heeft gedragen als een goed werkgeefster. 4. HE en NN hebben het verzoek gemotiveerd betwist. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan. Beoordeling 5. Vaststaat dat [naam 4] in opdracht van HE naar Haïti is gereisd, alwaar hij werkte en verbleef op de compound van de familie [naam 5] . Onbetwist is gebleven dat [naam 4] op 4 mei 2013 geen werkzaamheden meer heeft verricht, maar dat hij in afwachting van zijn terugvlucht met de familie heeft ontbeten en vervolgens al fotograferend een wandeling over de compound heeft gemaakt. Tijdens deze wandeling is hij gebeten door de jonge hond. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat het ongeval niet tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd als bedoeld in artikel 7:658 BW. 6. Nu HE [naam 4] had opgedragen om zijn werkzaamheden op de compound te verrichten en aldaar ook te verblijven, heeft het verblijf op de compound wel een zodanige nauwe samenhang met deze werkzaamheden, dat gedurende zijn gehele verblijf op de co