Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-11-02
ECLI:NL:RBAMS:2017:8906
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/7717 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.J. van Rijn), en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: drs. J. Niesten). Procesverloop Bij besluit van 18 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van [eiseres] om handhavend op te treden tegen de opslag van houtskool op de locatie [adres] te Amsterdam afgewezen. Bij besluit van 1 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard. [eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam] en [naam] . Overwegingen 1. De regelgeving die van toepassing is, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 2. [eiseres] is woonachtig op de [locatie] van de [adres] te [woonplaats] . De [locatie] van het pand op dit adres wordt gebruikt voor de opslag van houtskool. Op 22 februari 2016 heeft [eiseres] verweerder verzocht handhavend op te treden tegen deze houtskoolopslag, omdat volgens haar sprake is van een brandonveilige situatie. 3. Verweerder heeft het verzoek tot handhaving afgewezen. Op basis van de waarnemingen van toezichthouders en een advies van de brandweer heeft verweerder geconcludeerd dat de houtskool geen gevaarlijke of licht ontvlambare stof is en de opslag voldoet aan de brandveiligheidseisen. Er is volgens verweerder geen sprake van een overtreding zodat er geen mogelijkheid tot handhaven bestaat. 4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering. Verweerder stelt zich op het standpunt dat houtskool geen brandgevaarlijke stof zoals bedoeld in artikel 7.6 van het Bouwbesluit is. De ruimte waarin de houtskool wordt opgeslagen, voldoet aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen ten aanzien van compartimentering. 5. [eiseres] voert, kort gezegd, aan dat de houtskoolopslag in strijd is met artikel 3.3. van het bestemmingsplan “ [naam] ”, artikel 7.6 van het Bouwbesluit en de zorgplicht uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verweerder had daarom handhavend op moeten treden. Het oordeel van de rechtbank 6. De vraag die de rechtbank moet beoordelen, is of verweerder juist heeft vastgesteld dat er geen bevoegdheid tot handhaving is omdat de opslag van houtskool niet in strijd is met wet- en regelgeving, in het bijzonder de door [eiseres] genoemde wet- en regelgeving. Het bestemmingsplan 7.1. De rechtbank beoordeelt allereerst of de opslag van houtskool op de locatie [adres] in strijd is met het voor die locatie geldende bestemmingsplan. De rechtbank stelt daartoe vast dat voor deze locatie het bestemmingsplan “ [naam] ” geldt. Op grond van dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming ‘Wonen 4 (W4)’. Op grond van artikel 2.4, onder c, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming voor wat betreft de eerste bouwlaag bestemd voor onder meer bedrijven. Op grond van artikel 3.3 van de planvoorschriften bij dit bestemmingsplan mag, voor zover bebouwing mag worden gebruikt voor bedrijven, dit slechts voor bedrijven die staan vermeld op de bij het bestemmingsplan behorende “Staat van inrichtingen” en vallen onder categorie I of II van die staat. Tussen partijen is niet in geschil dat de opslag bedrijfsmatig is en dat houtskoolopslag niet staat vermeld op de “Staat van inrichtingen”. Partijen verschillen van mening over de vraag of daarmee sprake is van strijd met het bestemmingsplan. 7.2. Verweerder verwijst naar artikel 3.2 van de planvoorschriften dat ziet op verboden gebruik van gronden en bebouwing. Op grond van dat artikel is de opslag van ho De rechtbank overweegt dat in artikel 4.1 van bijlage I bij het Bor als inrichtingen in categorie 4 worden aangewezen: “Inrichtingen voor het […] opslaan van stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.” De rechtbank stelt vast dat artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer met ingang van 1 juni 2015 is komen te vervallen. Tot die datum werd in dit artikel onder meer de categorie ‘licht ontvlambaar’ onderscheiden. Uit artikel 2, eerste lid, sub d, 1° van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten (Besluit) volgt dat deze categorie onder meer stoffen en preparaten omvat die: “bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kunnen stijgen en tenslotte kunnen ontbranden […]”. Uit de Memorie van Toelichting bij de wetswijzing waarmee artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer is komen te vervallen (Kamerstuk 31894, nummer 3) blijkt dat met de wetswijzing is voorzien in de uitvoering van Verordening nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (de CLP-verordening). In de artikelsgewijze toelichting staat vermeld dat met het van kracht worden van de CPL-verordening, artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer vervalt en verwijzingen naar dit artikel komen te vervallen of worden vervangen door een verwijzing naar de CLP-verordening. De rechtbank stelt vast dat de wetgever heeft verzuimd de verwijzing naar artikel 9.2.3.1. van de Wet milieubeheer in het Bor aan te passen. Gelet op de toelichting, in samenhang met het kennelijke doel van 4.1 van bijlage I bij het Bor, gaat de rechtbank er echter vanuit dat in plaats van de verwijzing naar het vervallen artikel een verwijzing naar de CPL-verordening moet worden gelezen. De in artikel 2, eerste lid, van het Besluit genoemde criteria gelden nog steeds. 9.5. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opslag van houtskool niet valt onder categorie 4 van het Bor. Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank moeten beoordelen of houtskool op grond van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer dan wel de CPL-verordening kan worden ingedeeld. Verweerder kon daarbij niet volstaan met de enkele verwijzing naar het advies van de brandweer, omdat daaruit niet blijkt dat stof specifiek onderzoek naar het zelfopwarmingsgedrag van de houtskool is verricht. 9.6. Uit het oordeel van de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opslag van houtskool niet kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, volgt dat ook verweerders standpunt dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is onvoldoende is onderbouwd. Indien de opslag van houtskool kan worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, is het Activiteitenbesluit op de houtskoolopslag van toepassing. Verweerder dient dan te onderzoeken of sprake is van strijd met de zorgplicht in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. Het bouwbesluit 10.1. Artikel 7.6, eerste lid, van het Bouwbesluit verbiedt de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen als bedoeld in de tabel horende bij dat artikel. De rechtbank stelt vast dat in deze tabel onder meer de stoffen met ADR-klasse 4.2 worden genoemd. Zoals hiervoor in 9.2. en 9.3. is overwogen, valt de houtskool in deze klasse. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het verbod slechts zou zien op de stoffen die in de tweede kolom van de tabel in woorden staan omschreven. Het gebruik van het woord ‘zoals’ in de tabel geeft immers aan dat niet is bedoeld een limitatieve opsomming te geven. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het verbod in het eerste lid ziet op alle Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Bijlage Bestemmingsplan [naam] Artikel 2.4 Wonen 4 (W4) 1. De op de plankaart voor “Wonen 4 (W4) aangewezen gronden zijn wat betreft de eerste bouwlaag bestemd voor: (…); c. bedrijven; (…). Artikel 3.2 Algemene gebruiksvoorschriften 1. Het is verboden de in het bestemmingsplan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bebouwing te gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming of de daarbij behorende voorschriften. 2. Onder verboden gebruik als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval begrepen het gebruik van gronden en/of bebouwing ten dienste van: […] b. inrichtingen en bedrijven die worden begrepen in artikel 2.4 van het “Inrichtingen en vergunningenbesluit” (Stbl. '93, nr. 50). […] Artikel 3.3 Toegelaten bedrijven 1. Voor zover op gronden mag worden gebouwd en gronden en/of bebouwing mogen worden gebruikt ten behoeve van bedrijven, mag dit slechts: a. voor bedrijven die in de van deze voorschriften deel uitmakende "Staat van inrichtingen" vallen onder categorie I of II; […] 2. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een bedrijf dat: a. niet in de Staat van inrichtingen voorkomt en in vergelijking met bedrijven die vallen onder de categorieën I en II geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu; […] Wabo Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (…) c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (…). Wet milieubeheer Artikel 1.1 […] 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. 4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. […] Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer Artikel 2.1 2.1.1 Degene die een inrichting drijft en eet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het werking zijn dan wel al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Bor Artikel 2.1 (Inrichting) 1. Als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C. Bor bijlage I, onderdeel C, categorie 4 Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten: a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer; […] Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen Artikel 2 1. De criteria volgens welke een stof moet worden ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, zijn voor de onderscheidene categorieën als volgt: […] d. licht ontvlambaar: stoffen en preparaten die: 1°. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kunnen stijgen en tenslotte kunnen ontbranden; 2°. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kunnen ontbranden en na verwijdering van de