Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-11-22
ECLI:NL:RBAMS:2017:8574
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/616157 / HA ZA 16-1002 Vonnis van 22 november 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid G.T.L. BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V. , gevestigd te Nijmegen, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. B. Martens te Amsterdam, tegen 1. MR. P.J. BOS IN HOEDANIGHEID VAN CURATOR in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] , kantoorhoudende te Amsterdam, gedaagde in conventie, niet verschenen, 2. de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde in conventie, advocaat: mr. J.A. Stal te Amsterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ [gedaagde sub 3] , gevestigd te [plaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. A. Neophitou te Berghem, en 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JESNOKA NOVIO B.V. , gevestigd te Nijmegen, verweerster in conventie bij wijze van voeging aan de zijde van BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ [gedaagde sub 3] , eiseres in reconventie na tussenkomst in dit geding, advocaat: mr. A. Neophitou te Berghem. Partijen zullen hierna GTL, de curator (van [gedaagde sub 1] ), ABN AMRO, [bedrijf 1] respectievelijk Jesnoka worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verlenen van verstek tegen de curator, het vonnis in incidenten van 22 maart 2017, het tussenvonnis van 5 april 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast, de conclusie van antwoord in reconventie van 17 mei 2017, het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2017, de brief van mr. Neophitou van 25 oktober 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Het draait in deze zaak om onroerend goed in de gemeente Hulst: Paardenmarkt 2 en Boudeloo 20 (hierna: Paardenmarkt); Houtmarkt 2-2A / Cornelis de Vosplein 12 (hierna: Bioscoop); Houtmarkt 4-4A (hierna: Kapperszaak); Houtmarkt 6-10 (hierna: Bankgebouw). 2.2. Op 29 mei 2015 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen de hier relevante partijen als het gaat om het ontwikkelen van en beleggen in het voornoemde onroerend goed, namelijk: de vennootschap Jesnoka, de vennootschap GTL en de vennootchap Jeton B.V. (zijnde een aan GTL gelieerde vennootschap, hierna: Jeton). 2.3. De vaststellingsovereenkomst bepaalt, voor zover hier van belang: “(…) IN AANMERKING NEMENDE HET VOLGENDE: A. GTL is – als rechtsopvolger van Jeton – eigenaar van de onroerende zaken [Kapperszaak en Bankgebouw]; Jesnoka heeft aangegeven sinds enige tijd doende te zijn om diverse registergoederen, staande en gelegen aan de Houtmarkt en Paardenmarkt te Hulst, derhalve met inbegrip van [Kapperszaak en Bankgebouw], in drie delen te herontwikkelen tot een totaalplan bestaande uit de ontwikkeling van woningen, appartementen (en parkeerplaatsen) voor de Woonstichting Hulst (fase I), de ontwikkeling van [Kapperszaak en Bankgebouw] (fase II) en de ontwikkeling van [Bioscoop] (fase III), hierna gezamenlijk te noemen: “het Project”; Tussen Partijen is op enig moment een geschil ontstaan met betrekking tot het Project, in het bijzonder over de relatie waarin Jeton en GTL staan tegenover Jesnoka. In het bijzonder is door Jesnoka gesteld dat zij het Project zou ontwikkelen namens en in opdracht van Jeton en/of GTL en dat GTL/Jeton gehouden zijn om kosten en/of vergoedingen aan Jesnoka te vergoeden. Jesnoka heeft gesteld dat er tussen haar en Jeton en/of GTL een rechtsverhouding bestaat, op grond waarvan de ontwikkeling van het Project geheel danwel gedeeltelijk plaatsvindt namens en/of voor rekening en risico van Jeton en/of GTL. Jesnoka heeft mede in dat verband diverse facturen van derden (de Gemeente Hulst) terzake fase I en fase II doorbelast aan Jeton en/ofGTL en bij Jeton en/of GTL aangedrongen op betaling daarvan; Door Jeton en GTL wordt evenwel gesteld dat zij het Project, noch enig deel daarvan, nimmer als risi In dat kader heeft GTL een waarborgsom aan [gedaagde sub 1] betaald en in ruil daarvoor een recht van hypotheek op Bioscoop verkregen. Uiteindelijk was Bioscoop bezwaard met de volgende hypotheekrechten: recht van eerste hypotheek ten gunste van (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO, recht van tweede hypotheek ten gunste van [bedrijf 2] en recht van derde hypotheek ten gunste van GTL. 2.7. Op 19 juni 2012 is [gedaagde sub 1] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Bos als curator. Bioscoop behoorde toen nog steeds in eigendom toe aan (de faillissementsboedel van) [gedaagde sub 1] . 2.8. Op 16 december 2015 heeft [bedrijf 1] (een dochtervennootchap van Jesnoka) overeenstemming bereikt met ABN AMRO en de curator van [gedaagde sub 1] over de aankoop van Bioscoop uit de failliete boedel, waarbij de verkoopopbrengst ten goede zou komen aan eerste hypotheekhouder ABN AMRO, zulks in het kader van een zogenoemde ‘oneigenlijke lossing’. De overeengekomen koopprijs bedroeg € 230.000,00. 2.8.1. De curator heeft aan de rechter-commissaris (r-c) verzocht om toestemming te geven voor de verkoop mits de tweede en derde hypotheekhouders akkoord zouden gaan met doorhaling van hun hypotheekrechten. 2.8.2. De r-c heeft de gevraagde toestemming (inclusief de ‘mits’) gegeven, waarna de tweede en derde hypotheekhouders zijn aangezocht om in te stemmen met doorhaling van hun hypotheekrechten. 2.9. De tweede hypotheekhouder heeft vervolgens desgevraagd ingestemd met doorhaling van zijn recht van hypotheek. 2.10. Op 8 juni 2016 heeft GTL, zijnde de derde hypotheekhouder, desgevraagd geweigerd om in te stemmen met doorhaling van haar hypotheekrecht. Tegelijkertijd heeft GTL zelf een bod van € 240.000,00 op Bioscoop gedaan. 2.11. Er ontstond vervolgens een conflictueuze situatie waarin GTL haar hypotheekrecht handhaafde en waarin [bedrijf 1] betoogde dat de vordering ter dekking waarvan het hypotheekrecht van GTL diende inmiddels non-existent was geworden, zodat, volgens dat betoog, het hypotheekrecht van GTL ook teniet was gegaan. Op 16 juni 2016 heeft [bedrijf 1] nogmaals aan de curator verzocht om (i) de verkoop aan [bedrijf 1] bij wijze van oneigenlijke lossing door te zetten, ook als de doorhaling van het hypotheekrecht zijdens GTL uitbleef, en (ii) daarvoor toestemming te vragen aan de r-c. De curator heeft dit geweigerd. 2.12. Op 7 juli 2016 heeft GTL telefonisch met de curator van [gedaagde sub 1] gesproken over een eventuele aankoop van Bioscoop door GTL. De curator heeft GTL doorverwezen naar ABN AMRO. 2.13. Onderhandelingen tussen GTL en ABN AMRO hebben achtereenvolgens geleid tot de hierna genoemde e-mails, alle daterend van 13 juli 2016: GTL aan ABN AMRO: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek bevestig ik hierbij onze overeenstemming voor aankoop van [Bioscoop]. Koper: [GTL] Prijs 300.000 Euro kosten koper (in huidige staat) geen financieringsvoorbehoud transport: zo snel mogelijk mits medewerking curator Verneem graag uw bevestiging en eventuele opmerkingen op bovenstaande.” ABN AMRO aan GTL: “Een belangrijk onderdeel van hetgeen wij bespraken ontbreekt in uw bericht. Het transport moet z.s.m. en binnen 14 dagen na heden plaatsvinden en de koper (GTL) vrijwaart de faillissementsboedel en de bank voor de gevolgen van maatregelen die genomen kunnen worden door de gemeente m.b.t. dit pand. Waaronder een last onder bestuursdwang en/of dwangsom. (de definitieve omschrijving van deze vrijwaring moet nog vastgesteld worden. Aanvullend merk ik nog op dat betaling van de koopsom door middel van verrekening zal worden uitgesloten. Er zal nu een concept overeenkomst worden opgesteld.” GTL aan ABN AMRO: “Uw aanvullingen zijn volledig akkoord en correct. Wij ontvangen graag de concept koopovereenkomst.” 2.14. Bij e-mail van 14 juli 2016 heeft (de raadsman van) ABN AMRO het volgende bericht aan (de raadslieden van) GTL en [bedrijf 1] : “(…) Uw cliënten proberen, ieder voor zich, door een transactie met de curator en [ABN AMRO] (one juist geschiedt ter voorkoming van uitoefening van het recht van executie. Anders dan het middel inhoudt, dienen eigenlijke en oneigenlijke lossing, zowel bij pand als bij hypotheek, aldus van elkaar te worden onderscheiden.” Artikel 3:268 lid 2 BW ziet op de verkoop door de hypotheekhouder. De verkoop door de curator vereist de toestemming van de rechter commissaris. Als gezegd heb ik die toestemming gegeven. Bovendien valt voor GTL geen opbrengst te verwachten uit de verkoop van het onroerend goed of dat nu gebeurd via een veiling of onderhands, gezien de hoogte van de vordering van [ABN AMRO] en de waarde van het onroerend goed. (…)” 2.17. Op 15 augustus 2016 is Bioscoop door de curator van [gedaagde sub 1] geleverd aan [bedrijf 1] , die Bioscoop heeft gesplitst in appartementsrechten. Een aantal van die appartementsrechten is geleverd aan een derde. De rest behoort nog in eigendom toe aan [bedrijf 1] . 3 Het geschil in conventie 3.1. GTL vordert, kort samengevat, het volgende: I verklaring voor recht dat tussen GTL en de curator van [gedaagde sub 1] op 13 juli 2016 een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de onroerende zaak ‘Bioscoop’ voor een koopprijs van € 300.000,00 k.k.; II verklaring voor recht dat de curator van [gedaagde sub 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen tot overdracht en levering van Bioscoop, en dat ABN AMRO en [bedrijf 1] onrechtmatig jegens GTL hebben gehandeld; III veroordeling van de curator van [gedaagde sub 1] , ABN AMRO en [bedrijf 1] tot vergoeding aan GTL van de schade, op te maken bij staat; IV veroordeling van [bedrijf 1] tot het voldoen aan GTL van een voorschot op de schadevergoeding door middel van levering aan GTL van ‘Bioscoop’, althans van de registergoederen die deel uitmaken van ‘Bioscoop’ voorzover die thans nog in eigendom aan [bedrijf 1] toebehoren; V veroordeling van de curator van [gedaagde sub 1] , ABN AMRO en [bedrijf 1] in de kosten van het geding. 3.1.1. GTL heeft rechtsvordering IV doen inschrijven in de openbare registers waarin feiten worden ingeschreven die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, zulks op de grond van artikel 3:17 lid 1 sub f BW. 3.2. De curator van [gedaagde sub 1] , tegen wie verstek is verleend, voert geen verweer. 3.3. ABN AMRO voert verweer. 3.4. [bedrijf 1] voert verweer, bijgestaan door Jesnoka als aan haar zijde gevoegde partij. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.6. Jesnoka en/of [bedrijf 1] vorderen/vordert samengevat het volgende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I primair verklaring voor recht dat GTL jegens Jesnoka is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst, subsidiair verklaring voor recht dat GTL jegens Jesnoka onrechtmatig heeft gehandeld, meer subsidiair wijziging van de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst ter opheffing van het door Jesnoka geleden nadeel, zulks wegens dwaling aan de zijde van Jesnoka; II verklaring voor recht dat GTL jegens [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld; III verklaring voor recht dat GTL jegens Jesnoka en/of [bedrijf 1] schadeplichtig is, en veroordeling van GTL tot vergoeding aan Jesnoka en/of [bedrijf 1] van de schade, thans in hoofdsom begroot op € 105.792,67 (zijnde € 95.000,00 + rente en kosten) en overigens op te maken bij staat; IV verklaring voor recht dat de koopprijs voor Kapperszaak en Bankgebouw als genoemd in de vaststellingsovereenkomst € 740.346,25 althans € 744.408,86 althans een (met inachtneming van het sub I meer subsidiair gevorderde) in goede justitie te bepalen geldsom bedraagt, met veroordeling van GTL tot (terug)betaling van het door Jesnoka teveel aan GTL betaalde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de gewone wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Jesnoka van de koopprijs althans vanaf de datum van het vonnis; V (a) verkla Kortom: ABN AMRO ging in de onderhandelingen met GTL gerechtvaardigd uit van het bestaan van en de zinnigheid van de voorwaarde dat de curator zijn medewerking moest verlenen teneinde de reeds op hoofdlijnen met GTL bereikte overeenkomst te effectueren. 4.5. ABN AMRO heeft vervolgens geconstateerd dat de medewerking van de curator er niet kwam. Immers, zoals ABN AMRO onweersproken naar voren heeft gebracht: toen de curator, nadat op hoofdlijnen overeenstemming tussen ABN AMRO en GTL was bereikt, aan [bedrijf 1] mededeelde voornemens te zijn in te stemmen met verkoop van Bioscoop aan GTL, heeft [bedrijf 1] zich daartegen gekeerd, mede door zich te richten tot de r-c en onder het doen van een verhoogd bod (€ 325.000,00). Daarna bleef medewerking van de curator aan een koop door GTL uit. Ten slotte is door ABN AMRO het bericht van 14 juli 2016 aan GTL en [bedrijf 1] gedaan (de uitnodiging tot een laatste biedronde, zie randnummer 2.14). Dit bericht is in samenspraak met de curator gedaan. Die samenspraak leidt de rechtbank als impliciet standpunt van ABN AMRO af uit de verklaring van de curator die door ABN AMRO in het geding is gebracht, terwijl het ook te lezen staat in de brief van de raadsman van ABN AMRO aan de r-c van 27 juli 2016 (productie 13 GTL). 4.6. De conclusie is dat ABN AMRO jegens GTL geen norm of afspraak heeft geschonden door, in samenspraak met de curator, de laatste biedronde in te stellen op een moment dat ABN AMRO ervan uitging en mocht uitgaan dat de door haar met GTL onderhandelde overeenkomst geen doorgang zou vinden wegens het onvervuld blijven van de voorwaarde van medewerking van de curator. Dat zo zijnde, kan ook de doorgang van de uiteindelijk, na afloop van de biedronde, door [bedrijf 1] met de curator bereikte overeenkomst niet aan ABN AMRO worden verweten. Een en ander leidt tot afwijzing van de door GTL tegen ABN AMRO ingestelde vordering. 4.7. GTL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van ABN AMRO tot heden begroot op: € 619,00 aan griffierecht € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, liquidatietarief II) € 1.523,00 4.7.1. De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld. De vordering tegen de curator van [gedaagde sub 1] 4.8. Tegen de curator, die niet in het geding is verschenen, is verstek verleend. De vordering tegen de curator moet worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt. 4.9. Alle betrokkenen wisten dat een eventuele aankoop van Bioscoop door GTL zou geschieden in het kader van executie door middel van oneigenlijke lossing: verkoop door de curator krachtens overeenstemming tussen hem en ABN AMRO als (eerste) hypotheekhouder. In een dergelijk kader is het normaal dat de (pand- of) hypotheekhouder, als de grootste belanghebbende, het voortouw neemt. Indien blijkt dat de hypotheekhouder het bod van de aspirant-koper voldoende acht om in te stemmen met doorhaling van het hypotheekrecht, dient nog wel de curator, die als contractspartij de boedel vertegenwoordigt, tot overeenstemming met de aspirant-koper te geraken, en ten slotte dient de r-c nog in te stemmen. 4.10. In dit bijzondere complex van rechtsverhoudingen is het goed te begrijpen dat de curator in het telefoongesprek van 7 juli 2016 GTL heeft ‘doorverwezen’ naar ABN AMRO. Wat betreft de door de curator bij de doorverwijzing gebruikte bewoordingen stelt GTL dat de curator: uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat Bioscoop onderhands wordt verkocht indien en zodra er met ABN AMRO overeenstemming zou worden bereikt; heeft aangegeven in te stemmen met de totstandkoming van een koopovereenkomst met de faillissementsboedel tegen een door ABN AMRO te aanvaarden prijs. GTL heeft niet gesteld wat de exacte bewoordingen van de curator waren, zodat de rechtbank oordeelt op basis van hetgeen de curator volgens GTL heeft kenbaar gemaakt en heeft aangegeven. 4.11. Als zou worden aangenomen dat de curator De complicatie dat het faillissement van [gedaagde sub 1] na het uitbrengen van de dagvaarding van GTL is opgeheven bij gebrek aan baten – hetgeen blijkt uit het insolventieregister – behoeft geen behandeling. 4.14. GTL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de curator van [gedaagde sub 1] begroot op nihil. De vordering tegen [bedrijf 1] 4.15. Het verwijt van GTL aan [bedrijf 1] is dat laatstgenoemde heeft geprofiteerd van het wanpresteren van de curator in de met GTL gesloten koopovereenkomst. Nu hiervoor is geoordeeld dat van zo’n koopovereenkomst geen sprake is geweest, moet de vordering tegen [bedrijf 1] reeds daarom worden afgewezen. 4.16. GTL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van [bedrijf 1] tot heden begroot op: € 619,00 aan griffierecht € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, liquidatietarief II) € 1.523,00 4.16.1. De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld. De (na)kosten zullen nog worden vermeerderd met rente, en de (na)kostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, een en ander conform de vordering daartoe van [bedrijf 1] . in reconventie Het handelen van GTL in het licht van de vaststellingsovereenkomst: weigering tot doorhaling hypotheekrecht, opbieden tegen [bedrijf 1] 4.17. Jesnoka stelt dat GTL is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst omdat GTL de koop van Bioscoop door [bedrijf 1] heeft gefrustreerd (weigering tot doorhaling van het derde hypotheekrecht) en bovendien zelfs nog heeft opgeboden tegen [bedrijf 1] , waardoor [bedrijf 1] uiteindelijk (€ 325.000,00 -/- € 230.000,00=) € 95.000,00 méér voor Bioscoop heeft betaald dan nodig was geweest. GTL heeft gewanpresteerd jegens Jesnoka en onrechtmatig gehandeld jegens [bedrijf 1] (en ook jegens Jesnoka). Jesnoka en [bedrijf 1] hebben tezamen de schade geleden. Jesnoka heeft bovendien gedwaald, nu GTL in strijd met de mededeling sub D van de considerans van de vaststellingsovereenkomst kennelijk wél voornemens was om zelf te gaan ontwikkelen. Aldus Jesnoka en [bedrijf 1] . 4.18. GTL betwist dat zij in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst is tekortgeschoten en dat Jesnoka heeft gedwaald. De vaststellingsovereenkomst houdt in dat GTL niets meer met het Project te maken heeft, behalve dan met betrekking tot de lopende koopoptie. Het in de considerans sub D vermelde is juist: GTL was voornemens om – in zakelijke zin – uit Hulst te vertrekken. Dit is later echter veranderd: de vastgoedmarkt trok aan en GTL raakte door het aan haar gedane verzoek tot doorhaling van het hypotheekrecht bekend met de kans om Bioscoop te verwerven. GTL heeft die kans te baat genomen en is in dat kader in overleg getreden met de curator van [gedaagde sub 1] en ABN AMRO. GTL weigerde de doorhaling van het hypotheekrecht omdat GTL eerst wilde bezien of zij zelf Bioscoop kon verwerven dan wel verkoop aan een derde wellicht zou leiden tot (gedeeltelijke) voldoening van GTL als derde hypotheekhouder. De door [bedrijf 1] betaalde méérprijs van € 95.000,00 staat niet in causaal verband met het handelen van GTL; [bedrijf 1] heeft betaling van die méérprijs zelf gewild. Aldus GTL. 4.19. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat GTL in strijd met de met Jesnoka gesloten vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld door Bioscoop trachten te verwerven, en zodoende de koopaspiraties van [bedrijf 1] (als dochter van Jesnoka) te frustreren, slaagt het causaliteitsverweer van GTL. [bedrijf 1] en de curator hadden in samenspraak met ABN AMRO een (volledige) koopovereenkomst bereikt voor € 230.000,00 waarbij slechts nog de voorwaarde van doorhaling van de tweede en derde hypotheekrechten gold. Het is weliswaar zo dat het handelen van GTL (weigering tot doorhaling van hypotheekrecht en het bod van € 240.000,00) het nie Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De door Jesnoka bepleite uitleg komt de rechtbank het meest zuiver voor en wordt daarnaast ondersteund door de instantie die de cpi-statistiek zelf in beheer heeft, terwijl de overeenkomst zelf niets over de vaststelling van het inflatiecijfer in concreto bepaalt. De door Jesnoka bepleite uitleg wordt dan ook gevolgd. 4.24. Niet in geschil is dat de indexering moet worden berekend vanaf 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016. Uit de door CBS gepubliceerde cijfers, overgelegd door Jesnoka, blijkt dan dat voor 1 januari 2015 het cijfer 99,05 geldt (cpi december 2014) en voor 1 oktober 2016 het cijfer 100,57 (cpi september 2016), oftewel een inflatie van 1,52%. Opgemerkt wordt dat Jesnoka voor de startdatum van 1 januari 2015 niet het cpi van december 2014 (99,05) heeft gebruikt, maar het gemiddelde cpi over heel 2014 (99,40), leidend tot een inflatie van 1,17%. Dit is echter niet juist, want op die manier wordt 1 januari 2015 (of einde december 2014) niet daadwerkelijk als startpunt van de inflatieberekening genomen. De koopprijs voor Kapperszaak en Bankgebouw van € 735.800,00 moet dus worden verhoogd met 1,52%, en komt daarmee op € 746.984,16. Daarbij is overigens geen plaats voor de volgens vordering IV gewenste inachtneming van het door de dwaling geleden nadeel, nu van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW geen sprake is gebleken (zie hiervoor randnummer 4.21). 4.25. Het door GTL terug te betalen bedrag – namelijk het bedrag dat Jesnoka méér dan € 746.984,16 aan koopprijs aan GTL heeft voldaan – zal worden vermeerderd met de gewone wettelijke rente vanaf zeven dagen na wijzen van dit vonnis. Gezien de tussen partijen gemaakte afspraak om over dit punt te gaan procederen onder (eventuele) betaling van de door GTL gestelde en door partijen voorshands aangenomen koopprijs, kan immers niet worden gezegd dat de thans aan GTL op te leggen betalingsveroordeling voortvloeit uit een handelsovereenkomst. Evenmin kan worden gezegd dat GTL in verzuim is met de betaling van een geldsom voordat zij, na een rechterlijke uitspraak over het onderhavige twistpunt, een redelijke betalingstermijn heeft laten verstrijken. Opgemerkt wordt nog dat GTL en Jesnoka in het midden hebben gelaten wat Jesnoka inmiddels precies aan koopsom aan GTL heeft voldaan. GTL zal dan ook voorwaardelijk worden veroordeeld tot (terug)betaling, zoals hierna bij de beslissing vermeld. De inschrijving in de openbare registers 4.26. De vordering van GTL in conventie sub IV strekt tot levering van de appartementsrechten die uit Bioscoop zijn ontstaan en die nog in eigendom van [bedrijf 1] zijn. Deze vordering is door GTL ingeschreven in de openbare registers betreffende de rechtstoestand van registergoederen, zulks op basis van artikel 3:17 lid 1, aanhef en sub f, BW: Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere wetsbepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de volgende feiten worden ingeschreven: instelling van rechtsvorderingen en indiening van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft. 4.27. De thans te beoordelen vordering in reconventie sub V strekt tot ongedaanmaking van (de schadelijke gevolgen van) die inschrijving. De motivering van die vordering is, kennelijk, vervat in de motivering in het incident ex artikel 223 Rv (waarover is beslist in het vonnis van 22 maart 2017). De rechtbank verstaat de vordering aldus dat deze wat betreft de verklaring voor recht en de schadevergoedingsveroordeling wordt ingesteld door zowel Jesnoka als [bedrijf 1] : door Jesnoka in hoedanigheid van ontwikk