Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-11-15
ECLI:NL:RBAMS:2017:8477
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/2742 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Brandwijk). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster] , te [woonplaats] , vergunninghoudster (gemachtigde: mr. R.J.J. Tempelaars). De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als respectievelijk eiser, het algemeen bestuur en [vergunninghoudster] . Procesverloop Met het besluit van 15 september 2016 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend. Met het besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiser is verschenen. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [vergunninghoudster] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam] , [functie] bij [vergunninghoudster] . Overwegingen Achtergrond 1. [vergunninghoudster] is eigenaar van het appartementencomplex ‘ [naam] ’ gelegen aan het Waterlooplein, de Jodenbreestraat en de Houtkopersdwarsstraat (hierna: [naam] ). Op de begane grond van het complex zijn meerdere bedrijfsruimtes gelegen. Eiser huurt een bedrijfsruimte in [naam] , waar hij een koffiebar exploiteert. De ingang daarvan is gelegen aan de Jodenbreestraat. De omgeving van [naam] wordt overdag in grote mate bepaald door de bedrijvigheid van het centrum en de aanwezigheid van de Waterloopleinmarkt. In de avond en vooral in de nachtelijke uren ervaren de bewoners en gebruikers van [naam] overlast van junks en andere overlastgevende personen die zich veelvuldig ophouden op de trappen en in de nissen van de ingangen van [naam] . 2. In de hoop (een deel van) de overlast rond [naam] terug te dringen heeft [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning aangevraagd. Hiermee wil [vergunninghoudster] onder meer alle gevels van [naam] aanpassen en aan het Waterlooplein de entree voor de woningen vervangen door voordeuren op straatniveau en de deuren voor de marktberging naar voren verplaatsen en vervangen. Aan de Houtkopersdwarsstraat wil [vergunninghoudster] een nieuwe hoofdentree realiseren voor het gehele complex met brievenbussen en een bellentableau. Aan deze zijde wordt ook één trap verwijderd. Bij de ingang aan de Jodenbreestraat wordt de toegangsdeur naar het binnenterrein dichter naar de straat verplaatst, als gevolg waarvan de nu bestaande nis vrijwel verdwijnt. De bedrijfsruimte van eiser bevindt zich direct naast de huidige nis en de beoogde nieuwe toegangsdeur. De besluitvorming 3. Het algemeen bestuur heeft de door [vergunninghoudster] gevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit verleend. Het algemeen bestuur heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). 4. Met het bestreden besluit heeft het algemeen bestuur op de bezwaren van eiser beslist en de omgevingsvergunning gehandhaafd. Het algemeen bestuur heeft daar, kort samengevat, aan ten grondslag gelegd dat afwijken van het bestemmingsplan in dit geval niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het algemeen bestuur heeft hiertoe verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing die aan de aanvraag ten grondslag is gelegd. Hieruit blijkt dat er in de huidige situatie sprake is van onveiligheid en overlast en dat het lastig is het pand te onderhouden. Met het project wordt beoogd zowel het onderhoud t 9.1 Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en op een ondeugdelijke motivering berust. Eiser heeft daarbij op de volgende punten gewezen. De wijziging van de locatie van de brievenbussen naar de Houtkopersdwarsstraat zal tot verwarring leiden bij de postbezorging; het afsluiten dan wel verdwijnen van de trappen aan het Waterlooplein en de Houtkopersdwarsstraat levert gevaar op voor de veiligheid van de bewoners van [naam] ; het verkleinen van de openbare ruimte (de stoep) aan het Waterlooplein wegens het vergroten van de entree en het naar voren plaatsen van de deuren voor de marktberging zal de verkeersdoorstroming daar belemmeren. 9.2 In artikel 8:69a van de Awb is het zogeheten relativiteitsvereiste neergelegd. Het relativiteitsvereiste houdt in dat een betrokkene zich alleen op een bepaalde geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel kan beroepen, als deze regel of dit beginsel ook beoogt zijn/haar belangen te beschermen. Eiser beoogt met de in 9.1 beschreven beroepsgronden naar het oordeel van de rechtbank niet eigen belangen te beschermen, maar dat van anderen, te weten dat van de postbezorgers, de bewoners van [naam] , de bezoekers/gebruikers van het Waterlooplein en de marktkooplui. Deze beroepsgronden kunnen dus alleen al vanwege het relativiteitsvereiste niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en worden daarom niet inhoudelijk beoordeeld. 10.1 Eiser voert ook aan dat het algemeen bestuur zijn besluit niet heeft mogen baseren op de ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door [naam] . in samenwerking met [naam] . Eiser is van mening dat deze bureaus uit [naam] vanuit de theorie een bouwplan hebben gemaakt, zonder kennis van de lokale en feitelijke situatie in [woonplaats] . Het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (CWM) is gelet daarop gebaseerd op een onzorgvuldige uitwerking van de feiten. 10.2 Uit de uitgebreide omschrijving die eiser in de stukken heeft gegeven en die hij ook heeft geïllustreerd met verschillende foto’s van de omgeving en aan de hand van de tekeningen, is de rechtbank niet gebleken dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van een onjuiste situatie of van onjuiste feiten rond het pand [naam] en van de entree aan de Jodenbreestraat in het bijzonder. Ter zitting heeft de rechtbank de tekeningen van de huidige en toekomstige situatie samen met partijen bekeken en hebben partijen de situatie ter plaatse nog eens toegelicht. Ook daar is niet gebleken dat in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van onjuistheden. Dat de ruimtelijke onderbouwing tot stand is gebracht door een samenwerkingsverband uit [naam] maakt dat niet anders. Het advies van de CWM is weliswaar kort, maar ook daarvan is de rechtbank niet gebleken dat dit advies onjuistheden of onzorgvuldigheden bevat. Eiser heeft noch ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing, noch ten aanzien van welstand een contra-expertise overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het algemeen bestuur zich dan ook op de ruimtelijke onderbouwing en het advies van de CWM mogen baseren. Zowel uit de verhalen van eiser als uit de ruimtelijke onderbouwing valt op te maken dat er nu veel overlast is. Met het plan wordt beoogd deze overlast tegen te gaan. Dat eiser het geen goed plan vindt, omdat het niet voor alle overlast een oplossing biedt, betekent nog niet dat het algemeen bestuur zich niet op de ruimtelijke onderbouwing en bouwtekeningen heeft mogen baseren. 11.1 Eiser is het verder niet eens met de aanpassing van de entree aan de Jodenbreestraat, direct naast de ingang van zijn winkel. Eiser vreest dat de overlast daar juist zal toenemen. Door het verplaatsen van de toegangsdeur van [naam] aan de Jodenbreestraat naar de straatzijde zullen de junks in plaats van in de nis naast zijn winkel (2,5 meter van zijn winkeldeur) direct voor zijn winkeldeur gaan staan en/of urineren. Er blijft namelijk nog steeds een kleine nis/portiek over, waar iemand zic De rechtbank zal deze dan ook niet verder bij de beoordeling betrekken, omdat het huidige plan het uitgangspunt is. Conclusie 13. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het algemeen bestuur met inachtneming van alle belangen in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het project heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. B. de Vos, leden,in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket. Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail. Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen. Bijlage juridisch kader Algemene wet bestuursrecht (Awb) Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk; b. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De onder 2° bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor) . Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet aangewezen de categorieën van gevallen in artikel 4 van Bijlage II. Op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte co