Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-10-16
ECLI:NL:RBAMS:2017:7691
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/6007 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. B.C. Rots). Procesverloop Bij besluit van 12 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om studiefinanciering afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft een aanvang genomen op 3 januari 2017. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen het griffierecht te betalen en eiser in de gelegenheid te stellen ervoor zorg te dragen dat hij bij de inhoudelijke behandeling van het beroep wordt ondersteund door een tolk, of door iemand die capabel is om de voertaal ter zitting, het Nederlands, voor eiser te vertalen in het Engels. Op 12 januari 2017 heeft de rechtbank eiser bericht dat het beroep door een meervoudige kamer zal worden behandeld. Verweerder heeft bij brief van 17 januari 2017 een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft bij brief van 30 januari 2017 de rechtbank verzocht om te bepalen dat verweerder de stukken in de Engelse taal aan de rechtbank aanlevert, danwel voorziet van een Engelse vertaling. Bij brief van 17 maart 2017 heeft de rechtbank eiser bericht dat zij niet aan dat verzoek zal voldoen en dat eiser zelf zorg dient te dragen voor vertaling van de processtukken. De rechtbank heeft eiser er verder op gewezen dat in de Nederlandse rechtspraak Nederlands de voertaal is en dat eiser de mogelijkheid heeft zelf een tolk mee te nemen naar de zitting. Bij brief van 30 maart 2017 heeft eiser op de brief van de rechtbank gereageerd en de rechtbank gevraagd om verdere correspondentie en communicatie in het Engels te laten plaatsvinden, aangezien het Engels zijn moedertaal is en om die reden een uitzondering gemaakt kan worden. Bij brief van 28 juli 2017 heeft de rechtbank eiser bericht dat zij blijft bij haar beslissing, zoals weergegeven in de brief van 17 maart 2017, tot afwijzing van het verzoek van eiser om de procedure in het Engels te (laten) voeren. Het onderzoek ter zitting is door de meervoudige kamer van de rechtbank hervat op 8 september 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank merkt ter volledigheid ten eerste het volgende op. Eiser heeft zich ter zitting niet laten bijstaan door een tolk of andere persoon, capabel om het Nederlands ter zitting voor eiser te vertalen in het Engels. De rechtbank heeft ter zitting meegedeeld dat zij geen aanleiding ziet om terug te komen op de besluiten van de rechtbank, zoals weergegeven in de brieven van 17 maart en 28 juli 2017, tot afwijzing van het verzoek van eiser om de procedure in het Engels te voeren. De rechtbank schaart zich achter deze besluiten en heeft de genoemde brieven voor de volledigheid gehecht aan deze uitspraak. Feiten en omstandigheden 2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1975 en van Nederlandse nationaliteit, heeft op 2 februari 2016 een aanvraag om studiefinanciering (bestaande uit een lening, aanvullende beurs, studentenreisproduct en collegegeldkrediet) ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Standpunt van verweerder in het bestreden besluit 3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Voorwaarde voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering is dat de studerende de achttienjarige leeftijd maar nog niet de dertigjarige leeftijd heef Het uitsluiten van het recht op studiefinanciering van een persoon ouder dan dertig jaar om fiscale redenen kan voorts niet als rechtvaardiging gelden indien dit resulteert in discriminatie. De wijziging van het stelsel van studiefinanciering vanaf 1 januari 2015, waarbij de studiefinanciering niet meer als gift wordt verstrekt maar als lening, vereist bovendien ook een wijziging van het beleid. De criteria voor een dergelijke lening zijn echter niet veranderd, waardoor eiser als voltijdstudent – in strijd met het discriminatieverbod – ook geen recht heeft op deze lening. 7.2 De rechtbank overweegt ten eerste dat studiefinanciering binnen het toepassingsbereik valt van de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waarin staat dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd. Daarom is ook een beroep op artikel 14 van het EVRM mogelijk, dat discriminatie verbiedt ten aanzien van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Een verschil in behandeling is echter pas discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is. Er is sprake van een objectieve rechtvaardiging als met het onderscheid een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en de gehanteerde middelen in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM hebben de staten die partij zijn bij het EVRM een ruime beoordelingsvrijheid als het gaat om de implementatie van maatregelen op sociaal en economisch gebied. Dat brengt mee dat de rechter de beoordeling of artikel 14 van het EVRM wordt geschonden terughoudend moet toetsen, tenzij het onderscheid raakt aan de expliciet in artikel 14 van het EVRM genoemde gronden (zoals geslacht of ras) of aan de door het EHRM als verdacht aangemerkte criteria. De rechtbank overweegt dat het onderscheid naar leeftijd noch in artikel 14 van het EVRM noch in de jurisprudentie van het EHRM als een verdacht onderscheid wordt genoemd. Dat betekent dat de rechtbank terughoudend moet toetsen of de wetgever in dit geval de grenzen van zijn ruime beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan door de invoering van de leeftijdsgrens van dertig jaar. De rechtbank doorbreekt de door de (formele) wetgever gemaakte keuzes in dat geval alleen als geoordeeld moet worden dat van redelijke en objectieve gronden geen sprake is. 7.3 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling van studenten die de leeftijd tussen 18 en 30 jaar hebben en studenten die ouder zijn dan 30 jaar. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wsf 2000 blijkt dat de wetgever met de leeftijdsgrens heeft willen uitdrukken dat het stelsel van studiefinanciering een jeugdstelsel is; een stelsel dat jonge mensen in staat moet stellen om een initiële opleiding te voltooien. Boven de dertig jaar is er volgens de wetgever sprake van een individuele verantwoordelijkheid en dient de student de studie zelf te bekostigen. Boven die leeftijd zijn er volgens de wetgever in principe andere mogelijkheden om in het levensonderhoud en studiekosten te voorzien, zoals sociale zekerheid en fiscale voorzieningen. De wetgever heeft dus met name beoogd dat jonge mensen tot dertig jaar niet worden belemmerd om een opleiding te volgen. De rechtbank is van oordeel dat dit een gerechtvaardigde doelstelling is. Daarnaast staan de gehanteerde middelen naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke proportionaliteitsrelatie tot dit doel. De wetgever heeft daarbij meegewogen dat er voor studenten boven de dertig jaar in principe andere mogelijkheden zijn om in het levensonderhoud en studiekosten te voorzien. De rechtbank acht het niet evident onredelijk om van studenten vanaf 30 jaar te verwachten dat zij individueel verantwoordelijk zijn voor het bekostigen van hun studie, nu personen vanaf de leeftijd van 30 jaar in beginsel ook verkere