Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-10-06
ECLI:NL:RBAMS:2017:7221
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: 4917042 / CV EXPL 16-9405 Uitspraak: 6 oktober 2017 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [plaats] , eiser, procederend in persoon, t e g e n [gedaagde 1] wonende te [plaats] , gedaagde, gemachtigde mr. M.J. Kikkert, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer: 5256439 / CV EXPL 16-22769 van: [eiser in vrijwaring] wonende te [plaats] , eiser in vrijwaring, gemachtigde mr. M.J. Kikkert, t e g e n 1 [gedaagde 2] wonende te [plaats] , 2. [gedaagde 3] wonende te [plaats] , gedaagden in vrijwaring, gemachtigde mr. L.G. Meijer. Partijen zullen hierna onderscheidenlijk [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] worden genoemd. 1 De procedure In de hoofdzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 3 maart 2016, met producties, het vonnis in het incident van 28 juni 2016, met de daarin vermelde stukken de conclusie van antwoord met producties, het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 november waarbij een bijeenkomst van partijen is gelast, de akte overlegging producties (17 tot en met 19) van de zijde van [eiser] , het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 juni 2017. 1.2. Daarna is vonnis bepaald. In de vrijwaringszaak 1.3. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 18 juli 2016, met producties, de conclusie van antwoord, met producties, het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 november waarbij een bijeenkomst van partijen is gelast, het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 juni 2017. 1.4. Daarna is vonnis bepaald. 2 De feiten In de vrijwaringszaak 2.1. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] hebben in de periode van juli 2001 tot en met september 2002 bouwkundige werkzaamheden aan het appartement aan de [straat] (hierna: het appartement) laten verrichten. 2.2. In juni 2003 is het appartement van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] aan [gedaagde 1] verkocht. In de hoofdzaak 2.3. Op 16 september 2015 heeft [gedaagde 1] het appartement aan [eiser] verkocht. 2.4. De levering van het appartement heeft op 26 oktober 2015 plaatsgevonden. Korte tijd na de levering is de aannemer van [eiser] begonnen het appartement te verbouwen. Hierbij zijn de plafonds en de vloeren verwijderd. De vloerbalken bleken kromgetrokken. De betonlaag die zich op de houten vloeren bevond, bleek in het midden twee keer zo dik te zijn als aan de zijkanten. 2.5. [eiser] heeft ingenieursbureau Van Dijke B.V. (hierna: Van Dijke) ingeschakeld. In haar adviesrapport van 16 november 2015 staat het volgende vermeld: “(…) Door verbouwingen in het jaar 2001 zijn deze dragende wanden waarschijnlijk verwijderd en is een nieuwe indeling op de 1e en 2de verdieping gemaakt met houtskeletbouwwanden. Deze wanden verspringen echter op de 1e en 2de verdieping, staan niet meer boven elkaar en ook niet meer boven het dragende metselwerk op de begane grond. Deze situatie is constructief niet wenselijk. (…) Uit controleberekeningen van de balklagen blijkt dat de houten balklagen niet in staat zijn om de bovenbelastingen uit de verspringende dragende houtskeletbouw wanden af te dragen. Dit betekent dat de bestaande situatie constructief onveilig is en dat de constructie niet voldoet aan de geldende voorschriften en dus ook niet aan het bouwbesluit. (…)”. 2.6. Bij e-mail van 17 november 2015 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] een e-mail gestuurd met de mededeling dat de aannemer in het appartement op een gebrek is gestuit en dat hij [gedaagde 1] daarvoor aansprakelijk houdt. 2.7. Strackee Bouwadviesbureau B.V. heeft in opdracht van [gedaagde 1] onderzoek aan het appartement uitgevoerd. In haar rapport van 1 februari 2016 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld: “(…) Ten aanzien van de controleberekening op afkeurniveau merken wij verder nog op: er wordt ten onrechte gerekend met 0.5 kN/ m2 aan lichte scheidingswanden. Op afkeurniveau behoren uitsluitend de daadwerkelijke aanwezige wanden in rekening te word De schade bestaat volgens [eiser] uit kosten ten behoeve van de herstelwerkzaamheden, gederfde verhuurinkomsten, de hypotheekkosten en de kosten van deze procedure. 3.3. [gedaagde 1] voert verweer en stelt primair dat er geen sprake is van non-conformiteit. Het appartement bezit de eigenschappen die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, mede in aanmerking genomen dat het pand waarin het appartement zich bevindt uit 1887 dateert. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan. In de vrijwaringszaak 3.5. [gedaagde 1] vordert – samengevat – [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] te veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen datgene waartoe [gedaagde 1] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] in de proceskosten. 3.6. [gedaagde 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het appartement in 2001 door [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] verbouwd is. Bij die verbouwing zijn er wijzigingen doorgevoerd in de vloer en in de muren van het appartement. De door [eiser] geconstateerde gebreken zijn terug te voeren op de door [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] uitgevoerde verbouwing. Dat brengt met zich dat [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] het appartement niet conform de overeenkomst aan [gedaagde 1] heeft geleverd. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] is dan ook jegens [gedaagde 1] schadeplichtig indien hij in de hoofdzaak wordt veroordeeld. 3.7. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] voert verweer. 3.8. Op stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan. 4 De beoordeling In de hoofdzaak 4.1. Partijen twisten of, aan het appartement, dat [eiser] van [gedaagde 1] heeft gekocht en geleverd heeft gekregen een gebrek kleeft en of dat gebrek leidt tot non-conformiteit dat normaal gebruik van de woning in de weg staat. De vervolgvraag is of [gedaagde 1] gehouden is de schade die voortvloeit uit dat eventuele gebrek, te vergoeden. Non-conformiteit 4.2. Artikel 7:17 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Op grond van artikel 7:17, tweede lid, BW beantwoordt de woning niet aan de overeenkomst indien deze, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de woning heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. 4.3. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat strijdigheid met een bouwbesluit in beginsel leidt tot non-conformiteit. In het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR5383) is bepaald dat de koper van een woning er in beginsel, behoudens andersluidende afspraken, van uit mag gaan dat een verbouwing van een woning is geschied met inachtneming van de op dat moment geldende voorschriften. Van andersluidende afspraken is niet gebleken, zodat de vraag die beantwoord moet worden is of de aanpassingen van het appartement tijdens de verbouwing in 2001 door [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] conform de op dat moment geldende voorschriften zijn verricht. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt – dat het appartement gebrekkig is – een rapport van Van Dijke overgelegd. In dat rapport wordt aan de hand van berekeningen van de balklagen geconcludeerd dat de constructie niet voldeed aan de op dat moment geldende NEN-normen 6702 en 6760 en dus ook niet aan het bouwbesluit van 1998. Op het rapport van Van Dijke heeft [gedaagde 1] gereageerd met het rapport van Strackee (zie 2.7). In dat rapport wordt de juistheid van de berekeningen door Van Dijke in twijfel getrokken. Zo zou Van Dijke de verkeerde houtsterkteklasse hebben aangenomen, de verkeerde reductiefactor hebben toegepast en ten onrechte hebben gerekend met 0,5 kNm/m2. In het tweede door [eiser] overgelegde rapport van Van Dijke worden andere berekeningen gehanteerd, volgens [eiser] om de kanttekeningen Van Strackee te ondervangen. Ook met die nieuwe berekeningen komt Van Dijke vervolgens tot de reeds in het eerste [gedaagde 1] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot op heden begroot op: griffierecht € 471,00 explootkosten € 94,08 salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00) _______ totaal € 1.365,08 4.14. De nakosten zullen worden begroot en toegewezen als hierna volgt. In de vrijwaringszaak 4.15. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] heeft zich er onder meer op beroepen dat [gedaagde 1] door [eiser] op 17 november 2015 in kennis is gesteld van vermeende non-conformiteit, en vervolgens acht maanden heeft gewacht met het [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] daarvan in kennis stellen. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] is daardoor niet in de gelegenheid geweest tijdig kennis te nemen van de situatie ter plekke, laat staan in geval van een gebrek eventuele maatregelen te nemen. 4.16. Op grond van de artikelen 7:23 lid 1 en 6:89 BW moet de koper binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt de verkoper daarvan kennis geven. Beide wetsbepalingen bevatten een open norm: er moet binnen ‘bekwame tijd’ worden geklaagd. De vraag wat bekwaam is, wordt beantwoord aan de hand van weging van alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden, waaronder de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de door koper in acht genomen klachttermijn. 4.17. Het verweer van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] slaagt. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] stelt onbetwist dat hij niet binnen bekwame tijd op de hoogte is gebracht van het gebrek in het appartement. Doordat [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] pas op 18 juli 2016 door [gedaagde 1] op de hoogte is gebracht, heeft hij – zoals hij aanvoert – niet (meer) kunnen constateren hoe de balkenlaag en scheidingswanden eruit zag, heeft hij niet kunnen vaststellen of de door hen aangebrachte verstijvingen van de balken nog ongewijzigd aanwezig waren en heeft hij niet kunnen vaststellen of sprake was van slijtage. Aangezien [eiser] het appartement ging verbouwen, was het voor [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] van groot belang snel op de hoogte te worden gesteld van het gebrek. Het belang van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] is daarin gelegen dat hij op die wijze kon vaststellen of het gebrek is ontstaat door de verbouwing van 2001, zoals [gedaagde 1] stelt, of door een omstandigheid die aan [gedaagde 1] is toe te rekenen. 4.18. De vordering is derhalve niet toewijsbaar. [gedaagde 1] zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] , tot op heden begroot op salaris gemachtigde € 1.600,00 (2 punten x tarief € 800,00) aan salaris gemachtigde. 4.19. De nakosten zullen worden begroot en toegewezen als hierna volgt. 5 De beslissing In de hoofdzaak 5.1. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 16.933,96 (zestienduizend negenhonderddrieëndertig euro en zesennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 december 2015 tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten, begroot op € 1.310,17, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.3. veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.365,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.4. veroordeelt [gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en