Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-18
ECLI:NL:RBAMS:2017:10338
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/3246 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2017 in de zaak tussen [eiseres] te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. J. de Visser), en Belastingdienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. van de Griendt). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het jaar 2014 definitief vastgesteld op € 432,-. Bij besluit van 21 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] . Vanwege een verslechterde relatie met haar ouders is eiseres begin 2012 bij haar oom en tante ( [naam 2] en [naam 3] ) en hun twee zoons ( [naam 4] en [naam 5] ) gaan wonen op het adres [adres] . In de loop van 2012 zijn [naam 2] en [naam 3] gescheiden. [naam 2] is op voornoemd adres blijven wonen. Ook eiseres is daar blijven wonen. 2. Eiseres heeft van 23 februari 2012 tot 1 juli 2014 in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) ingeschreven gestaan op het adres [adres] . [naam 2] heeft (onder andere) in de jaren 2012 tot en met 2014 in de BRP ingeschreven gestaan op dat adres. Daarnaast hebben [naam 4] , geboren op [geboortedatum 2] , en [naam 5] , geboren op 28 [geboortedatum 3] , (onder andere) in de jaren 2012 tot en met 2014 ook op dat adres ingeschreven gestaan. 3. Verweerder heeft bij besluit van 27 december 2013 aan eiseres een voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2014 toegekend van € 865,-. Verweerders besluitvorming en zijn standpunt in beroep 4. Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het jaar 2014 definitief vastgesteld op € 432,- en een bedrag van € 463,- van eiseres teruggevorderd. Verweerder is er bij de berekening van het recht op zorgtoeslag van uitgegaan dat [naam 2] van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 de toeslagpartner van eiseres is. Ook het inkomen van [naam 2] is daarom in aanmerking genomen. Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres, gelet op het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiseres en [naam 2] , over de maanden januari tot en met juni 2014 geen recht heeft op zorgtoeslag. Verder heeft verweerder vastgesteld dat eiseres over de maanden juli tot en met december 2014 recht heeft op € 72,- zorgtoeslag per maand. 5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat als toeslagpartner wordt aangemerkt degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de BRP en waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste één van beiden staat ingeschreven. Eiseres heeft van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 op hetzelfde adres ingeschreven gestaan als [naam 2] en [naam 5] , het minderjarige kind van [naam 2] . Daarom is [naam 2] voor deze periode de toeslagpartner van eiseres en wordt de zorgtoeslag berekend met het gezamenlijk inkomen. 6. Verweerder heeft in beroep de motivering van het bestreden besluit als volgt gewijzigd. In de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 stond ook [naam 4] , de op dat moment meerderjarige zoon van [naam 2] , ingeschreven in de BRP op hetzelfde adres. Daarmee was in die periode dus sprake van drie meerderjarigen (en één minderjarige) op hetzelfde adres. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir is alleen van toepassing op een bewoningssituatie met twee meerderjarigen. Daarom is in dit geval arti De van toepassing zijnde regelgeving is opgenomen in de bijlage. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 9. Aangezien verweerder in beroep de wettelijke grondslag en de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dat betekent dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit moet om die reden worden vernietigd. 10. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal de rechtbank aan de hand van de door verweerder gegeven gewijzigde motivering beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Daartoe moet beoordeeld worden of verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het berekeningsjaar 2014 juist heeft vastgesteld. 11. In geschil is of [naam 2] terecht als toeslagpartner van eiseres is aangemerkt bij de vaststelling van het recht op zorgtoeslag over het berekeningsjaar 2014. Als iemand toeslagpartner is, moet diens inkomen ook worden meegenomen bij de hoogte van het recht op zorgtoeslag. 12. Aangezien verweerder het toeslagpartnerschap over 2014 mede baseert op de situatie in 2013 zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of [naam 2] over het berekeningsjaar 2013 als toeslagpartner van eiseres is aan te merken. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is daarna de vraag aan de orde of zij ook over het berekeningsjaar 2014 toeslagpartners zijn. Is [naam 2] over het berekeningsjaar 2013 toeslagpartner van eiseres? 13. De rechtbank begrijpt dat de oom van eiseres in een voor haar moeilijke periode een belangrijke rol heeft gespeeld door, kort gezegd, als een vervangende ouder te fungeren. Dat eiseres haar oom niet als partner ziet, kan de rechtbank zich voorstellen. De betekenis die het begrip partner in het normaal spraakgebruik heeft, is echter niet hetzelfde als de juridische betekenis die dat begrip in de Awir heeft. De rechtbank moet beslissen op basis van de juridische betekenis van het begrip partner. Die juridische betekenis is gedefinieerd in artikel 3 van de Awir. 14. Gedurende het gehele jaar 2013 stonden eiseres, [naam 2] en de twee zoons van [naam 2] ingeschreven op hetzelfde adres. Van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 waren beide zoons nog minderjarig. Op 22 mei 2013 is de oudste zoon meerderjarig geworden. Er was geen schriftelijke huurovereenkomst op grond waarvan eiseres een deel van de woning op zakelijke gronden huurde. 15. Gelet op voornoemde gegevens is naar het oordeel van de rechtbank in de periode van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 sprake van een situatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Dat betekent dat eiseres en [naam 2] in de periode van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 op grond van die bepaling worden aangemerkt als (toeslag)partners. 16. Voor het aannemen van een uitzondering zoals door eiseres bepleit, ziet de rechtbank geen grond. Daartoe wordt het volgende overwogen. 17. Artikel 3 van de Awir is dwingend geformuleerd en de Awir biedt geen mogelijkheid om af te wijken van hetgeen in artikel 3 is bepaald. 18. Met de wijziging van het partnerbegrip in de Awir (zie de Fiscale vereenvoudigingswet 2010) met ingang van 1 januari 2012 heeft de wetgever de materiële toets of bij ongehuwd samenwonenden sprake is van een gezamenlijke huishouding laten vervallen en daarvoor in de plaats objectieve criteria gehanteerd. Ook bij de invoering van onderdeel e van het tweede lid van artikel 3 van de Awir heeft de wetgever objectieve criteria gehanteerd. Daarmee heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij – uit een oogpunt van eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen – op grond van objectiveerbare gegevens door verweerder kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar d Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2052) moet hieronder ook een stiefkind worden verstaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet te kwalificeren is als stiefkind ten opzichte van haar oom, omdat haar oom de ex-echtgenoot van de zus van haar moeder is en er daarmee geen aanverwantschap tussen eiseres en haar oom bestond. De stelling dat eiseres gelijk moet worden gesteld met een stiefkind volgt de rechtbank evenmin, reeds omdat de Awir geen basis biedt voor een dergelijke gelijkstelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op de in artikel 3, vijfde lid, van de Awir genoemde uitzondering geen beroep kan doen. 24. De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en [naam 2] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 als toeslagpartners zijn aan te merken. 25. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Awir wordt degene die ingevolge het tweede lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de BRP als de belanghebbende. Toepassing van artikel 3, derde lid, van de Awir betekent in dit geval dat [naam 2] ook in de andere perioden van 2013 wordt aangemerkt als toeslagpartner van eiseres. Beiden waren immers ook gedurende de rest van 2013 op hetzelfde woonadres ingeschreven. 26. Dit betekent dat eiseres en [naam 2] over het gehele berekeningsjaar 2013 als toeslagpartners worden aangemerkt. Is [naam 2] over het berekeningsjaar 2014 toeslagpartner van eiseres? 27. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en [naam 2] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir ook over het berekeningsjaar 2014 als toeslagpartners zijn aan te merken. 28. Dat in deze procedure de vaststelling van het recht op zorgtoeslag betrekking heeft op het berekeningsjaar 2014 neemt niet weg dat allereerst vastgesteld diende te worden of in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar, in dit geval 2013, sprake was van toeslagpartnerschap. Het kalenderjaar 2013 valt samen met het berekeningsjaar 2013. Niet valt in te zien dat in dit geval artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir zich ertegen zou verzetten om met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 3, derde lid, van de Awir vast te stellen of sprake is van partnerschap in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar. In de wetsgeschiedenis heeft de rechtbank evenmin aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat een dergelijke toepassing in dit geval niet geoorloofd zou zijn. 29. Het argument van eiseres dat deze toepassing van artikel 3 van de Awir tot het resultaat zou leiden dat ook voor volgende jaren het partnerschap steeds wordt aangenomen zonder dat daar een einde aan komt, leidt niet tot een ander oordeel. Dat resultaat is het gevolg van de systematiek van artikel 3 van de Awir. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat dit alleen het geval is bij gelijkblijvende omstandigheden. Indien de betrokkenen niet langer op hetzelfde woonadres zijn ingeschreven (zie de aanhef van het tweede lid van artikel 3) of indien zich een wijziging voordoet als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Awir is niet langer sprake van partnerschap. Van een ongerechtvaardigd resultaat is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. 30. Het voorgaande betekent – mede in aanmerking genomen dat eiseres vanaf 1 juli 2014 niet langer ingeschreven was op hetzelfde adres als [naam 2] – dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres en [naam 2] van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 als toeslagpartners zijn aan te merken. Conclusie 31. De rechtbank concludeert dat verweerder het recht op zorgtoe