Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2016-01-26
ECLI:NL:RBAMS:2016:9779
Strafrecht, Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
23,151 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/710069-11 (ontneming)
Datum uitspraak: 26 januari 2016
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/710069-11, tegen:
[veroordeelde]
, hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie mr. M.P. Kok en van wat veroordeelde en zijn raadsman mr. W.J. Ausma naar voren hebben gebracht.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 3 juni 2014 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 43.908.994, -.
Bij conclusie van repliek van 27 november 2014 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het wederrechtelijk verkregen voordeel stelt op € 879.833, - en de betalingsverplichting stelt op € 584.366, -.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente over de onder veroordeelde in beslag genomen contante gelden.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
- Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en
- medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:
Medeplegen van witwassen.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het vonnis van 18 augustus 2014
In het vonnis van 18 augustus 2014 ten aanzien van veroordeelde, heeft de rechtbank onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van het witwassen vastgesteld:
“In het vonnis van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de ABN AMRO-bank op 19 maart 2010 heeft opgelicht. Het geldbedrag dat hij daarmee verkreeg, ontving hij op de rekening van [naam 1] Eveneens op 19 maart 2010 heeft [medeverdachte 1] dit bedrag verder doorgeboekt naar Hongarije (aangifte 1, zaak [naam 1] ). Het ging om in totaal € 5.279.000,00, bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 overgemaakt aan [naam bedrijf 1] en een deel van € 2.430.000,00 aan [naam bedrijf 2] .
[medeverdachte 6] , de eigenaar van deze Hongaarse bedrijven en degene die toegang had tot de rekeningen, werd op 22 maart 2010 aangehouden en zat vanaf dat moment gedetineerd. De administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van die Hongaarse bedrijven lagen op het kantoor van [medeverdachte] te [plaats] .
Een groep personen, onder wie [medeverdachte 2] , [veroordeelde] en eenmaal [medeverdachte 3] , heeft in de daaropvolgende periode vanaf 30 maart 2010 meermalen bezoeken gebracht aan [medeverdachte] . Het was deze groep te doen om geld, zo blijkt uit de verklaring van [veroordeelde] , en om de genoemde gegevens, kennelijk om over de rekening van de bedrijven te kunnen beschikken. Deze gegevens hebben zij van [medeverdachte] ontvangen. Daarna is de groep nog meermalen bij [medeverdachte] langsgegaan om hem om assistentie te vragen bij het digitaal overboeken van bedragen van de rekening.
De provider heeft de voor de overboekingen vereiste dubbele simkaart van de telefoon die bij [medeverdachte 6] in gebruik was, eerst op 3 april 2010 afgegeven. Na die datum zijn nog bezoeken aan [medeverdachte] gevolgd en hebben van 11 april 2010 tot en met 28 april 2010 daadwerkelijk overboekingen van de rekening van de bedrijven plaatsgevonden.
Ook slaat de rechtbank acht op het volgende.
Een van de hiervoor genoemde overboekingen vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [naam bedrijf 3 B.V. ] Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 4] in Hongarije. Verdachte is tweemaal met de auto samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar Hongarije gereisd. De tweede maal heeft [medeverdachte 4] op 27 en 29 april 2010 het grootste deel van dit bedrag contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije en aan [medeverdachte 3] en verdachte afgestaan.
[naam bedrijf 3 B.V. ] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.
Daarnaast heeft de rechtbank in haar vonnis van 18 augustus 2014 de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie vastgesteld:
“ [medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar in georganiseerd verband vijfmaal banken voor grote bedragen opgelicht. Hij maakte bij de oplichting gebruik van rekeningen van katvangers en boekte de verkregen bedragen over naar weer andere katvangers en zelfs naar rekeningen van bedrijven en personen in het buitenland. Veel van deze overgeboekte bedragen werden vervolgens via verschillende overboekingen doorgesluisd naar andere rekeningen, van waar zij veelal contant werden opgenomen.
Verdachte komt in één zaaksdossier naar voren als betrokkene bij het witwasproces dat volgde op de oplichtingsfeiten, te weten bij het voortdurende delict witwassen in maart en april 2010, het voorhanden hebben van een miljoenenbedrag op de rekeningen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] in Hongarije (het hiervoor besproken feit 3).
(…)
Een van de overboekingen vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [naam bedrijf 3 B.V. ] Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 4] in Hongarije. Vervolgens heeft verdachte het grootste deel van dit bedrag samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 27 en 29 april 2010 contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije.
Beoordeling
4.4.1.
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit het feit
De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van het bedrag van € 5.279.000, - dat uit aangifte 1 was verkregen. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen dat veroordeelde samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van oplichting en gewoontewitwassen.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] maakten samen deel uit van de harde kern van de criminele organisatie. Daarbinnen zorgde [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 5] voor katvangers en het contant opnemen van gelden. [medeverdachte 3] is waarschijnlijk de schakel geweest tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en de groep van veroordeelde, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] .
Op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 kan worden geconcludeerd dat de criminele organisatie, waarvan veroordeelde deel uitmaakte, op 19 maart 2010 (aangifte 1) de beschikking heeft gekregen over € 5.279.000, -.
Van het bedrag van € 5.279.000, - is, door tijdig ingrijpen van de bank, € 902.873,83 retour ontvangen. Hoewel de criminele organisatie korte tijd over dit geld heeft kunnen beschikken, is de rechtbank van oordeel dat – nu dit geld inmiddels terug is bij de bank – niet gesteld kan worden dat de criminele organisatie dit geld daadwerkelijk als wederechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Het bedrag van € 902.873,83 zal daarom in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank passeert het verweer van de verdediging dat van de totale fraude slechts een bedrag van € 3.491.772, - nog niet is geretourneerd aan de bank. Hoewel de rechtbank bij de strafmotivering van het vonnis van 18 augustus 2014 heeft verwezen naar document AH7049 waar dit uit zou blijken, blijkt dit niet uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de bedragen die in dit rapport worden genoemd, temeer daar niet duidelijk is waarop het in AH7049 genoemde bedrag is gebaseerd.
Van de € 5.279.000, - is, na meerdere overboekingen, uiteindelijk een bedrag van € 954.000, - terecht gekomen op een Luxemburgse bankrekening van [naam rechtspersoon] . Op dit geld is beslag gelegd. De rechtbank heeft van de officier van justitie begrepen dat [naam rechtspersoon] failliet is verklaard en dat dit bedrag nog steeds onder beslag ligt. Hoewel de criminele organisatie op enig moment de beschikkingsmacht heeft gehad over dit bedrag – immers is het door personen binnen de organisatie of in opdracht van de organisatie overgemaakt naar de rekening van [naam rechtspersoon] , kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat personen uit de organisatie daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten uit dit geld. Immers kan geen van de leden van de organisatie door het faillissement nog beschikken over dit geld en moet verwacht worden dat dit geld – voor zover [naam rechtspersoon] geen andere schuldeisers heeft – zal worden geretourneerd aan de bank. De rechtbank zal daarom ook het geldbedrag van € 954.000, - in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten slotte komen volgens vaste jurisprudentie, bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kosten die in directe relatie staan tot het delict voor aftrek in aanmerking. Deze kosten bedragen ten aanzien van aangifte 1 € 869.938,43. De rechtbank zal ook deze kosten in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond van het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de criminele organisatie door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 2.552.187,74.
Op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Daarbij is onder ogen gezien dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. In dat verband is door de Hoge Raad overwogen dat de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, zal moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde samen met vijf anderen onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie, die het voornoemde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Uit het rapport, en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, blijkt echter niet hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel concreet is verdeeld. Hieruit blijkt wel dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de harde kern van de criminele organisatie vormden en dat [medeverdachte 3] een belangrijke schakel was tussen deze harde kern en de overige leden van de criminele organisatie. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten bevat om tussen deze personen te differentiëren, zal de rechtbank een gelijk deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan deze vier personen toerekenen.
Wel ziet de rechtbank aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat veroordeelde en [medeverdachte 6] een andere rol binnen de criminele organisatie hebben gehad dan de andere veroordeelden. Immers is het gehele bedrag van € 5.279.000, - overgemaakt naar bankrekeningen van [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] , welke rekeningen aan [medeverdachte 6] gekoppeld konden worden. De rechtbank heeft [medeverdachte 6] in haar vonnis van 18 augustus 2014 om deze reden ook aangemerkt als katvanger. De ervaring leert dat personen van wie bankrekeningen worden gebruikt in de witwasconstructie doorgaans lager in de hiërarchie van een criminele organisatie staan, dan de personen die niet op een dermate gemakkelijke manier in verband kunnen worden gebracht met de strafbare feiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een kleiner deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [medeverdachte 6] toe te rekenen, dan aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Ook een bankrekening die aan veroordeelde gekoppeld kon worden, is gebruikt om geld naar over te maken. Uit het dossier blijkt weliswaar dat veroordeelde een veel actievere rol heeft gespeeld in het witwasproces dan [medeverdachte 6] , maar het gebruik van zijn bankrekening suggereert wel dat hij een ondergeschikte rol had in de criminele organisatie.
Conclusie
Al het voorgaande betekent dat de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald schat op € 255.218,77, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
5De verplichting tot betaling
5.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de betalingsverplichting (daarnaast) aangevoerd dat de verweren van de verdediging met betrekking tot de draagkracht van veroordeelde gepasseerd moeten worden omdat de draagkracht van veroordeelde pas in de executiefase relevant is.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en bij schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van de betalingsverplichting.
Zowel veroordeelde in privé, als de rechtspersoon waaronder uitgebreid beslag is gelegd beschikken niet over meer draagkracht of vermogen dan van hen in conservatoir beslag is genomen. Inmiddels zijn de banken overgegaan tot gedwongen verkoop van alle bezittingen en zijn verdachten van elke financiering afgesneden. Feitelijk zijn verdachte alsook zijn rechtspersonen failliet zonder uitzicht op herstel. Veroordeelde is 54 jaar oud. Herintreding op de arbeidsmarkt is, mede gelet op zijn strafblad, volstrekt onrealistisch. Nu geen reguliere financier hem van kapitaal zal willen voorzien, is hervatting van zijn zakelijke activiteiten ook onmogelijk. De betalingsverplichting moet daarom worden gematigd.
Daarnaast is de redelijke termijn, die is aangevangen op 23 mei 2011, met meer dan twee jaren overschreden. Een compensatie van 10% is daarvoor redelijk.
5.3.
Beoordeling
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld in het ontnemingsgeding indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Nu vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, zal de rechtbank het verweer van de verdediging verwerpen.
Bij het bepalen van de betalingsverplichting moet echter wel rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. Deze is aangevangen op 23 mei 2011, zijn de datum waarop conservatoir beslag onder verdachte is gelegd, zodat niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn over de ontnemingsvordering is beslist.
Blijkens standaardjurisprudentie van de Hoge Raad dient bij een overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden een percentage van 10%, met een maximum van € 5.000, -, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. In gevallen waar de redelijke termijn met meer dan één jaar is overschreden, moet naar bevind van zaken worden gehandeld. Nu de redelijke termijn met twee jaren en acht maanden is overschreden, is de rechtbank van oordeel dat een percentage van 10%, zonder maximum, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 229.696.89, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 255.218,77, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 229.696.89 (tweehonderdnegenentwintigdeuizendzeshonderdzesennegentig euro en negenentachtig cent) aan de Staat, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,
mrs. R.H.C. Jongeneel en B. Vogel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2016.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 5).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 6).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 23).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 33).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 25).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 28).
HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 28).
HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:884.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 11).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 12).
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1454.
HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/710069-11 (ontneming)
Datum uitspraak: 26 januari 2016
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/710069-11, tegen:
[veroordeelde]
, hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie mr. M.P. Kok en van wat veroordeelde en zijn raadsman mr. W.J. Ausma naar voren hebben gebracht.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 3 juni 2014 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 43.908.994, -.
Bij conclusie van repliek van 27 november 2014 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het wederrechtelijk verkregen voordeel stelt op € 879.833, - en de betalingsverplichting stelt op € 584.366, -.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente over de onder veroordeelde in beslag genomen contante gelden.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
- Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en
- medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:
Medeplegen van witwassen.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het vonnis van 18 augustus 2014
In het vonnis van 18 augustus 2014 ten aanzien van veroordeelde, heeft de rechtbank onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van het witwassen vastgesteld:
“In het vonnis van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de ABN AMRO-bank op 19 maart 2010 heeft opgelicht. Het geldbedrag dat hij daarmee verkreeg, ontving hij op de rekening van [naam 1] Eveneens op 19 maart 2010 heeft [medeverdachte 1] dit bedrag verder doorgeboekt naar Hongarije (aangifte 1, zaak [naam 1] ). Het ging om in totaal € 5.279.000,00, bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 overgemaakt aan [naam bedrijf 1] en een deel van € 2.430.000,00 aan [naam bedrijf 2] .
[medeverdachte 6] , de eigenaar van deze Hongaarse bedrijven en degene die toegang had tot de rekeningen, werd op 22 maart 2010 aangehouden en zat vanaf dat moment gedetineerd. De administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van die Hongaarse bedrijven lagen op het kantoor van [medeverdachte] te [plaats] .
Een groep personen, onder wie [medeverdachte 2] , [veroordeelde] en eenmaal [medeverdachte 3] , heeft in de daaropvolgende periode vanaf 30 maart 2010 meermalen bezoeken gebracht aan [medeverdachte] . Het was deze groep te doen om geld, zo blijkt uit de verklaring van [veroordeelde] , en om de genoemde gegevens, kennelijk om over de rekening van de bedrijven te kunnen beschikken. Deze gegevens hebben zij van [medeverdachte] ontvangen. Daarna is de groep nog meermalen bij [medeverdachte] langsgegaan om hem om assistentie te vragen bij het digitaal overboeken van bedragen van de rekening.
De provider heeft de voor de overboekingen vereiste dubbele simkaart van de telefoon die bij [medeverdachte 6] in gebruik was, eerst op 3 april 2010 afgegeven. Na die datum zijn nog bezoeken aan [medeverdachte] gevolgd en hebben van 11 april 2010 tot en met 28 april 2010 daadwerkelijk overboekingen van de rekening van de bedrijven plaatsgevonden.
Ook slaat de rechtbank acht op het volgende.
Een van de hiervoor genoemde overboekingen vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [naam bedrijf 3 B.V. ] Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 4] in Hongarije. Verdachte is tweemaal met de auto samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar Hongarije gereisd. De tweede maal heeft [medeverdachte 4] op 27 en 29 april 2010 het grootste deel van dit bedrag contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije en aan [medeverdachte 3] en verdachte afgestaan.
[naam bedrijf 3 B.V. ] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.
Daarnaast heeft de rechtbank in haar vonnis van 18 augustus 2014 de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie vastgesteld:
“ [medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar in georganiseerd verband vijfmaal banken voor grote bedragen opgelicht. Hij maakte bij de oplichting gebruik van rekeningen van katvangers en boekte de verkregen bedragen over naar weer andere katvangers en zelfs naar rekeningen van bedrijven en personen in het buitenland. Veel van deze overgeboekte bedragen werden vervolgens via verschillende overboekingen doorgesluisd naar andere rekeningen, van waar zij veelal contant werden opgenomen.
Verdachte komt in één zaaksdossier naar voren als betrokkene bij het witwasproces dat volgde op de oplichtingsfeiten, te weten bij het voortdurende delict witwassen in maart en april 2010, het voorhanden hebben van een miljoenenbedrag op de rekeningen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] in Hongarije (het hiervoor besproken feit 3).
(…)
Een van de overboekingen vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [naam bedrijf 3 B.V. ] Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 4] in Hongarije. Vervolgens heeft verdachte het grootste deel van dit bedrag samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 27 en 29 april 2010 contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije.
Beoordeling
4.4.1.
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit het feit
De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van het bedrag van € 5.279.000, - dat uit aangifte 1 was verkregen. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen dat veroordeelde samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van oplichting en gewoontewitwassen.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] maakten samen deel uit van de harde kern van de criminele organisatie. Daarbinnen zorgde [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 5] voor katvangers en het contant opnemen van gelden. [medeverdachte 3] is waarschijnlijk de schakel geweest tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en de groep van veroordeelde, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] .
Op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 kan worden geconcludeerd dat de criminele organisatie, waarvan veroordeelde deel uitmaakte, op 19 maart 2010 (aangifte 1) de beschikking heeft gekregen over € 5.279.000, -.
Van het bedrag van € 5.279.000, - is, door tijdig ingrijpen van de bank, € 902.873,83 retour ontvangen. Hoewel de criminele organisatie korte tijd over dit geld heeft kunnen beschikken, is de rechtbank van oordeel dat – nu dit geld inmiddels terug is bij de bank – niet gesteld kan worden dat de criminele organisatie dit geld daadwerkelijk als wederechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Het bedrag van € 902.873,83 zal daarom in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank passeert het verweer van de verdediging dat van de totale fraude slechts een bedrag van € 3.491.772, - nog niet is geretourneerd aan de bank. Hoewel de rechtbank bij de strafmotivering van het vonnis van 18 augustus 2014 heeft verwezen naar document AH7049 waar dit uit zou blijken, blijkt dit niet uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de bedragen die in dit rapport worden genoemd, temeer daar niet duidelijk is waarop het in AH7049 genoemde bedrag is gebaseerd.
Van de € 5.279.000, - is, na meerdere overboekingen, uiteindelijk een bedrag van € 954.000, - terecht gekomen op een Luxemburgse bankrekening van [naam rechtspersoon] . Op dit geld is beslag gelegd. De rechtbank heeft van de officier van justitie begrepen dat [naam rechtspersoon] failliet is verklaard en dat dit bedrag nog steeds onder beslag ligt. Hoewel de criminele organisatie op enig moment de beschikkingsmacht heeft gehad over dit bedrag – immers is het door personen binnen de organisatie of in opdracht van de organisatie overgemaakt naar de rekening van [naam rechtspersoon] , kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat personen uit de organisatie daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten uit dit geld. Immers kan geen van de leden van de organisatie door het faillissement nog beschikken over dit geld en moet verwacht worden dat dit geld – voor zover [naam rechtspersoon] geen andere schuldeisers heeft – zal worden geretourneerd aan de bank. De rechtbank zal daarom ook het geldbedrag van € 954.000, - in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten slotte komen volgens vaste jurisprudentie, bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kosten die in directe relatie staan tot het delict voor aftrek in aanmerking. Deze kosten bedragen ten aanzien van aangifte 1 € 869.938,43. De rechtbank zal ook deze kosten in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond van het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de criminele organisatie door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 2.552.187,74.
Op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Daarbij is onder ogen gezien dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. In dat verband is door de Hoge Raad overwogen dat de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, zal moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde samen met vijf anderen onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie, die het voornoemde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Uit het rapport, en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, blijkt echter niet hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel concreet is verdeeld. Hieruit blijkt wel dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de harde kern van de criminele organisatie vormden en dat [medeverdachte 3] een belangrijke schakel was tussen deze harde kern en de overige leden van de criminele organisatie. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten bevat om tussen deze personen te differentiëren, zal de rechtbank een gelijk deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan deze vier personen toerekenen.
Wel ziet de rechtbank aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat veroordeelde en [medeverdachte 6] een andere rol binnen de criminele organisatie hebben gehad dan de andere veroordeelden. Immers is het gehele bedrag van € 5.279.000, - overgemaakt naar bankrekeningen van [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] , welke rekeningen aan [medeverdachte 6] gekoppeld konden worden. De rechtbank heeft [medeverdachte 6] in haar vonnis van 18 augustus 2014 om deze reden ook aangemerkt als katvanger. De ervaring leert dat personen van wie bankrekeningen worden gebruikt in de witwasconstructie doorgaans lager in de hiërarchie van een criminele organisatie staan, dan de personen die niet op een dermate gemakkelijke manier in verband kunnen worden gebracht met de strafbare feiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een kleiner deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [medeverdachte 6] toe te rekenen, dan aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Ook een bankrekening die aan veroordeelde gekoppeld kon worden, is gebruikt om geld naar over te maken. Uit het dossier blijkt weliswaar dat veroordeelde een veel actievere rol heeft gespeeld in het witwasproces dan [medeverdachte 6] , maar het gebruik van zijn bankrekening suggereert wel dat hij een ondergeschikte rol had in de criminele organisatie.
Conclusie
Al het voorgaande betekent dat de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald schat op € 255.218,77, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
5De verplichting tot betaling
5.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de betalingsverplichting (daarnaast) aangevoerd dat de verweren van de verdediging met betrekking tot de draagkracht van veroordeelde gepasseerd moeten worden omdat de draagkracht van veroordeelde pas in de executiefase relevant is.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en bij schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van de betalingsverplichting.
Zowel veroordeelde in privé, als de rechtspersoon waaronder uitgebreid beslag is gelegd beschikken niet over meer draagkracht of vermogen dan van hen in conservatoir beslag is genomen. Inmiddels zijn de banken overgegaan tot gedwongen verkoop van alle bezittingen en zijn verdachten van elke financiering afgesneden. Feitelijk zijn verdachte alsook zijn rechtspersonen failliet zonder uitzicht op herstel. Veroordeelde is 54 jaar oud. Herintreding op de arbeidsmarkt is, mede gelet op zijn strafblad, volstrekt onrealistisch. Nu geen reguliere financier hem van kapitaal zal willen voorzien, is hervatting van zijn zakelijke activiteiten ook onmogelijk. De betalingsverplichting moet daarom worden gematigd.
Daarnaast is de redelijke termijn, die is aangevangen op 23 mei 2011, met meer dan twee jaren overschreden. Een compensatie van 10% is daarvoor redelijk.
5.3.
Beoordeling
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld in het ontnemingsgeding indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Nu vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, zal de rechtbank het verweer van de verdediging verwerpen.
Bij het bepalen van de betalingsverplichting moet echter wel rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. Deze is aangevangen op 23 mei 2011, zijn de datum waarop conservatoir beslag onder verdachte is gelegd, zodat niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn over de ontnemingsvordering is beslist.
Blijkens standaardjurisprudentie van de Hoge Raad dient bij een overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden een percentage van 10%, met een maximum van € 5.000, -, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. In gevallen waar de redelijke termijn met meer dan één jaar is overschreden, moet naar bevind van zaken worden gehandeld. Nu de redelijke termijn met twee jaren en acht maanden is overschreden, is de rechtbank van oordeel dat een percentage van 10%, zonder maximum, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 229.696.89, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 255.218,77, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 229.696.89 (tweehonderdnegenentwintigdeuizendzeshonderdzesennegentig euro en negenentachtig cent) aan de Staat, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,
mrs. R.H.C. Jongeneel en B. Vogel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2016.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 5).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 6).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 23).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 33).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 25).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 28).
HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 28).
HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:884.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 11).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 12).
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1454.
HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/710069-11 (ontneming)
Datum uitspraak: 26 januari 2016
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/710069-11, tegen:
[veroordeelde]
, hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie mr. M.P. Kok en van wat veroordeelde en zijn raadsman mr. W.J. Ausma naar voren hebben gebracht.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 3 juni 2014 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 43.908.994, -.
Bij conclusie van repliek van 27 november 2014 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het wederrechtelijk verkregen voordeel stelt op € 879.833, - en de betalingsverplichting stelt op € 584.366, -.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente over de onder veroordeelde in beslag genomen contante gelden.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
- Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en
- medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:
Medeplegen van witwassen.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het vonnis van 18 augustus 2014
In het vonnis van 18 augustus 2014 ten aanzien van veroordeelde, heeft de rechtbank onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van het witwassen vastgesteld:
“In het vonnis van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de ABN AMRO-bank op 19 maart 2010 heeft opgelicht. Het geldbedrag dat hij daarmee verkreeg, ontving hij op de rekening van [naam 1] Eveneens op 19 maart 2010 heeft [medeverdachte 1] dit bedrag verder doorgeboekt naar Hongarije (aangifte 1, zaak [naam 1] ). Het ging om in totaal € 5.279.000,00, bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 overgemaakt aan [naam bedrijf 1] en een deel van € 2.430.000,00 aan [naam bedrijf 2] .
[medeverdachte 6] , de eigenaar van deze Hongaarse bedrijven en degene die toegang had tot de rekeningen, werd op 22 maart 2010 aangehouden en zat vanaf dat moment gedetineerd. De administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van die Hongaarse bedrijven lagen op het kantoor van [medeverdachte] te [plaats] .
Een groep personen, onder wie [medeverdachte 2] , [veroordeelde] en eenmaal [medeverdachte 3] , heeft in de daaropvolgende periode vanaf 30 maart 2010 meermalen bezoeken gebracht aan [medeverdachte] . Het was deze groep te doen om geld, zo blijkt uit de verklaring van [veroordeelde] , en om de genoemde gegevens, kennelijk om over de rekening van de bedrijven te kunnen beschikken. Deze gegevens hebben zij van [medeverdachte] ontvangen. Daarna is de groep nog meermalen bij [medeverdachte] langsgegaan om hem om assistentie te vragen bij het digitaal overboeken van bedragen van de rekening.
De provider heeft de voor de overboekingen vereiste dubbele simkaart van de telefoon die bij [medeverdachte 6] in gebruik was, eerst op 3 april 2010 afgegeven. Na die datum zijn nog bezoeken aan [medeverdachte] gevolgd en hebben van 11 april 2010 tot en met 28 april 2010 daadwerkelijk overboekingen van de rekening van de bedrijven plaatsgevonden.
Ook slaat de rechtbank acht op het volgende.
Een van de hiervoor genoemde overboekingen vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [naam bedrijf 3 B.V. ] Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 4] in Hongarije. Verdachte is tweemaal met de auto samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar Hongarije gereisd. De tweede maal heeft [medeverdachte 4] op 27 en 29 april 2010 het grootste deel van dit bedrag contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije en aan [medeverdachte 3] en verdachte afgestaan.
[naam bedrijf 3 B.V. ] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.
Daarnaast heeft de rechtbank in haar vonnis van 18 augustus 2014 de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie vastgesteld:
“ [medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar in georganiseerd verband vijfmaal banken voor grote bedragen opgelicht. Hij maakte bij de oplichting gebruik van rekeningen van katvangers en boekte de verkregen bedragen over naar weer andere katvangers en zelfs naar rekeningen van bedrijven en personen in het buitenland. Veel van deze overgeboekte bedragen werden vervolgens via verschillende overboekingen doorgesluisd naar andere rekeningen, van waar zij veelal contant werden opgenomen.
Verdachte komt in één zaaksdossier naar voren als betrokkene bij het witwasproces dat volgde op de oplichtingsfeiten, te weten bij het voortdurende delict witwassen in maart en april 2010, het voorhanden hebben van een miljoenenbedrag op de rekeningen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] in Hongarije (het hiervoor besproken feit 3).
(…)
Een van de overboekingen vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [naam bedrijf 3 B.V. ] Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 4] in Hongarije. Vervolgens heeft verdachte het grootste deel van dit bedrag samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 27 en 29 april 2010 contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije.
Beoordeling
4.4.1.
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit het feit
De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van het bedrag van € 5.279.000, - dat uit aangifte 1 was verkregen. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen dat veroordeelde samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van oplichting en gewoontewitwassen.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] maakten samen deel uit van de harde kern van de criminele organisatie. Daarbinnen zorgde [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 5] voor katvangers en het contant opnemen van gelden. [medeverdachte 3] is waarschijnlijk de schakel geweest tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en de groep van veroordeelde, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] .
Op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 kan worden geconcludeerd dat de criminele organisatie, waarvan veroordeelde deel uitmaakte, op 19 maart 2010 (aangifte 1) de beschikking heeft gekregen over € 5.279.000, -.
Van het bedrag van € 5.279.000, - is, door tijdig ingrijpen van de bank, € 902.873,83 retour ontvangen. Hoewel de criminele organisatie korte tijd over dit geld heeft kunnen beschikken, is de rechtbank van oordeel dat – nu dit geld inmiddels terug is bij de bank – niet gesteld kan worden dat de criminele organisatie dit geld daadwerkelijk als wederechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Het bedrag van € 902.873,83 zal daarom in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank passeert het verweer van de verdediging dat van de totale fraude slechts een bedrag van € 3.491.772, - nog niet is geretourneerd aan de bank. Hoewel de rechtbank bij de strafmotivering van het vonnis van 18 augustus 2014 heeft verwezen naar document AH7049 waar dit uit zou blijken, blijkt dit niet uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de bedragen die in dit rapport worden genoemd, temeer daar niet duidelijk is waarop het in AH7049 genoemde bedrag is gebaseerd.
Van de € 5.279.000, - is, na meerdere overboekingen, uiteindelijk een bedrag van € 954.000, - terecht gekomen op een Luxemburgse bankrekening van [naam rechtspersoon] . Op dit geld is beslag gelegd. De rechtbank heeft van de officier van justitie begrepen dat [naam rechtspersoon] failliet is verklaard en dat dit bedrag nog steeds onder beslag ligt. Hoewel de criminele organisatie op enig moment de beschikkingsmacht heeft gehad over dit bedrag – immers is het door personen binnen de organisatie of in opdracht van de organisatie overgemaakt naar de rekening van [naam rechtspersoon] , kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat personen uit de organisatie daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten uit dit geld. Immers kan geen van de leden van de organisatie door het faillissement nog beschikken over dit geld en moet verwacht worden dat dit geld – voor zover [naam rechtspersoon] geen andere schuldeisers heeft – zal worden geretourneerd aan de bank. De rechtbank zal daarom ook het geldbedrag van € 954.000, - in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten slotte komen volgens vaste jurisprudentie, bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kosten die in directe relatie staan tot het delict voor aftrek in aanmerking. Deze kosten bedragen ten aanzien van aangifte 1 € 869.938,43. De rechtbank zal ook deze kosten in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op grond van het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de criminele organisatie door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 2.552.187,74.
Op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Daarbij is onder ogen gezien dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. In dat verband is door de Hoge Raad overwogen dat de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, zal moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde samen met vijf anderen onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie, die het voornoemde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Uit het rapport, en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, blijkt echter niet hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel concreet is verdeeld. Hieruit blijkt wel dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de harde kern van de criminele organisatie vormden en dat [medeverdachte 3] een belangrijke schakel was tussen deze harde kern en de overige leden van de criminele organisatie. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten bevat om tussen deze personen te differentiëren, zal de rechtbank een gelijk deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan deze vier personen toerekenen.
Wel ziet de rechtbank aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat veroordeelde en [medeverdachte 6] een andere rol binnen de criminele organisatie hebben gehad dan de andere veroordeelden. Immers is het gehele bedrag van € 5.279.000, - overgemaakt naar bankrekeningen van [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] , welke rekeningen aan [medeverdachte 6] gekoppeld konden worden. De rechtbank heeft [medeverdachte 6] in haar vonnis van 18 augustus 2014 om deze reden ook aangemerkt als katvanger. De ervaring leert dat personen van wie bankrekeningen worden gebruikt in de witwasconstructie doorgaans lager in de hiërarchie van een criminele organisatie staan, dan de personen die niet op een dermate gemakkelijke manier in verband kunnen worden gebracht met de strafbare feiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een kleiner deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [medeverdachte 6] toe te rekenen, dan aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Ook een bankrekening die aan veroordeelde gekoppeld kon worden, is gebruikt om geld naar over te maken. Uit het dossier blijkt weliswaar dat veroordeelde een veel actievere rol heeft gespeeld in het witwasproces dan [medeverdachte 6] , maar het gebruik van zijn bankrekening suggereert wel dat hij een ondergeschikte rol had in de criminele organisatie.
Conclusie
Al het voorgaande betekent dat de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald schat op € 255.218,77, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
5De verplichting tot betaling
5.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de betalingsverplichting (daarnaast) aangevoerd dat de verweren van de verdediging met betrekking tot de draagkracht van veroordeelde gepasseerd moeten worden omdat de draagkracht van veroordeelde pas in de executiefase relevant is.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en bij schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van de betalingsverplichting.
Zowel veroordeelde in privé, als de rechtspersoon waaronder uitgebreid beslag is gelegd beschikken niet over meer draagkracht of vermogen dan van hen in conservatoir beslag is genomen. Inmiddels zijn de banken overgegaan tot gedwongen verkoop van alle bezittingen en zijn verdachten van elke financiering afgesneden. Feitelijk zijn verdachte alsook zijn rechtspersonen failliet zonder uitzicht op herstel. Veroordeelde is 54 jaar oud. Herintreding op de arbeidsmarkt is, mede gelet op zijn strafblad, volstrekt onrealistisch. Nu geen reguliere financier hem van kapitaal zal willen voorzien, is hervatting van zijn zakelijke activiteiten ook onmogelijk. De betalingsverplichting moet daarom worden gematigd.
Daarnaast is de redelijke termijn, die is aangevangen op 23 mei 2011, met meer dan twee jaren overschreden. Een compensatie van 10% is daarvoor redelijk.
5.3.
Beoordeling
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld in het ontnemingsgeding indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Nu vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, zal de rechtbank het verweer van de verdediging verwerpen.
Bij het bepalen van de betalingsverplichting moet echter wel rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. Deze is aangevangen op 23 mei 2011, zijn de datum waarop conservatoir beslag onder verdachte is gelegd, zodat niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn over de ontnemingsvordering is beslist.
Blijkens standaardjurisprudentie van de Hoge Raad dient bij een overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden een percentage van 10%, met een maximum van € 5.000, -, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. In gevallen waar de redelijke termijn met meer dan één jaar is overschreden, moet naar bevind van zaken worden gehandeld. Nu de redelijke termijn met twee jaren en acht maanden is overschreden, is de rechtbank van oordeel dat een percentage van 10%, zonder maximum, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 229.696.89, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 255.218,77, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 229.696.89 (tweehonderdnegenentwintigdeuizendzeshonderdzesennegentig euro en negenentachtig cent) aan de Staat, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 23.635, - vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,
mrs. R.H.C. Jongeneel en B. Vogel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2016.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 5).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 6).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 23).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 33).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 25).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 28).
HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 28).
HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:884.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 11).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] (p. 12).
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1454.
HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747.
Inleiding
[naam bedrijf 3 B.V. ] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.”
De rechtbank heeft naar aanleiding van deze vastgestelde feiten de volgende conclusies getrokken:
“De feitelijke vaststellingen van de rechtbank leiden tot de volgende conclusies. Verdachte heeft in maart en april 2010 een groot geldbedrag dat [medeverdachte 1] uit misdrijf had verkregen, witgewassen en heeft delen van dat bedrag later in Hongarije contant opgenomen en een ander deel op zijn bedrijfsrekening ontvangen.
De verhullende constructie waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en de daarmee verkregen gelden via verschillende vaak buitenlandse rekeningen werden weggesluisd, is kennelijk in het leven geroepen èn uitgevoerd om enerzijds te kunnen doorgaan met het oplichten van banken en anderzijds de daarmee verkregen gelden daadwerkelijk in contanten in handen te kunnen krijgen en te kunnen besteden (witwassen), zonder dat de banken of justitie dit zouden opmerken. Dat doel vormt dan ook het criminele oogmerk van deze constructie. Om de constructie en in het bijzonder het internationale witwasproces mogelijk te maken en uit te voeren zijn een zorgvuldige voorbereiding, de medewerking van veel verschillende personen èn organisatie vereist, die gelet op de bewezenverklaarde feiten ook daadwerkelijk hebben bestaan.
Uit het aandeel van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat sprake was van het georganiseerde verband. Hij wist immers dat diverse personen ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en verschillende katvangers) erbij betrokken waren, dat de feiten gedurende een langere periode werden gepleegd en dat hij in dat geheel een specifieke rol vervulde. Hij was immers prominent bij het witwassen van bedragen via de rekeningen van katvangers betrokken, haalde zelf contante geldbedragen bij hen op en ontving geldbedragen op zijn eigen bedrijfsrekening. De duurzaamheid en de structuur van het samenwerkingsverband waren hem dan ook duidelijk. Dat niet blijkt dat verdachte op enig moment direct contact heeft gehad met [medeverdachte 1] , die het grondfeit, de oplichting, pleegde, doet hieraan niet af.
Op grond daarvan kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.”
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en bij schriftelijk requisitoir – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aangifte 1, welke betrekking heeft op een fraudebedrag van € 5.279.000, - betreft een feit dat is gepleegd op 19 maart 2010, zodat dit binnen het bereik van de deelname aan een criminele organisatie, waarvoor verdachte is veroordeeld, valt. Dit bedrag dient dus als uitgangspunt te gelden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde maakte samen met vijf anderen deel uit van een criminele organisatie. Bij een pondspondsgewijze verdeling is het daarom passend om 1/6 deel van € 5.279.000, - als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen aan veroordeelde. Hij vervulde immers een prominente rol binnen de organisatie. Dit blijkt ook uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet een pondspondsgewijze verdeling worden toegepast. Het is aan veroordeelde om concreet en gemotiveerd het tegendeel aan te tonen. Dit heeft hij niet gedaan.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet bij veroordeelde worden vastgesteld op € 879.833, -, vermeerderd met de wettelijke rente over € 23.635, - (zijnde het totaal aan inbeslaggenomen contante gelden) vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, op 15 december 2015 berekend op € 1.041,25. Deze rente is immers vervolgprofijt.
De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en ter terechtzitting – daarnaast het volgende aangevoerd ten aanzien van de betalingsverplichting.
De kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict komen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor aftrek in aanmerking. Deze kosten ten aanzien van aangifte 1 bedragen € 869.938,43. Deze kosten moeten ook pondspondsgewijs aan veroordeelde worden toegerekend, zodat 1/6 deel, te weten € 144.989, -, in aftrek dient te worden genomen op de betalingsverplichting. Daarnaast is door tijdig en adequaat handelen van de bank een bedrag van € 902.873,83 - teruggehaald. Ook 1/6 deel van dit bedrag, te weten € 150.478, -, dient in aftrek te worden genomen op de betalingsverplichting van veroordeelde. Het bedrag van € 3.491.772, -, dat in het vonnis genoemd wordt als zijnde het totale bedrag dat nog niet teruggevonden zou zijn, is achterhaald door later onderzoek en niet correct. Van de € 5.279.000, - is feitelijk slechts € 902.873,83 retour ontvangen.
Er dient bij het bepalen van de betalingsverplichting geen rekening te worden gehouden met de gelden waarop via rechtshulpverzoeken beslag is gelegd. Deze gelden zijn immers nog niet in het vermogen van de bank teruggevloeid. Dit betreft een bedrag van € 954.000, -, dat op 12 april 2010 door de criminele organisatie is overgemaakt naar [naam rechtspersoon] . Deze rechtspersoon is failliet verklaard. Er zijn daarnaast nog andere beslagen gelegd in deze zaak, maar dat betreffen allemaal (de rechtbank begrijpt: conservatoire) beslagen onder de veroordeelden.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De ontnemingsvordering moet worden afgewezen.
Uitgangspunt moet zijn dat alleen daadwerkelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Slechts wanneer het daadwerkelijke voordeel niet is vast te stellen, kan toevlucht worden genomen tot schattingen en veronderstellingen. Nu het concreet door veroordeelde behaalde voordeel wel degelijk is vast komen te staan, kan geen sprake zijn van een pondspondsgewijze verdeling van het totale fraudebedrag. Het concrete voordeel van veroordeelde is de € 100.000, - die van [naam bedrijf 3 B.V. ] is overgemaakt [naam bedrijf 4] BV. Aangezien veroordeelde echter geen zeggenschap heeft over die BV kan dit bedrag niet aan hem in persoon worden ontnomen.
Voor zover het bedrag van € 100.000, - wel aan veroordeelde kan worden toegerekend, dienen hier nog de kosten van worden afgetrokken, zodat de op te leggen verplichting tot betaling € 99.665,71 bedraagt.
Indiende rechtbank van oordeel is dat het concreet door veroordeelde behaalde voordeel niet vastgesteld kan worden, dient het aan veroordeelde te ontnemen bedrag te worden geschat aan de hand van toerekening. Daarbij dient dan als eerste beoordeeld te worden op grond van welk bedrag de toerekening plaats dient te vinden. Veroordeelde is slechts betrokken geweest bij de overschrijvingen van [naam bedrijf 1] naar katvangers, het ophalen van contant geld in Hongarije en de overboeking vanuit [naam bedrijf 3 B.V. ] [naam bedrijf 4] BV. Dit betreft een totaalbedrag van € 1.260.000, -. Hiervan dienen de kosten afgetrokken te worden, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 895.861,83 moet worden gesteld.
Inleiding
[naam bedrijf 3 B.V. ] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.”
De rechtbank heeft naar aanleiding van deze vastgestelde feiten de volgende conclusies getrokken:
“De feitelijke vaststellingen van de rechtbank leiden tot de volgende conclusies. Verdachte heeft in maart en april 2010 een groot geldbedrag dat [medeverdachte 1] uit misdrijf had verkregen, witgewassen en heeft delen van dat bedrag later in Hongarije contant opgenomen en een ander deel op zijn bedrijfsrekening ontvangen.
De verhullende constructie waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en de daarmee verkregen gelden via verschillende vaak buitenlandse rekeningen werden weggesluisd, is kennelijk in het leven geroepen èn uitgevoerd om enerzijds te kunnen doorgaan met het oplichten van banken en anderzijds de daarmee verkregen gelden daadwerkelijk in contanten in handen te kunnen krijgen en te kunnen besteden (witwassen), zonder dat de banken of justitie dit zouden opmerken. Dat doel vormt dan ook het criminele oogmerk van deze constructie. Om de constructie en in het bijzonder het internationale witwasproces mogelijk te maken en uit te voeren zijn een zorgvuldige voorbereiding, de medewerking van veel verschillende personen èn organisatie vereist, die gelet op de bewezenverklaarde feiten ook daadwerkelijk hebben bestaan.
Uit het aandeel van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat sprake was van het georganiseerde verband. Hij wist immers dat diverse personen ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en verschillende katvangers) erbij betrokken waren, dat de feiten gedurende een langere periode werden gepleegd en dat hij in dat geheel een specifieke rol vervulde. Hij was immers prominent bij het witwassen van bedragen via de rekeningen van katvangers betrokken, haalde zelf contante geldbedragen bij hen op en ontving geldbedragen op zijn eigen bedrijfsrekening. De duurzaamheid en de structuur van het samenwerkingsverband waren hem dan ook duidelijk. Dat niet blijkt dat verdachte op enig moment direct contact heeft gehad met [medeverdachte 1] , die het grondfeit, de oplichting, pleegde, doet hieraan niet af.
Op grond daarvan kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.”
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en bij schriftelijk requisitoir – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aangifte 1, welke betrekking heeft op een fraudebedrag van € 5.279.000, - betreft een feit dat is gepleegd op 19 maart 2010, zodat dit binnen het bereik van de deelname aan een criminele organisatie, waarvoor verdachte is veroordeeld, valt. Dit bedrag dient dus als uitgangspunt te gelden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde maakte samen met vijf anderen deel uit van een criminele organisatie. Bij een pondspondsgewijze verdeling is het daarom passend om 1/6 deel van € 5.279.000, - als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen aan veroordeelde. Hij vervulde immers een prominente rol binnen de organisatie. Dit blijkt ook uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet een pondspondsgewijze verdeling worden toegepast. Het is aan veroordeelde om concreet en gemotiveerd het tegendeel aan te tonen. Dit heeft hij niet gedaan.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet bij veroordeelde worden vastgesteld op € 879.833, -, vermeerderd met de wettelijke rente over € 23.635, - (zijnde het totaal aan inbeslaggenomen contante gelden) vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, op 15 december 2015 berekend op € 1.041,25. Deze rente is immers vervolgprofijt.
De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en ter terechtzitting – daarnaast het volgende aangevoerd ten aanzien van de betalingsverplichting.
De kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict komen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor aftrek in aanmerking. Deze kosten ten aanzien van aangifte 1 bedragen € 869.938,43. Deze kosten moeten ook pondspondsgewijs aan veroordeelde worden toegerekend, zodat 1/6 deel, te weten € 144.989, -, in aftrek dient te worden genomen op de betalingsverplichting. Daarnaast is door tijdig en adequaat handelen van de bank een bedrag van € 902.873,83 - teruggehaald. Ook 1/6 deel van dit bedrag, te weten € 150.478, -, dient in aftrek te worden genomen op de betalingsverplichting van veroordeelde. Het bedrag van € 3.491.772, -, dat in het vonnis genoemd wordt als zijnde het totale bedrag dat nog niet teruggevonden zou zijn, is achterhaald door later onderzoek en niet correct. Van de € 5.279.000, - is feitelijk slechts € 902.873,83 retour ontvangen.
Er dient bij het bepalen van de betalingsverplichting geen rekening te worden gehouden met de gelden waarop via rechtshulpverzoeken beslag is gelegd. Deze gelden zijn immers nog niet in het vermogen van de bank teruggevloeid. Dit betreft een bedrag van € 954.000, -, dat op 12 april 2010 door de criminele organisatie is overgemaakt naar [naam rechtspersoon] . Deze rechtspersoon is failliet verklaard. Er zijn daarnaast nog andere beslagen gelegd in deze zaak, maar dat betreffen allemaal (de rechtbank begrijpt: conservatoire) beslagen onder de veroordeelden.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De ontnemingsvordering moet worden afgewezen.
Uitgangspunt moet zijn dat alleen daadwerkelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Slechts wanneer het daadwerkelijke voordeel niet is vast te stellen, kan toevlucht worden genomen tot schattingen en veronderstellingen. Nu het concreet door veroordeelde behaalde voordeel wel degelijk is vast komen te staan, kan geen sprake zijn van een pondspondsgewijze verdeling van het totale fraudebedrag. Het concrete voordeel van veroordeelde is de € 100.000, - die van [naam bedrijf 3 B.V. ] is overgemaakt [naam bedrijf 4] BV. Aangezien veroordeelde echter geen zeggenschap heeft over die BV kan dit bedrag niet aan hem in persoon worden ontnomen.
Voor zover het bedrag van € 100.000, - wel aan veroordeelde kan worden toegerekend, dienen hier nog de kosten van worden afgetrokken, zodat de op te leggen verplichting tot betaling € 99.665,71 bedraagt.
Indiende rechtbank van oordeel is dat het concreet door veroordeelde behaalde voordeel niet vastgesteld kan worden, dient het aan veroordeelde te ontnemen bedrag te worden geschat aan de hand van toerekening. Daarbij dient dan als eerste beoordeeld te worden op grond van welk bedrag de toerekening plaats dient te vinden. Veroordeelde is slechts betrokken geweest bij de overschrijvingen van [naam bedrijf 1] naar katvangers, het ophalen van contant geld in Hongarije en de overboeking vanuit [naam bedrijf 3 B.V. ] [naam bedrijf 4] BV. Dit betreft een totaalbedrag van € 1.260.000, -. Hiervan dienen de kosten afgetrokken te worden, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 895.861,83 moet worden gesteld.
Inleiding
[naam bedrijf 3 B.V. ] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.”
De rechtbank heeft naar aanleiding van deze vastgestelde feiten de volgende conclusies getrokken:
“De feitelijke vaststellingen van de rechtbank leiden tot de volgende conclusies. Verdachte heeft in maart en april 2010 een groot geldbedrag dat [medeverdachte 1] uit misdrijf had verkregen, witgewassen en heeft delen van dat bedrag later in Hongarije contant opgenomen en een ander deel op zijn bedrijfsrekening ontvangen.
De verhullende constructie waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en de daarmee verkregen gelden via verschillende vaak buitenlandse rekeningen werden weggesluisd, is kennelijk in het leven geroepen èn uitgevoerd om enerzijds te kunnen doorgaan met het oplichten van banken en anderzijds de daarmee verkregen gelden daadwerkelijk in contanten in handen te kunnen krijgen en te kunnen besteden (witwassen), zonder dat de banken of justitie dit zouden opmerken. Dat doel vormt dan ook het criminele oogmerk van deze constructie. Om de constructie en in het bijzonder het internationale witwasproces mogelijk te maken en uit te voeren zijn een zorgvuldige voorbereiding, de medewerking van veel verschillende personen èn organisatie vereist, die gelet op de bewezenverklaarde feiten ook daadwerkelijk hebben bestaan.
Uit het aandeel van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat sprake was van het georganiseerde verband. Hij wist immers dat diverse personen ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en verschillende katvangers) erbij betrokken waren, dat de feiten gedurende een langere periode werden gepleegd en dat hij in dat geheel een specifieke rol vervulde. Hij was immers prominent bij het witwassen van bedragen via de rekeningen van katvangers betrokken, haalde zelf contante geldbedragen bij hen op en ontving geldbedragen op zijn eigen bedrijfsrekening. De duurzaamheid en de structuur van het samenwerkingsverband waren hem dan ook duidelijk. Dat niet blijkt dat verdachte op enig moment direct contact heeft gehad met [medeverdachte 1] , die het grondfeit, de oplichting, pleegde, doet hieraan niet af.
Op grond daarvan kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.”
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en bij schriftelijk requisitoir – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aangifte 1, welke betrekking heeft op een fraudebedrag van € 5.279.000, - betreft een feit dat is gepleegd op 19 maart 2010, zodat dit binnen het bereik van de deelname aan een criminele organisatie, waarvoor verdachte is veroordeeld, valt. Dit bedrag dient dus als uitgangspunt te gelden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde maakte samen met vijf anderen deel uit van een criminele organisatie. Bij een pondspondsgewijze verdeling is het daarom passend om 1/6 deel van € 5.279.000, - als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen aan veroordeelde. Hij vervulde immers een prominente rol binnen de organisatie. Dit blijkt ook uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet een pondspondsgewijze verdeling worden toegepast. Het is aan veroordeelde om concreet en gemotiveerd het tegendeel aan te tonen. Dit heeft hij niet gedaan.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet bij veroordeelde worden vastgesteld op € 879.833, -, vermeerderd met de wettelijke rente over € 23.635, - (zijnde het totaal aan inbeslaggenomen contante gelden) vanaf 26 mei 2011 respectievelijk 10 november 2011 en 6 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, op 15 december 2015 berekend op € 1.041,25. Deze rente is immers vervolgprofijt.
De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en ter terechtzitting – daarnaast het volgende aangevoerd ten aanzien van de betalingsverplichting.
De kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict komen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor aftrek in aanmerking. Deze kosten ten aanzien van aangifte 1 bedragen € 869.938,43. Deze kosten moeten ook pondspondsgewijs aan veroordeelde worden toegerekend, zodat 1/6 deel, te weten € 144.989, -, in aftrek dient te worden genomen op de betalingsverplichting. Daarnaast is door tijdig en adequaat handelen van de bank een bedrag van € 902.873,83 - teruggehaald. Ook 1/6 deel van dit bedrag, te weten € 150.478, -, dient in aftrek te worden genomen op de betalingsverplichting van veroordeelde. Het bedrag van € 3.491.772, -, dat in het vonnis genoemd wordt als zijnde het totale bedrag dat nog niet teruggevonden zou zijn, is achterhaald door later onderzoek en niet correct. Van de € 5.279.000, - is feitelijk slechts € 902.873,83 retour ontvangen.
Er dient bij het bepalen van de betalingsverplichting geen rekening te worden gehouden met de gelden waarop via rechtshulpverzoeken beslag is gelegd. Deze gelden zijn immers nog niet in het vermogen van de bank teruggevloeid. Dit betreft een bedrag van € 954.000, -, dat op 12 april 2010 door de criminele organisatie is overgemaakt naar [naam rechtspersoon] . Deze rechtspersoon is failliet verklaard. Er zijn daarnaast nog andere beslagen gelegd in deze zaak, maar dat betreffen allemaal (de rechtbank begrijpt: conservatoire) beslagen onder de veroordeelden.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De ontnemingsvordering moet worden afgewezen.
Uitgangspunt moet zijn dat alleen daadwerkelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Slechts wanneer het daadwerkelijke voordeel niet is vast te stellen, kan toevlucht worden genomen tot schattingen en veronderstellingen. Nu het concreet door veroordeelde behaalde voordeel wel degelijk is vast komen te staan, kan geen sprake zijn van een pondspondsgewijze verdeling van het totale fraudebedrag. Het concrete voordeel van veroordeelde is de € 100.000, - die van [naam bedrijf 3 B.V. ] is overgemaakt [naam bedrijf 4] BV. Aangezien veroordeelde echter geen zeggenschap heeft over die BV kan dit bedrag niet aan hem in persoon worden ontnomen.
Voor zover het bedrag van € 100.000, - wel aan veroordeelde kan worden toegerekend, dienen hier nog de kosten van worden afgetrokken, zodat de op te leggen verplichting tot betaling € 99.665,71 bedraagt.
Indiende rechtbank van oordeel is dat het concreet door veroordeelde behaalde voordeel niet vastgesteld kan worden, dient het aan veroordeelde te ontnemen bedrag te worden geschat aan de hand van toerekening. Daarbij dient dan als eerste beoordeeld te worden op grond van welk bedrag de toerekening plaats dient te vinden. Veroordeelde is slechts betrokken geweest bij de overschrijvingen van [naam bedrijf 1] naar katvangers, het ophalen van contant geld in Hongarije en de overboeking vanuit [naam bedrijf 3 B.V. ] [naam bedrijf 4] BV. Dit betreft een totaalbedrag van € 1.260.000, -. Hiervan dienen de kosten afgetrokken te worden, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 895.861,83 moet worden gesteld.